Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-09-12
ECLI:NL:RBGEL:2025:7695
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/151100-25 Datum uitspraak : 12 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] . Raadsman: mr. S. Kriekaard, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 11 mei 2025 in Ede (gemeente Ede), Bennekom (gemeente Ede), Veenendaal (gemeente Veenendaal) en/of Wageningen (gemeente Wageningen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten - een geldbedrag van ongeveer €1200, toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] (zaak 14, aangifte 2025048641, pag. 394 ev) en/of - een geldbedrag van ongeveer €1700, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 8, aangifte 2025059931, pag. 321 ev) en/of - een geldbedrag van €200 en een onbekend geldbedrag uit de gokkasten, toebehorende aan [bedrijf 3] en/of [slachtoffer 3] (zaak 13, aangifte 2025044609, pag. 383 ev) en/of - een geldbedrag van ongeveer €350-€500, toebehorende aan [bedrijf 4] en/of [slachtoffer 4] (zaak 15, aangifte 2025073447, pag. 405 ev) en/of - een lege afstortkluis, toebehorende aan [bedrijf 5] en/of [slachtoffer 5] (zaak 10, aangifte 2025076958, pag. 353 ev) en/of - een geldbedrag van ongeveer €700, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 5, aangifte 2025096805, pag. 284 ev) en/of - het geld in de gokkasten en de kassalade met inhoud, bestaande uit een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 9] ’ en/of [slachtoffer 6] (zaak 17, aangifte 2025098276, pag. 445 ev) en/of - de kassalade met een geldbedrag van ongeveer €300, toebehorende aan [bedrijf 6] en/of [slachtoffer 7] (zaak 18, aangifte 2025103552, pag. 484 ev) en/of - een geldbedrag van €150, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 3, aangifte 2025119169, pag. 264 ev) en/of - de inhoud van de kassalade, bestaande uit een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf 7] ’ en/of [slachtoffer 8] (zaak 12, aangifte 2025119346, pag. 360 ev) en/of - een geldbedrag van €20 en een houder van de papierhopper, toebehorende aan [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] (zaak 9, aangifte 2025123965, pag. 337 ev) en/of - een muntenkastje met inhoud, toebehorende aan [bedrijf 8] en/of [slachtoffer 9] (zaak 20, aangifte 2025217770, pag. 544 ev), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; 2 hij, in of omstreeks de periode van 16 februari 2025 tot en met 13 maart 2025 in Ede (gemeente Ede) en/of Wageningen (gemeente Wageningen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geldbedragen en/of enig ander goed naar zijn gading, in elke geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten - [bedrijf 10] en/of [slachtoffer 10] (zaak 6, aangifte 2025072541, pag. 306 ev) en/of - Restaurant ‘ [bedrijf 11] ’ en/of [slachtoffer 11] (zaak 1, aangifte 2025098384, pag. 214 ev) en/of - [bedrijf 12] en/of [slachtoffer 12] (zaak 19, aangifte 2025103464, pag. 528 ev) en/of - Restaurant [bedrijf 11] en/of [slachtoffer 11] (zaak 2, aangifte 2025114048, pag. 240 ev), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, de ruiten/ramen en/of deuren van de panden Dat in het proces-verbaal van bevindingen over de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte staat vermeld dat de afbeeldingen niet als bewijs kunnen worden gebruikt, zoals door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot bewijsuitsluiting van de gebruikte zendmastlocaties. Hiermee kan in ieder geval worden vastgesteld waar de telefoon van verdachte in de buurt is geweest. De rechtbank zal de historische verkeersgegevens daarom op deze manier gebruiken voor het bewijs. ii) In het procesdossier zit een aantal herkenningen, waarbij verdachte naar aanleiding van aandachtvestigingen door verbalisanten is herkend. De verdediging heeft aangevoerd dat de herkenningen geen wettig en overtuigend bewijs leveren, omdat deze alleen