Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-01
ECLI:NL:RBGEL:2025:8214
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,652 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/165 V
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 oktober 2025
op het verzet van
[opposant]
, uit [plaats], opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2025 in het geding tussen
opposant
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Overbetuwe.
Inleiding
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen. De heffingsambtenaar is, zoals gebruikelijk bij verzetzaken, niet op de zitting verschenen.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 28 maart 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 28 maart 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel kennelijk is, oftewel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft geconstateerd dat opposant de gronden van beroep niet heeft ingediend binnen de in het bericht van 13 januari 2025 gestelde termijn, namelijk uiterlijk 10 februari 2025. De rechtbank is ervan uitgegaan dat opposant het bericht heeft ontvangen, omdat hij digitaal procedeert en bij plaatsing van een bericht in het digitale dossier automatisch een notificatiebericht aan partijen wordt verzonden.
Is het te laat indienen van de gronden van het beroep verschoonbaar?
4. Opposant stelt dat hij het door de rechtbank op 13 januari 2025 via het digitale systeem verzonden bericht pas op 28 maart 2025 heeft gezien, omdat dit bericht in zijn postvak ongewenst is terechtgekomen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep is de meest verstrekkende uitspraak die de rechtbank kan doen, omdat de zaak dan niet meer inhoudelijk wordt behandeld. Opposant heeft zijn beroep digitaal ingediend en dus ervoor gekozen om digitaal te procederen. De vraag is echter of daarmee ook alle risico’s die dat met zich meebrengt – zoals het in het postvak ongewenst terechtkomen van een notificatiebericht – voor rekening van opposant moeten komen.
6. De rechtbank is van oordeel dat het onredelijk is om in dit geval alle risico’s voor rekening en risico van opposant te laten komen. De rechtbank vindt dat namelijk niet passen in de situatie waarin digitaal procederen voor veel belastingplichtigen – zoals opposant – nog nieuw is en zij door (relatief) beperkte formele gebreken worden geconfronteerd met verstrekkende juridische gevolgen. Dit geldt des te meer nu opposant voor zichzelf procedeert en daarmee geen of zeer beperkte ervaring heeft. De rechtbank weegt daarbij mee dat belastingplichtigen bij hun keuze om digitaal te procederen er op dit moment niet op worden gewezen dat notificatieberichten in het postvak ongewenst terecht kunnen komen, zij zichzelf hiervan nog niet bewust zijn én zij de gevolgen daarvan ook niet kunnen overzien.
7. De verzetsgrond slaagt.
Conclusie
8. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak werd gedaan.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat geen kosten zijn gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 oktober 2025
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uit artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb volgt dat dat het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde een notificatiebericht stuurt waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, het tijdstip is waarop de geadresseerde dat bericht heeft ontvangen.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/165 V
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 oktober 2025
op het verzet van
[opposant]
, uit [plaats], opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2025 in het geding tussen
opposant
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Overbetuwe.
Inleiding
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 28 maart 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft het verzet op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen. De heffingsambtenaar is, zoals gebruikelijk bij verzetzaken, niet op de zitting verschenen.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 28 maart 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 28 maart 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel kennelijk is, oftewel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft geconstateerd dat opposant de gronden van beroep niet heeft ingediend binnen de in het bericht van 13 januari 2025 gestelde termijn, namelijk uiterlijk 10 februari 2025. De rechtbank is ervan uitgegaan dat opposant het bericht heeft ontvangen, omdat hij digitaal procedeert en bij plaatsing van een bericht in het digitale dossier automatisch een notificatiebericht aan partijen wordt verzonden.
Is het te laat indienen van de gronden van het beroep verschoonbaar?
4. Opposant stelt dat hij het door de rechtbank op 13 januari 2025 via het digitale systeem verzonden bericht pas op 28 maart 2025 heeft gezien, omdat dit bericht in zijn postvak ongewenst is terechtgekomen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep is de meest verstrekkende uitspraak die de rechtbank kan doen, omdat de zaak dan niet meer inhoudelijk wordt behandeld. Opposant heeft zijn beroep digitaal ingediend en dus ervoor gekozen om digitaal te procederen. De vraag is echter of daarmee ook alle risico’s die dat met zich meebrengt – zoals het in het postvak ongewenst terechtkomen van een notificatiebericht – voor rekening van opposant moeten komen.
6. De rechtbank is van oordeel dat het onredelijk is om in dit geval alle risico’s voor rekening en risico van opposant te laten komen. De rechtbank vindt dat namelijk niet passen in de situatie waarin digitaal procederen voor veel belastingplichtigen – zoals opposant – nog nieuw is en zij door (relatief) beperkte formele gebreken worden geconfronteerd met verstrekkende juridische gevolgen. Dit geldt des te meer nu opposant voor zichzelf procedeert en daarmee geen of zeer beperkte ervaring heeft. De rechtbank weegt daarbij mee dat belastingplichtigen bij hun keuze om digitaal te procederen er op dit moment niet op worden gewezen dat notificatieberichten in het postvak ongewenst terecht kunnen komen, zij zichzelf hiervan nog niet bewust zijn én zij de gevolgen daarvan ook niet kunnen overzien.
7. De verzetsgrond slaagt.
Conclusie
8. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak werd gedaan.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat geen kosten zijn gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 oktober 2025
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uit artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb volgt dat dat het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde een notificatiebericht stuurt waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, het tijdstip is waarop de geadresseerde dat bericht heeft ontvangen.