Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-09-17
ECLI:NL:RBGEL:2025:7819
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,092 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11573046 \ CV EXPL 25-600
Vonnis van 17 september 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigden: mr. R.P. van den Broek en mr. I. Gerritsen,
tegen
[gedaagde]
,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. S.A. Wensing.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 april 2025,
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [eiser] overgelegde aanvullende producties,
- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2025, waarvan aantekening is gehouden door de griffier.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft het paard genaamd ‘Sanches’, geboren op 25 juni 2019, (hierna: het paard) te koop aangeboden.
2.2.
[eiser] heeft op 31 januari 2024 per WhatsApp aan [gedaagde] bericht:“Dag ik zag uw advertentie van de vos ruin van santo domingo. Is het een mogelijkheid om te komen kijken?
Ik ben een L2/m1 ruiter maar ben er anderhalf jaar uit en zoek een nieuw paard waarmee ik weer een combinatie kan vormen en verder mee kan komen in de dressuursport”
2.3.
In februari 2024 heeft [eiser] het paard een aantal keer bezichtigd.
2.4.
Op 1 maart 2024 heeft [eiser] het paard klinisch laten keuren door dierenarts [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna: Van [naam 1]). Van [naam 1] heeft tevens röntgenfoto’s die in 2021 van de rug en de benen van het paard zijn gemaakt, opnieuw beoordeeld. In de conclusie van het door Van [naam 1] opgestelde onderzoeksrapport is vermeld: “klinisch + röntgenologisch gezond sportpaard”.
2.5.
Op 1 maart 2024 zijn partijen overeengekomen dat [eiser] het paard van [gedaagde] koopt voor een te betalen koopsom van € 10.000,00.
2.6.
[gedaagde] heeft het paard na afloop van de keuring afgeleverd bij de door [eiser] gehuurde stal.
2.7.
Bij factuur van 1 maart 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van in totaal € 10.107,69 (incl. btw) aan [eiser] in rekening gebracht voor de koopsom van het paard en de transportkosten. [gedaagde] heeft dit factuurbedrag betaald.
2.8.
Op 21 augustus 2024 heeft [eiser] het paard klinisch en echografisch laten onderzoeken door dierenarts [naam 2] van [bedrijf 2] (hierna: [naam 2]). [naam 2] heeft daarover schriftelijk verklaard:
“(…)
Klinische valt er asymmetrie van het bekken op, waarbij de rechter bekken helft meer excursie doormaakt in beweging dan de linker.
Chiropractisch valt op dat het linker SI gewricht minder bewegelijk is dan het rechter SI gewricht.
Bij rectaal echografisch onderzoek bleek dat er minimale artrose opbouw aanwezig is op de 4e en 5e lenden wervel ventraal naast de tussenwervelschrijf tussen de 4e en 5e lendenwervel.
Daarnaast is er bij rectale echografische beoordeling van het linker SI gewricht, minimale artrose opbouw te zien.”
2.9.
Na het onderzoek heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met [gedaagde] en heeft zij gevraagd of [gedaagde] het paard terug wil nemen. Daarop heeft [gedaagde] aangegeven onderzoek te willen doen naar het paard.
2.10.
Bij brief van 25 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] bericht dat het paard niet gebruikt kan worden voor de amateursport omdat [naam 2] onder andere asymmetrie in het bekken en artrose heeft vastgesteld en het paard regelmatig onverwacht bokt. In de brief heeft de gemachtigde van [eiser] de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.
2.11.
Op 30 september 2024 heeft [gedaagde] heeft paard opgehaald. [gedaagde] heeft het paard zelf geobserveerd en heeft het door externe trainers laten berijden. Verder liet [gedaagde] een contra-expertise uitvoeren door dierenarts [naam 3] van [bedrijf 1] (hierna: [naam 3]). Deze contra-expertise heeft vervolgens op 10 oktober 2024 plaatsgevonden. [naam 3] heeft bij brief van 15 oktober 2024 daarover onder meer het volgende verklaard:“(…)
Bevindingen: Inspectie/palpatie: paard is wat matig bespierd in de achterhand en rug, wat te maken kan hebben met management. (voeding en training)
Paard loopt goed rad, ook na buigproeven van de achterhand en op de harde volte.
Aan de longe zijn ook geen bijzonderheden te zien in de beweging.
Echografisch is geringe reactie op het linker SI gewricht te zien bij rectaal onderzoek. Aan de wervellichamen zijn geen bijzonderheden gevonden en ook niet bij uitwendig echografisch onderzoek van de lumbale facetgewrichtem.
(…)
Advies / therapie: Op basis van het klinisch beeld in combinatie van het echografisch beeld is er geen belemmering om dit paard als sportpaard te gebruiken.
Er is bloed voor eventueel dopingonderzoek opgesloten bij ons in de vriezer.”
2.12.
Op 14 oktober 2024 heeft dierenarts [naam 4] van [bedrijf 3] (hierna: [naam 4]) het paard klinisch onderzocht. In het daarvan opgestelde verslag heeft [naam 4] onder meer vermeld:
“(…)
KO: paard eerst onder het zadel bekeken in een voor het paard onbekende omgeving. Paard staat, ondanks zijn nog jonge leeftijd en ervaring, rustig op de wagen bij aankomst, oogt vriendelijk, rustig, ongecompliceerd en ontspannen. Paard is in goede conditie en makkelijk in de omgang.