op basis van foto’s (niet bewegende opnamen van camerabeelden) zijn gedaan en deze foto’s bovendien niet duidelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze herkenningen niet uitsluitend op basis van stilstaande beelden hebben plaatsgevonden. De rechtbank wijst in dat verband bijvoorbeeld op de herkenningen inzake deelfeit 1, waar de verbalisanten opmerkten dat de aandachtvestiging videobeelden bevatte. Hetzelfde geldt voor de herkenningen bij de deelfeiten 17 en 18. De herkenningen zijn naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar. Deze betrouwbaarheid wordt bovendien versterkt door de bekendheid van de verbalisanten met verdachte; zij hebben in het kader van de herkenningen steeds verklaard dat zij recentelijk, op meerdere momenten en gedurende enige tijd contact hebben gehad met verdachte. De rechtbank zal de processen-verbaal ten aanzien van de herkenningen dan ook gebruiken voor het bewijs. Deelfeit 18 [slachtoffer 7] , eigenaar van [bedrijf 6] in Wageningen, heeft aangifte gedaan van diefstal met braak op 7 maart 2025. De kassalade is weg en aangever vermoedde dat er € 200 à € 300 in de kassalade lag. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van [bedrijf 6] bekeken en deze beschreven. Zij beschreef onder meer dat op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0005.mp4” te zien was dat op 7 maart 2025 om 06:06:00 uur een persoon in beeld verscheen. Hij hield in zijn rechterhand een hamer vast. De verbalisant zag dat de persoon om 06:06:04 uur met de hamer een keer tegen de gevel sloeg. Hierop liep hij iets verder naar een deur, waarop de persoon op dezelfde wijze drie keer tegen de deur of het raam sloeg met de hamer. Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0009.mp4” zag ze de persoon, die zich met zijn handen op een vensterbank leek af te zetten om omhoog te komen. Ze zag dat de persoon zijn rechterarm omhoog deed en dat hij in zijn hand een hamer vasthield. Ze zag de persoon met deze hamer meerdere malen hard tegen iets (vermoedelijk iets van een raam) aansloeg. Vervolgens trok de persoon zichzelf omhoog en klom hij via een vensterbank omhoog en ging via het raam dat hij net had ingeslagen het pand binnen. De verbalisant verklaarde dat daar [bedrijf 6] is gevestigd. De camera gaf als tijdstip aan 06:07:39. Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0002.mp4” was te zien was dat om 06:08:00 uur een persoon binnen kwam lopen. Deze persoon hield in zijn rechterhand hij een hamer vast. Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0003.mp4” zag ze van bovenaf een kassa met een lopende band. De persoon stond achter de toonbank bij de kassa. Op de lopende band lag al een hamer en iets wat op een breekijzer leek. De verbalisant zag dat de persoon bij de kassa direct naar de kassalade eronder greep en deze naar zich toe trok. De lade zat vast aan een koord en de persoon trok flink aan de lade om deze los te krijgen. Ze zag dat deze persoon zowel de lade als de hamer en het breekijzer pakte en uit beeld verdween. Verbalisant [verbalisant 2] verklaarde dat hij in het kader van een aandachtvestiging op basis van videobeelden en vijf foto’s (stills) de persoon op de stills herkende als verdachte. Hij herkende hem vanuit zijn werkzaamheden en heeft verdachte de afgelopen jaren Zij verklaarde dat ze op het bestand met de naam “BC gokkasten 20250304 70104.mp4” zag dat in [bedrijf 9] een man met een hamer in zijn rechterhand te zien was. Hij trok een gokkast van de muur en begon met de hamer te slaan op de voorzijde en onderzijde van de gokkast. De verbalisant zag dat hierdoor een klep onderin kon worden geopend en dat de man daar goederen uit haalde. Op de beelden met bestandsnaam “BC gokkasten 20250304 70244.mp4” zag de verbalisant dezelfde man, die een (kassa)lade in een tas leeg schudde. De verbalisant verklaarde dat de man een lichtkleurige jas en capuchon