Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-13
ECLI:NL:RBGEL:2025:7585
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,512 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/446013 / FA RK 25-65
Datum uitspraak: 13 maart 2025
beschikking eenhoofdig gezag
in de zaak van
[naam moeder] (hierna: de moeder)
wonende te [woonplaats moeder] ,
advocaat: mr. J.J. Blok te Veenendaal.
en
[naam vader] (hierna: de vader),
wonende te [woonplaats vader] ,
advocaat: mr. F.P. Slijkhuis te Amsterdam,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de ouders, ingekomen bij de griffie op 6 januari 2025;
- de brief met bijlage van mr. Blok van 16 januari 2025;
- twee brieven van mr. Slijkhuis van 27 februari 2025;
- het F9-formulier van mr. Blok van 27 februari 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 13 maart 2025 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. J.J. Blok;
- de vader, bijgestaan door mr. Slijkhuis;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
Op 7 februari 2025 heeft de kinderrechter een gesprek gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over het verzoek van de ouders. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De ouders hebben hierop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren de minderjarige kinderen:
[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
2.2.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 22 december 2015 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op 11 februari 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de [naam gemeente] .
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
2.4.
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze afspraken zijn neergelegd in een ouderschapsplan, dat door de ouders is ondertekend op 16 november 2015 en deel uitmaakt van voornoemde echtscheidingsbeschikking.
2.5.
De ouders zijn in het ouderschapsplan - onder meer - overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Ook zijn zij een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen, waarbij de kinderen om het weekend naar de vader gaan.
2.6.
Sinds 18 september 2018 is er geen contact meer geweest tussen de vader en de kinderen.
3Het verzoek
3.1.
De ouders verzoeken gezamenlijk, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4Het advies van de Raad
4.1.
De Raad heeft geen advies gegeven. Wel heeft de Raad haar zorgen geuit over de situatie. In september 2018 is aan het contact tussen de vader en de kinderen vrij abrupt een einde gekomen. De vraag is hoe dat toen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is geweest en hoe zij hier nu en later op terugkijken. De Raad kan zich voorstellen dat dit – het abrupt eindigen van het contact met de vader – als een grote afwijzing heeft gevoeld waarbij de kinderen niet de kans hebben gekregen om daarop te reageren. Daarbij is bij de kinderen nu mogelijk het beeld ontstaan dat hechtingsfiguren plotseling uit hun leven kunnen verdwijnen.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:251a lid 1 en 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat er een wijziging van omstandigheden is opgetreden, zodat de ouders ontvankelijk zijn in hun verzoek.
5.3.
De rechter kan het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem of verloren raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een bijzonder verzoek. Er is al zes en een half jaar geen contact meer tussen de vader en de kinderen, die deel uitmaken van het gezin van de moeder en stiefvader (die door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ‘papa’ wordt genoemd). De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de omgang vóór september 2018 op zich wel goed verliep, maar dat de kinderen steeds minder graag naar hun vader wilden. De vader heeft vervolgens besloten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer op te halen. Hij heeft hierover aangegeven dat hij de kinderen niet wilde dwingen en dat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een leven zonder stress of zorgen wilde geven. Vervolgens is er geen contact meer geweest. Beide ouders hebben aangegeven dat wanneer de kinderen de vader willen zien, zij hier beiden voor openstaan. Op een enkel moment na, is er ook geen contact meer geweest tussen de ouders onderling. De verstandhouding tussen de ouders was volgens hen al langere tijd verslechterd.
5.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de ouders toe. Het contact tussen de vader en de kinderen ligt al jaren stil. Hoewel de deur voor contactherstel niet dicht is volgens de ouders, ziet het er niet naar uit dat hier op korte termijn verandering in komt. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de vader niet langer in staat kan worden geacht om goede gezagsbeslissingen te nemen die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn. De vader weet namelijk niet hoe het met de kinderen gaat en dus ook niet wat nodig is voor de kinderen.
Daarnaast is er tussen de ouders al jaren geen enkele vorm van communicatie en stellen zij beiden dat de onderlinge verstandhouding niet goed is. Ook hier voorziet de rechtbank niet binnen afzienbare tijd een verbetering.
5.6.
Verder sluit de rechtbank aan bij wat de Raad naar voren heeft gebracht. Dat voldaan is aan de wettelijke criteria om het gezag van de vader te beëindigen, betekent op zichzelf al dat er zorgen zijn over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel zij zich goed lijken te ontwikkelen, is het onduidelijk wat de impact is geweest van het feit dat zij de vader in september 2018 plotseling niet meer zagen. De gevolgen van dergelijke gebeurtenissen kunnen zich ook op latere leeftijd nog uiten. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder als verzorgende en gezaghebbende ouder hier (blijvend) aandacht voor heeft, in die zin dat zij hulpverlening voor de kinderen inschakelt wanneer de kinderen dit nodig blijken te hebben. Wellicht dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hier op termijn behoefte aan hebben.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over de kinderen:
o [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;
o [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,
wordt uitgeoefend door de moeder;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. T. Hermans, rechter, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 maart 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.