Paard voorgesteld onder normaal (dressuur)zadel zonder hulptegel oid. Onder het zadel makkelijk, goed bewerkbaar, geen Links- Rechts asymmetrie waar te nemen in stap en draf. Paard heeft wat moeite met galop (kort, maar wel regelmatig), met name Rechter galop. Paard springt bij herhaling wel aan in goede galop en laat zich goed bewerken. Conditie en belastbaarheid lijkt normaal.
Verder klinisch onderzoek op kliniek; draf harde bodem; geen kreupelheid bij voordraven op rechte lijn en voltes. Geen Links-Rechts verschil waargenomen. Geen asymmetrie in beweging waargenomen.
Normale coördinatie.
Buigproeven beiderzijds achter negatief (geen reactie). Normale reactie op rugpalpatie, latero en ventroflexie mogelijk. Extensie SI-gewricht mogelijk. LA kleine schiefel mediaal; niet gevoelig draf, galop aan longe in longeercirkel; geen bijzonderheden.
(…)
Conclusie
2.13.
Na afloop van het onderzoek op 14 oktober 2024 is het paard weer gestald op de door [eiser] gehuurde stal.
2.14.
In november en december 2024 heeft [eiser] het paard in totaal zes weken laten trainen door [naam 5].
2.15.
Op 14 november 2024 heeft [eiser] het paard te koop aangeboden. In de advertentietekst is onder meer het volgende vermeld:
Super symphatieke ruin aangeboden!
(…)
Hij is heel lief en makkelijk en geeft de ruiter een goed gevoel. Hij is werkwillig en zou dan ook het best passen bij iemand die lekker fanatiek rijdt en hem veel aandacht geeft. Sanches staat fijn aan de hulpen, loopt op L/M niveau en is heel nuchter. Hij heeft mooie hoeven (…) is helemaal gekeurd en heeft geen gebreken. (…)
2.16.
Op 3 december 2024 heeft een potentiële koper van het paard het paard klinisch, röntgenologisch en echografisch laten onderzoeken door dierenarts K. [naam 6] van [bedrijf 4] (hierna: [naam 6]). In de daarvan opgestelde verklaring d.d. 5 december 2024 is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Klinisch onderzoek
: geen significante bevindingen (randopmerking die geen klinische relevantie heeft: schieffel halverwege de pijp aan de mediale zijde van het rechter voorbeen)
Röntgenologisch onderzoek
: hals en rug: 19 opnames: Hals: Radiodensie spots dorsaal van C1/eerste halswervel, radiodense vlek net caudaal/aan de achterzijde van het occiput/achterhoofd, transpositie van beide ventrale liminae van C6 naar C7. Rug: milde remodellering/botverandering van 1 spinaaluitsteeksle/doornuitsteeksel met vernauwing eind thoracaal T15-16 met een kleine radiolucentie en milde sclerose. Klasse 2/7: acceptabel.
Echografisch onderzoek
: occiput/C1: hyperechogene spots aanwezig in een hypoechogene omvangstoename van nuchale burse/slijmbeurs ter hoogte van het craniale/voorste deel van C1/eerste halswervel, horzizontale hyperechogene streep met slagschaduw in linker begrenzing van de rectus capitis spier net caudaal van de aanhechting op het occiput/achterhoofd
Conclusie
: Omvangstoename met georganiseerde ontsteking van de nachale bursa/slijmbeurs, mineralisatie/verkalking of absprengfractuur in/van de rectus capitis bij de aanhechting op het occiput/achterhoofd.
Conclusie
”
2.17.
[eiser] heeft de röntgenfoto’s van 3 december 2024 van de rug en hals van het paard laten beoordeling door dierenarts [naam 7] van [bedrijf 5] (hierna: [naam 7]). [naam 7] heeft daarover bij brief van 2 januari 2025 onder meer verklaard:
“(…)
RX hals
: botnieuwvorming bij het achterhoofd met fragment, meest wsl thv aanhechting m. semispinalis capitis, densiteiten proximaal van C1, betreft meest waarschijnlijk calcificaties (verkalkingen) in de nekbursa, verder geringe reactie facetgewricht C2-3 ventraal, geringe remodelling facetgewricht C7-Th1 en transpositie ventrale laminae van C7 naar Th1 (anatomische variatie).
RX rug
: 1 interspinale ruimte vernauwd, met matige remodelling.
Conclusie
: Röntgenologisch verhoogd risico voor het gebruik als sportpaard mbt de bevindingen in de hals.
(…)”
2.18.
[eiser] heeft de röntgenfoto’s en echobeelden van 3 december 2024 van de rug en hals van het paard en de echobeelden van 10 oktober 2024 van het SI-gewricht van het paard laten beoordelen door dierenarts [naam 8] van [bedrijf 6] (hierna: [naam 8]). [naam 8] heeft daarover op 27 januari 2025 schriftelijk onder meer verklaard:“(…)
IMPRESSION / CONCLUSION
Rotgen foto’s
● Avulsie fragment van het occiput – linkdekrant met tendinitis/tendinopathie van de linker semispinalis pees craniaal hiervan
● Verkalking linker kant – regio nuchale slijmbeurs – dystrofische mineralisatie
● Bilaterale transpositie van de ventral lamina na C7 – de klinische relevantie is op dit moment (nog) niet bekent wetenschappelijk
● Matig hypertrofie van het C7T1 facet gewricht.