droeg en een grijze broek aan had. De verbalisant heeft ook beelden beschreven, die zijn genomen met een camera met zicht op de openbare weg. Op deze beelden zag zij om 06:54:09 uur een man doelgericht naar de gevel van [bedrijf 9] lopen. Ze zag de man met kracht tegen de deur duwen. Ze meende te zien dat hij een voorwerp in zijn handen had waarmee hij slaande bewegingen in de richting van de gevel maakte. Om 07:02:48 uur leek het de man te zijn gelukt om het pand binnen te komen; ze zag dat hij om 07:04:56 uur naar buiten stapte, zijn fiets pakte en wegliep. De verbalisant merkte op dat de man een donkerkleurige jas met capuchon droeg en geheel in het donker was gekleed. De rechtbank merkt op dat verbalisant [verbalisant 6] verklaarde dat het haar opviel dat de beelden opgenomen binnen in [bedrijf 9] de persoon in kwestie licht gekleed op beeld verscheen en lichtgekleurde schoenen droeg, terwijl deze persoon op andere camerabeelden (te weten van camera’s met zicht op de openbare weg) geheel in het donker gekleed was en donkergekleurde schoenen droeg. De verbalisant verklaarde dat uit onderzoek is gebleken dat zwarte kleding in infrarood juist licht van kleur lijkt als er sprake is van veel IR-licht die reflecteert. Verbalisant [verbalisant 3] heeft verdachte herkend na een aandachtvestiging over de inbraak bij [bedrijf 9] . De verbalisant gaf aan dat de man op de beelden een donkere dikke winterjas en een donkere broek droeg. Hij herkende de fiets, de schoenen, de vorm van het gezicht en de manier van fietsen en voortbewegen. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte ook op deze beelden herkend aan zijn manier van lopen, een beetje naar voren gebogen met zijn bovenlichaam en opvallend met zijn voeten naar voren schoppend, dit loopje heeft hij ook geconstateerd op 21 februari 2025 toen hij verdachte voor de laatste keer zag. In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 4 maart 2025 om 03:52 uur zendmastlocatie [adres 3] in Ede gebruikte. Om 07:37 uur gebruikt dit telefoonnummer zendmastlocatie [adres 4] in Wageningen. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte zowel bij deelfeit 1 (in Ede) als bij deelfeit 17 (in Wageningen) door twee verbalisanten herkend op de camerabeelden van de (poging tot) inbraak bij restaurant [bedrijf 11] en [bedrijf 9] . Dat verdachte bij beide feiten andere kleding zou dragen (en dat niet zou rijmen met de tijdstippen waarop de feiten zijn gepleegd) klopt, gelet op de toelichting van verbalisant [verbalisant 6] over het infrarode licht en het effect daarvan op de kleur van de kleding, niet. Daarnaast maakt de telefoon van verdachte twee uur voor deelfeit 1 gebruik van een zendmastlocatie in Ede en een half uur na deelfeit 17 in Wageningen. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 4 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met braak bij restaurant [bedrijf 11] en diefstal met braak bij [bedrijf 9] . Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de deelfeiten 1 en 17. Tussenconclusie Op basis van de hiervoor bewezen verklaarde feiten 20, 18, 1 en 17 concludeert de rechtbank het volgende. Verdachte heeft in het merendeel van de gevallen een hamer bij zich en hij verschaft zich over het algemeen de toegang door met deze hamer of met een ander voorwerp een raam of deur te Op de beelden met bestandsnaam “VID-20250510-WA0003.mp4” zag de verbalisant in de winkel een man met een klauwhamer in de rechterhand die direct naar de metalen kassalade liep. De man sloeg met kracht op de metalen kassaladedeksel, waardoor een deuk ontstond in de deksel. Vervolgens wrikte de man met grof geweld met de klauwen van de hamer. Het lukte de man de kassalade met de klauwhamer te openen en de man haalt de geld-inleglade uit de kassa en liep daarmee uit beeld. De verbalisant zag op de beelden met bestandsnaam “VID-20250510-WA0005.mp4” dat de man weer door het