● De eerste rib kan niet in zijn geheel geëvalueerd worden maar er is een vermoeden dat deze hypoplastisch is.
● Artrose ter hoogte van het (vermoedelijk) SI gebied
De bevindingen hierboven (avulsie fragment van het occiput) en mineralisatie in het regio van nuchale bursa kunnen klachten veroorzaken zoals ongemak, onjuiste hoofdhouding en/of moeilijkheid met aan de teugel lopen.
Als deze bevindingen worden waargenomen tijdens een aankoop/verkoop keuring, dan achten wij het als een verhoogd risico, mede gezien de leeftijd van het paard en de onvoorspelbaarheid van de klachten, die bovendien vaak moeilijk, en soms zelf onmogelijk, te behandelen zijn.
De mogelijk aanwezigheid van een hypoplastische eerste rib, kan tevens ook klachten geven zoals ongemak, onjuiste hoofdhouding en/or moeilijkheid met aan de teugel lopen. Ook kan explosief gedrag met het rijden een klacht zijn. Als dit (de hypoplastic rib) aanwezig is, is het tevens lastig, zo niet onmogelijk, om te behandelen en vereist het vaak intensievere management. Voor een hypoplastische rib, geldt ook dat als deze wordt waargenomen tijdens een aankoop/verkoop keuring, wij dit als een verhoogd risico zien. Per definitie is een hypoplastische rib, een rib die kleiner/korter is dan gebruikelijk en die geen normale verbinding heeft met het borstbeen (sternum). Deze hypoplastische rib kan daardoor geen normale steun geven aan de brachial plexus en mogelijk irritatie geven aan het zenuwstelsel. Ook kan een hypoplastische rib een instabiliteit geven van de overgang hals borst.
De bevindingen van het SI kunnen problemen geven met correct aan galopperen, de correcte galop vasthouden dan wel de galop vol kunnen houden (terugvallen naar draf). Ook kunnen artrotische bevindingen van het SI gebied, de ontwikkeling van de bespiering belemmeren door onjuist gebruik van het bekkengebied.”
Geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
1. de koopovereenkomst tussen partijen zal ontbinden,
subsidiair:
2. de koopovereenkomst tussen partijen zal vernietigen,
zowel primair als subsidiair:
3. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 22.377,23, welk bedrag dient te worden verhoogd met de kosten voor de verzorging van het paard voor elke maand dat vonnis zal worden gewezen na het uitbrengen van de dagvaarding, vermeerderd met wettelijke rente,alsmede [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiser] heeft primair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de koopovereenkomst moet worden ontbonden omdat het paard volgens [eiser] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt in de zin van artikel 7:17 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt het afgeleverde (in dit geval het paard) niet aan de koopovereenkomst als mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij of zij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het paard heeft gekocht met als doel om het paard als dressuurpaard op amateurniveau te gebruiken. Dit betekent dat wanneer vast komt te staan dat het paard ten tijde van de levering was behept met een zodanig gebrek dat het niet voor de (amateur) dressuursport kan worden gebruikt, het paard niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. In dat geval beantwoordt het paard niet aan de koopovereenkomst.
4.4.
[eiser] heeft gesteld dat het paard verschillende gebreken heeft en hierdoor niet gezond en geschikt is voor de (amateur) dressuursport. In randnummer 31 van de dagvaarding heeft zij deze gebreken als volgt opgesomd:
1. Avulsie fragment van het occiput – linkerkant met desmitis/desmopathie van de linker semispinalis pees craniaal hiervan.
2. Verkalking linker kant – regio nuchale slijmbeurs – dystrofische mineralisatie.
3. Bilaterale transpositie van de ventral lamina na C7 – de klinische relevantie is op dit moment (nog) niet bekend wetenschappelijk.
4. De eerste rib kan niet in zijn geheel geëvalueerd worden maar er is een vermoeden dat deze hypoplastisch is.
5. Artrose ter hoogte van het (vermoedelijk) SI gebied.
Volgens [eiser] heeft het paard als gevolg van voormelde gebreken problemen in de hals en in het SI-gewricht en ondervindt het paard daardoor ongemak tijdens trainingen en heeft het paard moeite om in de hoofdhouding te lopen die nodig is voor de dressuursport, zelfs bij een professionele amazone. Ook heeft het paard veel moeite met de galop en kan het af en toe exploderen c.q. bokken. Om deze redenen is het volgens [eiser] onmogelijk om het paard te gebruiken als dressuurpaard.
4.5.
[gedaagde] heeft betwist dat het paard niet geschikt is voor de dressuursport. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in oktober 2024 het paard heeft laten onderzoeken door haar personeel, diverse externe trainers en twee dierenartsen en dat zij allen hebben geconstateerd dat er geen enkele belemmering is om het paard als sportpaard te gebruiken.
4.6.
Waar het [eiser] is die stelt dat het paard niet kan worden gebruikt als dressuurpaard op amateurniveau, ligt het, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde], op haar weg gelegen om dit nader te onderbouwen.
4.7.
[eiser] heeft ter onderbouwing van haar stellingen in de eerste plaats verwezen naar de schriftelijke veterinaire verklaringen van [naam 2], [naam 4], [naam 6], [naam 7] en Veggel. Daaruit blijkt, kort gezegd, het volgende:
- [naam 2] heeft het linker SI-gewricht van paard echografisch beoordeeld en heeft aan de hand daarvan een minimale artrose-opbouw van het linker SI-gewricht geconstateerd.
- [naam 4] heeft het paard klinisch onderzocht en heeft daarbij onder andere opgemerkt dat het paard met name op de rechterhand wat moeite heeft met de galop (kort, maar wel regelmatig). De conclusie van [naam 4] is dat hij geen veterinaire beperkingen heeft gediagnosticeerd die de eventuele inzet van het paard als sportpaard belemmeren.
- [naam 6] heeft het paard klinisch, echografisch en röntgenologisch onderzocht. Op basis van de echografische en röntgenologische beelden heeft zij de hiervoor onder 4.4. onder 1. tot en met 3. genoemde bemerkingen vastgesteld. Tijdens het klinische onderzoek van het paard heeft [naam 6] geen significatie bevindingen vastgesteld.
- [naam 7] heeft de door [naam 6] gemaakte röntgenfoto’s beoordeeld en dezelfde bemerkingen vastgesteld als [naam 6],
- [naam 8] heeft de door [naam 6] gemaakte echobeelden en röntgenfoto’s van het paard en de echobeelden van 10 oktober 2024 van het SI-gewricht van het paard beoordeeld. Zij heeft op basis van die beelden dezelfde bemerkingen vastgesteld als [naam 2], [naam 6] en [naam 7]. Daarnaast vermoedt [naam 8] op basis van de beelden dat het paard een hypoplastische rib heeft.
4.8.
[gedaagde] heeft de juistheid van voormelde bevindingen van de dierenartsen niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Daarmee staat op zichzelf voldoende vast dat het paard echografische en röntgenologische bemerkingen heeft. Dat wil echter nog niet zeggen dat het paard enkel daarom niet geschikt is om te worden gebruikt als dressuurpaard op amateurniveau. Dat is alleen het geval wanneer vast komt te staan dat het paard als gevolg van deze bemerkingen niet voor de (amateur) dressuursport kan worden gebruikt. [naam 2], [naam 6] en [naam 7] hebben daarover echter niets opgemerkt. Uit hun verklaringen blijkt niet dat en zo ja, in hoeverre, het paard ook daadwerkelijk klachten ondervindt als gevolg van de bemerkingen. Enkel [naam 8] heeft een nadere toelichting gegeven op de vastgestelde bemerkingen, maar in die toelichting is alleen vermeld welke klachten kunnen worden veroorzaakt door de hiervoor genoemde bemerkingen. Dat deze klachten zich in dit geval ook daadwerkelijk voordoen bij het paard blijkt daaruit niet en dat is ook niet mogelijk omdat [naam 8] het paard niet zelf heeft onderzocht. Zij heeft haar bevindingen uitsluitend gebaseerd op eerder gemaakte röntgenfoto’s en echografische beelden. Hier staat tegenover dat Van [naam 1], [naam 3], [naam 4] en [naam 6] het paard klinisch positief hebben beoordeeld en dat hen geen bijzonderheden zijn opgevallen in de beweging van het paard. Uit de verklaring van [naam 4] kan hooguit worden vastgesteld dat het paard moeite heeft met de galop maar kennelijk niet in een mate die de inzet van het paard als sportpaard belemmert. De conclusie is dan ook dat het overleggen van voormelde schriftelijke verklaringen onvoldoende is om daarmee de stelling – dat het paard niet geschikt voor de (amateur) dressuursport – nader te onderbouwen.
4.9.
[eiser] heeft voorts een schriftelijke verklaring van Hoekstra (productie 12 van [eiser]) overgelegd. Hoekstra heeft het paard eind 2024 in totaal zes weken getraind. Haar verklaring komt neer op het volgende. Het paard had tijdens de trainingen een makkelijke lage aanleuning maar het lukte Hoekstra vrijwel niet om het paard in de oprichting te rijden. Daarnaast kon het paard tijdens de warming-up van de training bokken wanneer Hoekstra teveel been gaf. Ten slotte bewoog het paard zijn hoofd heen en weer tijdens het uitstappen met een lange teugel.
4.10.
De bevindingen van Hoekstra – ervan uitgaande dat deze bevindingen juist zijn – maken niet dat het paard ongeschikt is om te worden gebruikt voor de (amateur) dressuursport. Daarvoor is het volgende redengevend.
De enkele omstandigheid dat het Hoekstra vrijwel niet lukte om het paard in een opgerichte aanleuning te rijden, is onvoldoende om op basis daarvan te concluderen dat sprake is van een voor de dressuursport onacceptabele aanleuning. Hoekstra heeft het paard in een periode van slechts zes weken getraind en niet gesteld of gebleken is dat de aanleuning van het paard met de juiste training op termijn niet kan worden verbeterd.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.
lt
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11573046 \ CV EXPL 25-600
Vonnis van 17 september 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigden: mr. R.P. van den Broek en mr. I. Gerritsen,
tegen
[gedaagde]
,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. S.A. Wensing.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 april 2025,
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [eiser] overgelegde aanvullende producties,
- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2025, waarvan aantekening is gehouden door de griffier.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft het paard genaamd ‘Sanches’, geboren op 25 juni 2019, (hierna: het paard) te koop aangeboden.
2.2.
[eiser] heeft op 31 januari 2024 per WhatsApp aan [gedaagde] bericht:“Dag ik zag uw advertentie van de vos ruin van santo domingo. Is het een mogelijkheid om te komen kijken?
Ik ben een L2/m1 ruiter maar ben er anderhalf jaar uit en zoek een nieuw paard waarmee ik weer een combinatie kan vormen en verder mee kan komen in de dressuursport”
2.3.
In februari 2024 heeft [eiser] het paard een aantal keer bezichtigd.
2.4.
Op 1 maart 2024 heeft [eiser] het paard klinisch laten keuren door dierenarts [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna: Van [naam 1]). Van [naam 1] heeft tevens röntgenfoto’s die in 2021 van de rug en de benen van het paard zijn gemaakt, opnieuw beoordeeld. In de conclusie van het door Van [naam 1] opgestelde onderzoeksrapport is vermeld: “klinisch + röntgenologisch gezond sportpaard”.
2.5.
Op 1 maart 2024 zijn partijen overeengekomen dat [eiser] het paard van [gedaagde] koopt voor een te betalen koopsom van € 10.000,00.
2.6.
[gedaagde] heeft het paard na afloop van de keuring afgeleverd bij de door [eiser] gehuurde stal.
2.7.
Bij factuur van 1 maart 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van in totaal € 10.107,69 (incl. btw) aan [eiser] in rekening gebracht voor de koopsom van het paard en de transportkosten. [gedaagde] heeft dit factuurbedrag betaald.
2.8.
Op 21 augustus 2024 heeft [eiser] het paard klinisch en echografisch laten onderzoeken door dierenarts [naam 2] van [bedrijf 2] (hierna: [naam 2]). [naam 2] heeft daarover schriftelijk verklaard:
“(…)
Klinische valt er asymmetrie van het bekken op, waarbij de rechter bekken helft meer excursie doormaakt in beweging dan de linker.
Chiropractisch valt op dat het linker SI gewricht minder bewegelijk is dan het rechter SI gewricht.
Bij rectaal echografisch onderzoek bleek dat er minimale artrose opbouw aanwezig is op de 4e en 5e lenden wervel ventraal naast de tussenwervelschrijf tussen de 4e en 5e lendenwervel.
Daarnaast is er bij rectale echografische beoordeling van het linker SI gewricht, minimale artrose opbouw te zien.”
2.9.
Na het onderzoek heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met [gedaagde] en heeft zij gevraagd of [gedaagde] het paard terug wil nemen. Daarop heeft [gedaagde] aangegeven onderzoek te willen doen naar het paard.
2.10.
Bij brief van 25 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] bericht dat het paard niet gebruikt kan worden voor de amateursport omdat [naam 2] onder andere asymmetrie in het bekken en artrose heeft vastgesteld en het paard regelmatig onverwacht bokt. In de brief heeft de gemachtigde van [eiser] de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.
2.11.
Op 30 september 2024 heeft [gedaagde] heeft paard opgehaald. [gedaagde] heeft het paard zelf geobserveerd en heeft het door externe trainers laten berijden. Verder liet [gedaagde] een contra-expertise uitvoeren door dierenarts [naam 3] van [bedrijf 1] (hierna: [naam 3]). Deze contra-expertise heeft vervolgens op 10 oktober 2024 plaatsgevonden. [naam 3] heeft bij brief van 15 oktober 2024 daarover onder meer het volgende verklaard:“(…)
Bevindingen: Inspectie/palpatie: paard is wat matig bespierd in de achterhand en rug, wat te maken kan hebben met management. (voeding en training)
Paard loopt goed rad, ook na buigproeven van de achterhand en op de harde volte.
Aan de longe zijn ook geen bijzonderheden te zien in de beweging.
Echografisch is geringe reactie op het linker SI gewricht te zien bij rectaal onderzoek. Aan de wervellichamen zijn geen bijzonderheden gevonden en ook niet bij uitwendig echografisch onderzoek van de lumbale facetgewrichtem.
(…)
Advies / therapie: Op basis van het klinisch beeld in combinatie van het echografisch beeld is er geen belemmering om dit paard als sportpaard te gebruiken.
Er is bloed voor eventueel dopingonderzoek opgesloten bij ons in de vriezer.”
2.12.
Op 14 oktober 2024 heeft dierenarts [naam 4] van [bedrijf 3] (hierna: [naam 4]) het paard klinisch onderzocht. In het daarvan opgestelde verslag heeft [naam 4] onder meer vermeld:
“(…)
KO: paard eerst onder het zadel bekeken in een voor het paard onbekende omgeving. Paard staat, ondanks zijn nog jonge leeftijd en ervaring, rustig op de wagen bij aankomst, oogt vriendelijk, rustig, ongecompliceerd en ontspannen. Paard is in goede conditie en makkelijk in de omgang.
Paard voorgesteld onder normaal (dressuur)zadel zonder hulptegel oid. Onder het zadel makkelijk, goed bewerkbaar, geen Links- Rechts asymmetrie waar te nemen in stap en draf. Paard heeft wat moeite met galop (kort, maar wel regelmatig), met name Rechter galop. Paard springt bij herhaling wel aan in goede galop en laat zich goed bewerken. Conditie en belastbaarheid lijkt normaal.
Verder klinisch onderzoek op kliniek; draf harde bodem; geen kreupelheid bij voordraven op rechte lijn en voltes. Geen Links-Rechts verschil waargenomen. Geen asymmetrie in beweging waargenomen.
Normale coördinatie.
Buigproeven beiderzijds achter negatief (geen reactie). Normale reactie op rugpalpatie, latero en ventroflexie mogelijk. Extensie SI-gewricht mogelijk. LA kleine schiefel mediaal; niet gevoelig draf, galop aan longe in longeercirkel; geen bijzonderheden.
(…)
Conclusie
2.13.
Na afloop van het onderzoek op 14 oktober 2024 is het paard weer gestald op de door [eiser] gehuurde stal.
2.14.
In november en december 2024 heeft [eiser] het paard in totaal zes weken laten trainen door [naam 5].
2.15.
Op 14 november 2024 heeft [eiser] het paard te koop aangeboden. In de advertentietekst is onder meer het volgende vermeld:
Super symphatieke ruin aangeboden!
(…)
Hij is heel lief en makkelijk en geeft de ruiter een goed gevoel. Hij is werkwillig en zou dan ook het best passen bij iemand die lekker fanatiek rijdt en hem veel aandacht geeft. Sanches staat fijn aan de hulpen, loopt op L/M niveau en is heel nuchter. Hij heeft mooie hoeven (…) is helemaal gekeurd en heeft geen gebreken. (…)
2.16.
Op 3 december 2024 heeft een potentiële koper van het paard het paard klinisch, röntgenologisch en echografisch laten onderzoeken door dierenarts K. [naam 6] van [bedrijf 4] (hierna: [naam 6]). In de daarvan opgestelde verklaring d.d. 5 december 2024 is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Klinisch onderzoek
: geen significante bevindingen (randopmerking die geen klinische relevantie heeft: schieffel halverwege de pijp aan de mediale zijde van het rechter voorbeen)
Röntgenologisch onderzoek
: hals en rug: 19 opnames: Hals: Radiodensie spots dorsaal van C1/eerste halswervel, radiodense vlek net caudaal/aan de achterzijde van het occiput/achterhoofd, transpositie van beide ventrale liminae van C6 naar C7. Rug: milde remodellering/botverandering van 1 spinaaluitsteeksle/doornuitsteeksel met vernauwing eind thoracaal T15-16 met een kleine radiolucentie en milde sclerose. Klasse 2/7: acceptabel.
Echografisch onderzoek
: occiput/C1: hyperechogene spots aanwezig in een hypoechogene omvangstoename van nuchale burse/slijmbeurs ter hoogte van het craniale/voorste deel van C1/eerste halswervel, horzizontale hyperechogene streep met slagschaduw in linker begrenzing van de rectus capitis spier net caudaal van de aanhechting op het occiput/achterhoofd
Conclusie
: Omvangstoename met georganiseerde ontsteking van de nachale bursa/slijmbeurs, mineralisatie/verkalking of absprengfractuur in/van de rectus capitis bij de aanhechting op het occiput/achterhoofd.
Conclusie
”
2.17.
[eiser] heeft de röntgenfoto’s van 3 december 2024 van de rug en hals van het paard laten beoordeling door dierenarts [naam 7] van [bedrijf 5] (hierna: [naam 7]). [naam 7] heeft daarover bij brief van 2 januari 2025 onder meer verklaard:
“(…)
RX hals
: botnieuwvorming bij het achterhoofd met fragment, meest wsl thv aanhechting m. semispinalis capitis, densiteiten proximaal van C1, betreft meest waarschijnlijk calcificaties (verkalkingen) in de nekbursa, verder geringe reactie facetgewricht C2-3 ventraal, geringe remodelling facetgewricht C7-Th1 en transpositie ventrale laminae van C7 naar Th1 (anatomische variatie).
RX rug
: 1 interspinale ruimte vernauwd, met matige remodelling.
Conclusie
: Röntgenologisch verhoogd risico voor het gebruik als sportpaard mbt de bevindingen in de hals.
(…)”
2.18.
[eiser] heeft de röntgenfoto’s en echobeelden van 3 december 2024 van de rug en hals van het paard en de echobeelden van 10 oktober 2024 van het SI-gewricht van het paard laten beoordelen door dierenarts [naam 8] van [bedrijf 6] (hierna: [naam 8]). [naam 8] heeft daarover op 27 januari 2025 schriftelijk onder meer verklaard:“(…)
IMPRESSION / CONCLUSION
Rotgen foto’s
● Avulsie fragment van het occiput – linkdekrant met tendinitis/tendinopathie van de linker semispinalis pees craniaal hiervan
● Verkalking linker kant – regio nuchale slijmbeurs – dystrofische mineralisatie
● Bilaterale transpositie van de ventral lamina na C7 – de klinische relevantie is op dit moment (nog) niet bekent wetenschappelijk
● Matig hypertrofie van het C7T1 facet gewricht.