gat in de voordeur naar buiten kwam en de gehele geld-inleglade van de kassa in zijn handen had. De verbalisant merkte nog op dat als datum en tijdstip in beeld te zien waren: 2025-03-16 06:05:31. Deelfeit 6 [slachtoffer 10] , eigenaar van [bedrijf 10] Ede heeft aangifte gedaan van diefstal met braak op 16 februari 2025.Alleen de kassalade is meegenomen, maar daar zat niks in. De voordeurruit, de ruit rechts naast de voordeur en de ruit aan de linkerzijde waren vernield. Verbalisant [verbalisant 9] heeft de camerabeelden van [bedrijf 10] bekeken. Hij zag op de beelden met bestandsnaam “IMG_0083” een persoon in beeld komen die een hamer in de rechterhand vasthield. Hij sloeg diverse keren met de hamer tegen de deur en de verbalisant zag dat de persoon uiteindelijk via de kapotgeslagen deur naar binnen ging. In beeld stonden de volgende datum en tijd stond weergegeven: 2025-02-16 06:12:13. Deelfeit 19 [slachtoffer 12] heeft, namens [bedrijf 12] in Wageningen, aangifte gedaan. Aangeefster is mede-eigenaar van de kroeg en woont erboven. Zij verklaarde dat zij op 7 maart 2025 omstreeks 06:05 uur hoorde dat hard tegen een raam werd gebonkt. Ze hoorde glas breken. Verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] verklaarden dat zij een getuige hoorden zeggen dat hij een man een cassette onder een vuilcontainer in de [adres 7] zag schuiven. De verbalisanten hebben de cassette aangetroffen. Het betrof een kassalade. Verbalisant [verbalisant 10] zag de kassalade met veel kleingeld erbij liggen en trof in een van de containers een breekijzer en hamer aan. Verbalisant [verbalisant 12] heeft de beelden van [bedrijf 12] bekeken en op de beelden met bestandsnaam “VID-20250307-WA0005”, waarop de binnenzijde van het café in beeld was, zag zij dat er glasscherven leken te vallen en dat er vervolgens een persoon door de kapotte ruit naar binnen kwam. De verbalisant omschreef de persoon als een man. Ze zag dat de man een hamer in zijn rechterhand vast had. Deelfeit 2 [slachtoffer 11] , heeft namens restaurant [bedrijf 11] in Ede aangifte gedaan. Hij verklaarde dat hij op 13 maart 2025 in het restaurant zag dat een raam aan de achterkant van het pand kapot was. Verbalisant [verbalisant 9] heeft de camerabeelden van restaurant [bedrijf 11] bekeken en beschreven. Hij verklaarde dat hij op de beelden met bestandsnaam “20250313102946” zag dat een persoon bij de gevel van het pand met een voorwerp in de hand duwende en trekkende bewegingen maakte en met zijn been tegen de gevel aan schopte. Vervolgens ging de persoon het pand in. Op de beelden met bestandsnaam “20250313104101” was te zien dat de persoon binnen was en de kassalade opentrok. Na het openen liep de persoon met versnelde pas uit beeld. Getuige [getuige 2] verklaarde dat hij op 13 maart 2025 omstreeks 06:00 uur door hard gebonk werd gewekt. Hij zag dat een man met een hamer herhaaldelijk op de achterruit van het restaurant sloeg. In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 13 maart 2025 om 05:21 uur de zendmastlocatie [adres 8] in Ede gebruikte, om 06:12 uur de zendmastlocatie [adres 9] te Ede en om 06:32 uur weer de zendmastlocatie [adres 8] in Ede. Deelfeiten 3, 5, 8 en 9 De rechtbank zal de deelfeiten 3, 5, 8 en 9 in samenhang bespreken. Deze deelfeiten hebben alle betrekking op inbraken bij [bedrijf 2] in Ede. Deze inbraken vonden (chronologisch weergegeve Toen hij bij het café aankwam zag hij dat het reclamebord, waarmee hij het raam had afgedicht, op de grond lag en het houtwerk aan de binnenzijde was verbroken. In het café zag hij dat de kassalade achter de bar was leeggehaald. In de kassalade zat € 20 aan muntgeld. Aangever verklaarde verder dat de man een onderdeel van de gokkast, te weten een houder van de papierhopper, heeft meegenomen. Aangever zag op de beveiligingsbeelden dat de man omstreeks 00:31 uur aan kwam fietsen en via het raam naar binnen kwam, waarna