● De eerste rib kan niet in zijn geheel geëvalueerd worden maar er is een vermoeden dat deze hypoplastisch is.
● Artrose ter hoogte van het (vermoedelijk) SI gebied
De bevindingen hierboven (avulsie fragment van het occiput) en mineralisatie in het regio van nuchale bursa kunnen klachten veroorzaken zoals ongemak, onjuiste hoofdhouding en/of moeilijkheid met aan de teugel lopen.
Als deze bevindingen worden waargenomen tijdens een aankoop/verkoop keuring, dan achten wij het als een verhoogd risico, mede gezien de leeftijd van het paard en de onvoorspelbaarheid van de klachten, die bovendien vaak moeilijk, en soms zelf onmogelijk, te behandelen zijn.
De mogelijk aanwezigheid van een hypoplastische eerste rib, kan tevens ook klachten geven zoals ongemak, onjuiste hoofdhouding en/or moeilijkheid met aan de teugel lopen. Ook kan explosief gedrag met het rijden een klacht zijn. Als dit (de hypoplastic rib) aanwezig is, is het tevens lastig, zo niet onmogelijk, om te behandelen en vereist het vaak intensievere management. Voor een hypoplastische rib, geldt ook dat als deze wordt waargenomen tijdens een aankoop/verkoop keuring, wij dit als een verhoogd risico zien. Per definitie is een hypoplastische rib, een rib die kleiner/korter is dan gebruikelijk en die geen normale verbinding heeft met het borstbeen (sternum). Deze hypoplastische rib kan daardoor geen normale steun geven aan de brachial plexus en mogelijk irritatie geven aan het zenuwstelsel. Ook kan een hypoplastische rib een instabiliteit geven van de overgang hals borst.
De bevindingen van het SI kunnen problemen geven met correct aan galopperen, de correcte galop vasthouden dan wel de galop vol kunnen houden (terugvallen naar draf). Ook kunnen artrotische bevindingen van het SI gebied, de ontwikkeling van de bespiering belemmeren door onjuist gebruik van het bekkengebied.”
Geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
1. de koopovereenkomst tussen partijen zal ontbinden,
subsidiair:
2. de koopovereenkomst tussen partijen zal vernietigen,
zowel primair als subsidiair:
3. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 22.377,23, welk bedrag dient te worden verhoogd met de kosten voor de verzorging van het paard voor elke maand dat vonnis zal worden gewezen na het uitbrengen van de dagvaarding, vermeerderd met wettelijke rente,alsmede [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiser] heeft primair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de koopovereenkomst moet worden ontbonden omdat het paard volgens [eiser] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt in de zin van artikel 7:17 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt het afgeleverde (in dit geval het paard) niet aan de koopovereenkomst als mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij of zij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het paard heeft gekocht met als doel om het paard als dressuurpaard op amateurniveau te gebruiken. Dit betekent dat wanneer vast komt te staan dat het paard ten tijde van de levering was behept met een zodanig gebrek dat het niet voor de (amateur) dressuursport kan worden gebruikt, het paard niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. In dat geval beantwoordt het paard niet aan de koopovereenkomst.
4.4.
[eiser] heeft gesteld dat het paard verschillende gebreken heeft en hierdoor niet gezond en geschikt is voor de (amateur) dressuursport. In randnummer 31 van de dagvaarding heeft zij deze gebreken als volgt opgesomd:
1. Avulsie fragment van het occiput – linkerkant met desmitis/desmopathie van de linker semispinalis pees craniaal hiervan.
2. Verkalking linker kant – regio nuchale slijmbeurs – dystrofische mineralisatie.
3. Bilaterale transpositie van de ventral lamina na C7 – de klinische relevantie is op dit moment (nog) niet bekend wetenschappelijk.
4. De eerste rib kan niet in zijn geheel geëvalueerd worden maar er is een vermoeden dat deze hypoplastisch is.
5. Artrose ter hoogte van het (vermoedelijk) SI gebied.
Volgens [eiser] heeft het paard als gevolg van voormelde gebreken problemen in de hals en in het SI-gewricht en ondervindt het paard daardoor ongemak tijdens trainingen en heeft het paard moeite om in de hoofdhouding te lopen die nodig is voor de dressuursport, zelfs bij een professionele amazone. Ook heeft het paard veel moeite met de galop en kan het af en toe exploderen c.q. bokken. Om deze redenen is het volgens [eiser] onmogelijk om het paard te gebruiken als dressuurpaard.
4.5.
[gedaagde] heeft betwist dat het paard niet geschikt is voor de dressuursport. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in oktober 2024 het paard heeft laten onderzoeken door haar personeel, diverse externe trainers en twee dierenartsen en dat zij allen hebben geconstateerd dat er geen enkele belemmering is om het paard als sportpaard te gebruiken.
4.6.
Waar het [eiser] is die stelt dat het paard niet kan worden gebruikt als dressuurpaard op amateurniveau, ligt het, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde], op haar weg gelegen om dit nader te onderbouwen.
4.7.
[eiser] heeft ter onderbouwing van haar stellingen in de eerste plaats verwezen naar de schriftelijke veterinaire verklaringen van [naam 2], [naam 4], [naam 6], [naam 7] en Veggel. Daaruit blijkt, kort gezegd, het volgende:
- [naam 2] heeft het linker SI-gewricht van paard echografisch beoordeeld en heeft aan de hand daarvan een minimale artrose-opbouw van het linker SI-gewricht geconstateerd.
- [naam 4] heeft het paard klinisch onderzocht en heeft daarbij onder andere opgemerkt dat het paard met name op de rechterhand wat moeite heeft met de galop (kort, maar wel regelmatig). De conclusie van [naam 4] is dat hij geen veterinaire beperkingen heeft gediagnosticeerd die de eventuele inzet van het paard als sportpaard belemmeren.
- [naam 6] heeft het paard klinisch, echografisch en röntgenologisch onderzocht. Op basis van de echografische en röntgenologische beelden heeft zij de hiervoor onder 4.4. onder 1. tot en met 3. genoemde bemerkingen vastgesteld. Tijdens het klinische onderzoek van het paard heeft [naam 6] geen significatie bevindingen vastgesteld.
- [naam 7] heeft de door [naam 6] gemaakte röntgenfoto’s beoordeeld en dezelfde bemerkingen vastgesteld als [naam 6],
- [naam 8] heeft de door [naam 6] gemaakte echobeelden en röntgenfoto’s van het paard en de echobeelden van 10 oktober 2024 van het SI-gewricht van het paard beoordeeld. Zij heeft op basis van die beelden dezelfde bemerkingen vastgesteld als [naam 2], [naam 6] en [naam 7]. Daarnaast vermoedt [naam 8] op basis van de beelden dat het paard een hypoplastische rib heeft.
4.8.
[gedaagde] heeft de juistheid van voormelde bevindingen van de dierenartsen niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Daarmee staat op zichzelf voldoende vast dat het paard echografische en röntgenologische bemerkingen heeft. Dat wil echter nog niet zeggen dat het paard enkel daarom niet geschikt is om te worden gebruikt als dressuurpaard op amateurniveau. Dat is alleen het geval wanneer vast komt te staan dat het paard als gevolg van deze bemerkingen niet voor de (amateur) dressuursport kan worden gebruikt. [naam 2], [naam 6] en [naam 7] hebben daarover echter niets opgemerkt. Uit hun verklaringen blijkt niet dat en zo ja, in hoeverre, het paard ook daadwerkelijk klachten ondervindt als gevolg van de bemerkingen. Enkel [naam 8] heeft een nadere toelichting gegeven op de vastgestelde bemerkingen, maar in die toelichting is alleen vermeld welke klachten kunnen worden veroorzaakt door de hiervoor genoemde bemerkingen. Dat deze klachten zich in dit geval ook daadwerkelijk voordoen bij het paard blijkt daaruit niet en dat is ook niet mogelijk omdat [naam 8] het paard niet zelf heeft onderzocht. Zij heeft haar bevindingen uitsluitend gebaseerd op eerder gemaakte röntgenfoto’s en echografische beelden. Hier staat tegenover dat Van [naam 1], [naam 3], [naam 4] en [naam 6] het paard klinisch positief hebben beoordeeld en dat hen geen bijzonderheden zijn opgevallen in de beweging van het paard. Uit de verklaring van [naam 4] kan hooguit worden vastgesteld dat het paard moeite heeft met de galop maar kennelijk niet in een mate die de inzet van het paard als sportpaard belemmert. De conclusie is dan ook dat het overleggen van voormelde schriftelijke verklaringen onvoldoende is om daarmee de stelling – dat het paard niet geschikt voor de (amateur) dressuursport – nader te onderbouwen.
4.9.
[eiser] heeft voorts een schriftelijke verklaring van Hoekstra (productie 12 van [eiser]) overgelegd. Hoekstra heeft het paard eind 2024 in totaal zes weken getraind. Haar verklaring komt neer op het volgende. Het paard had tijdens de trainingen een makkelijke lage aanleuning maar het lukte Hoekstra vrijwel niet om het paard in de oprichting te rijden. Daarnaast kon het paard tijdens de warming-up van de training bokken wanneer Hoekstra teveel been gaf. Ten slotte bewoog het paard zijn hoofd heen en weer tijdens het uitstappen met een lange teugel.
4.10.
De bevindingen van Hoekstra – ervan uitgaande dat deze bevindingen juist zijn – maken niet dat het paard ongeschikt is om te worden gebruikt voor de (amateur) dressuursport. Daarvoor is het volgende redengevend.
De enkele omstandigheid dat het Hoekstra vrijwel niet lukte om het paard in een opgerichte aanleuning te rijden, is onvoldoende om op basis daarvan te concluderen dat sprake is van een voor de dressuursport onacceptabele aanleuning. Hoekstra heeft het paard in een periode van slechts zes weken getraind en niet gesteld of gebleken is dat de aanleuning van het paard met de juiste training op termijn niet kan worden verbeterd.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.
lt