hij naar de kassalade achter de bar liep, deze kassalade leegde en weer door het raam naar buiten ging en omstreeks 00:37 uur wegfietste. In de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer] is te zien dat het telefoonnummer op 19 maart 2025 om 23:35 uur de zendmastlocatie [adres 10] in Ede gebruikte en om 00:43 uur de zendmastlocatie [adres 8] in Ede. Deelfeit 10 Met betrekking tot de inbraak bij [bedrijf 5] in Bennekom bevat het dossier een aangifte. Aangever verklaarde dat hij op woensdag 19 februari 2025 om 05:03 uur een melding op zijn telefoon kreeg dat het alarm van mijn bedrijfspand afging. Toen aangever ter plaatse kwam zag hij dat het raam van de voordeur gebarsten was en dat de voordeur aan de onderzijde uit zijn scharnieren was geduwd. Aan de onderzijde van de deur zag de aangever een baksteen op de grond liggen. De afstortkluis die zich onder de kassa zou moeten bevinden, was niet meer aanwezig. In de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte is te zien dat het telefoonnummer op 19 februari 2025 om 06:36 uur de zendmastlocatie [adres 11] Bennekom gebruikte. Conclusie De rechtbank concludeert ten aanzien van deelfeiten (op volgorde van de tenlastelegging) 14, 8, 13, 15, 5, 3, 12, 9, 6, 19 en 2 dat de modus operandi overeenkomt met de reeds hiervoor vastgestelde werkwijze van verdachte. Daar komt nog bij dat uit de historische telefoongegevens ten aanzien van de verschillende deelfeiten volgt dat de telefoon van verdachte op of omstreeks de tijdstippen van de verschillende inbraken vaak in de buurt van die locaties is geweest. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het gebruik van het telefoontoestel en telefoonnummer door verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op of omstreeks de tijdstippen van de inbraken steeds in de buurt van de locaties is geweest. Bij voornoemde deelfeiten is telkens sprake van het (willen) wegnemen van contant geld (kassalade / gokkast) in combinatie met het gebruik van een hamer óf in combinatie met het feit dat verdachte door het gebruik van zijn telefoon aan de (poging) tot inbraak is te linken. De samenhang van twee onderdelen van de modus operandi (uit op contant geld en gebruik hamer) of de samenhang van één onderdeel van de modus operandi (uit op contant geld) en het gebruik van de telefoon in de buurt, maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (pogingen tot) diefstal met braak van deze deelfeiten. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de deelfeiten 14, 8, 13, 15, 5, 3, 12, 9, 6, 19 en 2. Alleen ten aanzien van deelfeit 10 oordeelt de rechtbank anders. Hoewel de dader uit is op contant geld (het wegnemen van de afstortkluis) is er geen samenhang met het gebruik van een hamer of het gebruik van de telefoon in de buurt. De telefoongegevens van verdachte wijzen wel uit dat hij in Bennekom is geweest, maar het tijdstip waarop de telefoon de zendmastlocatie in Bennekom gebruikte wijkt te veel af van het tijdstip waarop de inbraak is gepleegd. Van het ten laste gelegde deelfeit 10 zal de rechtbank verdachte dan ook partieel vrijspreken. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 11 mei 2025 in Ede (gemeente Ede), Bennekom (gemeen 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming, meermaals gepleegd feit 2: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of verbreking, meermaals gepleegd. 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (isd-maatregel) voor de duur van 2 jaar wordt opgelegd. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangegeven zich niet tegen een eventuele oplegging van een isd-maatregel te verzetten, indien de rechtbank van oordeel is dat aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel wordt voldaan. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de isd-maatregel) kan worden opgelegd als aan een aantal voorwaarden is voldaan. De rechtbank stelt vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van deze feiten ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld of is aan hem bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf opgelegd. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en/of maatregelen. Er moet naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal plegen. Daarom eist de veiligheid van goederen het opleggen van de isd-maatregel, die strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive. De rechtbank is daarom van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor oplegging van de isd-maatregel. Er wordt ook voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers. Op grond van deze richtlijn kan een isd-maatregel door het Openbaar Ministerie worden gevorderd ten aanzien van een stelselmatige dader die voldoet aan de wettelijke eisen en die wordt beschouwd als een “zeer actieve veelpleger”. Daaronder wordt verstaan een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van 5 jaren - waarvan het peiljaar het laatste jaar vormt - meer dan 10 processen-verbaal tegen zich zag opmaken, waarvan tenminste één in het peiljaar. Gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie valt verdachte onder deze definitie. Hierbij is van belang dat in het reclasseringsadvies van GGZ IrisZorg Adviesunit Arnhem-Nijmegen van 8 augustus 2025 is beschreven dat, gezien de instabiliteit op vrijwel alle levensgebieden, een ambulant kader niet voldoende is om stabiliteit te brengen. Een (deels) voorwaardelijke straf, met een klinische opname als bijzondere voorwaarde, is gelet op het verloop van eerdere zorgtrajecten van verdachte, evenmin toereikend, omdat dit teveel ruimte biedt en de kans op succes ten aanzien van een duurzame gedragsverandering zal verminderen. Binnen het kader van de isd-maatregel kan tussentijds, zonder dat verdachte op straat komt te staan en terugvalt in middelengebruik en/of delictgedrag, worden beoordeeld of, e De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] ( [bedrijf 2] ) slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van € 279,70 en de benadeelde partijen [slachtoffer 5] ( [bedrijf 5] ), [slachtoffer 12] ( [bedrijf 12] v.o.f.) en [slachtoffer 7] ( [bedrijf 6] ) niet-ontvankelijk in de vorderingen moeten worden verklaard. Overweging van de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. Nu verdachte (partieel) wordt vrijgesproken ten aanzien van het als deelfeit 10 tenlastegelegde, zal benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 12] ( [bedrijf 12] v.o.f.) en van [slachtoffer 7] ( [bedrijf 6] supermarkt) is de rechtbank van oordeel dat deze vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn, nu nadere stukken aan de hand waarvan de (aard en omvang van de) schade kan worden beoordeeld, ontbreken. Het in de gelegenheid stellen van deze benadeelde partijen om deze vorderingen alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal deze benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 2] , eigenaar van eenmanszaak [bedrijf 2] , wel toewijzen. Deze vordering is ten aanzien van de ruitbestickering niet betwist en deze schadepost is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank redelijk voor. De vergoedingen voor de weggenomen geldbedragen komen overeen met hetgeen in de verschillende aangiften is opgegeven en waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal een bedrag van € 2.849,70 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar; Benadeelde partij [slachtoffer 2] veroordeelt verdachte in verband met het feit 1 (deelfeiten 3, 5, 8 en 9) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 2.849,70 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij [slachtoffer 2] mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 2.849,70 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 38 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer