Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-28
ECLI:NL:RBGEL:2025:7009
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,397 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11503251 \ CV EXPL 25-573
Vonnis in verzet van 28 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: S. Ilkdogan,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. L.E. de Wal.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of de man goed bewind heeft gevoerd over het vermogen van de kinderen dat zij hebben ontvangen als compensatie in het kader van de toeslagenaffaire. De kantonrechter oordeelt van niet. De man moet daarom de rekeningen van de kinderen, waarop een BEM-clausule moet worden geplaatst, aanzuiveren. Partijen blijven wel gezamenlijk belast met het bewind.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 januari 2025
- de brief d.d. 31 maart 2025 met producties 10 tot en met 12 namens de vrouw
- de brief d.d. 3 april 2025 met productie 13 namens de vrouw
- de mondelinge behandeling van 10 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen zijn gewezen echtgenoten. Uit hun huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen:
[naam 1] , geboren op [datum] 2012 te [plaats] (hierna: [naam 1] )
[naam 2] , geboren op [datum] 2013 te [plaats] (hierna: [naam 2] )
[naam 3] , geboren op [datum] 2018 te [plaats] (hierna: [naam 3] ).
Partijen hebben gezamenlijk gezag over de kinderen.
2.2.
Op 3 februari 2023 is de tussen partijen op 21 december 2022 gewezen echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
De man heeft in het kader van de toeslagenaffaire een compensatiebedrag ontvangen van € 30.000,00. De kinderen hebben in dat kader compensatiebedragen gekregen van respectievelijk tweemaal € 4.000,00 en eenmaal € 2.000,00.
Geschil
3.1.
In de oorspronkelijke dagvaarding heeft de vrouw kort gezegd gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man veroordeelt om binnen twee weken na de datum van het te wijzen vonnis bedragen van tweemaal € 4.000,00 en eenmaal € 2.000,00 op de drie spaarrekeningen van de kinderen te storten, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;
de vrouw alleen te belasten met het bewind over het vermogen van de kinderen van partijen;
de man te veroordelen in de proceskosten;
e man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) over het gevorderde onder sub a. en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het gevorderde onder sub c vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.
3.2.
Aan haar vorderingen heeft de vrouw kort gezegd ten grondslag gelegd dat de man, door de saldi van de rekeningen van de kinderen over te boeken naar zijn eigen rekening, slecht bewind heeft gevoerd over het vermogen van de kinderen en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Hij moet daarom de door de kinderen ontvangen compensatiebedragen terugstorten. De vrouw vordert daarnaast op grond van artikel 1:253i jo. 1:253a BW dat zij alleen met het bewind over het vermogen van de kinderen wordt belast.
3.3.
De man vordert in de verzetdagvaarding kort gezegd dat de kantonrechter hem ontheft van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij verstekvonnis van 27 november 2024, hem verklaart tot goed opposant en de vrouw alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaart, althans de vordering afwijst, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.4.
De man voert allereerst aan dat de kantonrechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen, omdat de vrouw zich eerst conform de afspraak tussen partijen tot de familiebemiddelaar had moeten wenden. Daarnaast betwist hij de beschuldigingen van de vrouw. De man heeft de door de kinderen ontvangen compensatiebedragen aangewend voor de kinderen en heeft de vrouw ook altijd op de hoogte gebracht van de uitgaven die hij ten behoeve van de kinderen deed. Van slecht bewind is volgens hem geen sprake.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De man heeft zijn verzet tijdig ingesteld
4.1.
De man heeft onweersproken gesteld dat het verstekvonnis op 11 december 2024 aan hem is betekend. Dat betekent dat hij zijn verzetdagvaarding tijdig (binnen vier weken na betekening van het verstekvonnis) heeft ingediend en ontvankelijk is in zijn verzet.
De kantonrechter is bevoegd
4.2.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat partijen zich bij een geschil eerst moeten wenden tot de familiebemiddelaar en dan pas naar de rechter kunnen. Hierbij verwijst hij naar het evaluatieverslag van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen van 9 november 2023, waarin is opgenomen:
“(…) Nu is afgesproken dat een Duitse oom van moeder regelmatig contact heeft met beide ouders. Hij is goed op de hoogte van de Nederlandse wet- en regelgeving rondom de rechten en plichten van gezaghebbende ouders. Daarnaast hebben beide ouders vertrouwen in hem. Dit maakt dat wanneer ouders misverstanden hebben of elkaar niet begrijpen zij hierover met deze ook kunnen praten. Hij zal dan bemiddelen tussen ouders, zodat zij tot afspraken kunnen komen.
(…)
Conclusie
Er is een vorm van communicatie en samenwerking tussen ouders, waarbij ouders op een respectvolle manier met elkaar overleggen en tot afspraken komen. Wanneer zij er niet helemaal uitkomen of elkaar niet begrijpen, kunnen zij zich beiden wenden tot een oom van de familie van moeder. Beiden hebben hier veel respect voor en deze oom kan neutraal tussen ouders bemiddelen en zaken uitleggen.(…)”
Volgens de man is de familiebemiddelaar in feite een mediator, zodat de vrouw op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad eerst naar de familiebemiddelaar had moeten gaan voordat zij haar vordering bij de kantonrechter had ingesteld.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat partijen geen duidelijke afspraak hebben gemaakt als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, omdat deze afspraak is gemaakt met de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. En ook al zou de afspraak worden opgevat als een mediationclausule dan zou de kantonrechter door middel van uitleg (de Haviltex-maatstaf) vaststellen dat deze afspraak zich niet ook uitstrekt tot het onderhavige geschil. Dat betekent dat partijen niet verplicht zijn eerst de gang naar de familiebemiddelaar te maken voordat zij in rechte een procedure aanhangig maken. Bovendien zou dat in dit geval zinloos zijn, omdat de familiebemiddelaar al heeft aangegeven wat hij ervan vindt en de man zich daar niet aan houdt. De kantonrechter acht zich daarom bevoegd om van het geschil kennis te nemen en daarover te oordelen.
De man heeft slecht bewind gevoerd en moet de rekeningen aanzuiveren
4.4.
Vervolgens dient de kantonrechter te toetsen aan artikel 1:253j BW. Op grond van dit wetsartikel moeten de ouders of een ouder het bewind over het vermogen van hun kind(eren) als goede bewindvoerders voeren en zijn zij bij slecht bewind voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk. De vrouw procedeert in deze, zo vloeit uit haar stellingen voort, als wettelijk vertegenwoordiger van de nog minderjarige kinderen.
4.5.
In beginsel mogen ouders het vermogen van hun kinderen niet aanwenden voor kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen en ook niet voor de algemene kosten van het gezin. Het zijn immers de ouders die onderhoudsplichtig zijn voor de kinderen en zij moeten de kinderen in beginsel uit hun eigen vermogen of inkomen onderhouden.
Het is echter niet zo, zoals de vrouw stelt, dat partijen helemaal niets van het geld dat de kinderen hebben gekregen in het kader van de toeslagaffaire mochten gebruiken. Als zij het erover eens waren, konden zij het geld best aanwenden voor leuke dingen voor de kinderen, zoals uitjes.
4.6.
De man heeft de uitgaven allemaal gedaan na het uiteengaan van partijen. Hij heeft lijsten en bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat veel uitgaven niet direct zijn gedaan ten behoeve van de kinderen, althans dit is niet duidelijk. Zo zijn er onder andere afschriften van betalingen aan bouwmarkten. Verder ontbreekt een deel van de verantwoording en zijn er veel uitgaven (bijvoorbeeld kleding, schoenen en schoolspullen) die partijen in beginsel uit hun gewone inkomen hadden moeten betalen. De man heeft onvoldoende gesteld waarom het geld van de kinderen daarvoor moest worden aangewend. Daarbij komt dat de man, tegenover de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft gesteld om te onderbouwen dat de vrouw wist van de uitgaven die hij deed en daarmee ook akkoord ging. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het voor de man in het kader van ‘goed bewindvoerderschap’ noodzakelijk was om gelden van de rekeningen van de kinderen op te nemen.
4.7.
De kantonrechter concludeert dat de man geen goed bewindvoerderschap over het vermogen van de kinderen heeft gevoerd en verantwoordelijk is voor de daardoor ontstane schade. De man moet de bedragen daarom aanzuiveren. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van man dat hij dit niet kan betalen waardoor hij mogelijk in de schuldsanering belandt en waarvan de kinderen de dupe zullen zijn. De man heeft niet toegelicht hoe dit verweer moet worden opgevat. Hoe dan ook, de man heeft na ontvangst van de compensatiebedragen eerst zijn eigen € 30.000,00 opgemaakt en daarna de € 10.000,00 van de kinderen. Het is aan hem dit recht te zetten. Het gaat dan om een bedrag van € 10.000,00 in totaal minus een aantal uitgaven die de vrouw erkent en waarmee zij ook akkoord gaat als (kennelijk) noodzakelijke uitgaven ten behoeve van het vermogen van de kinderen: € 500,00 heeft de man aan de vrouw betaald voor kleding en schoolspullen van [naam 1] , voor [naam 1] en [naam 2] heeft hij een tablet gekocht van € 200,00 per stuk en hij heeft € 695,00 betaald voor een computer van [naam 1] . Dit betekent dat de man de volgende bedragen moet storten op de rekeningen van de kinderen:
voor [naam 1] : € 2.605,00 (€ 4.000,00 - € 500,00 - € 200,00 - € 695,00)
voor [naam 2] : € 3.800,00 (€ 4.000,00 - € 200,00)
voor [naam 3] : € 2.000,00.
4.8.
De kantonrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de vrouw wel een goed beheer zal voeren, onder meer omdat zij tijdens de mondelinge behandeling niet duidelijk heeft kunnen vertellen wat zij van plan is met het geld. Zij wil sparen, maar ook uitgaven doen. De kantonrechter zal de vordering van de vrouw daarom aldus toewijzen, dat het geld moet worden gestort op de nog bestaande dan wel nieuw te openen spaarrekeningen van de kinderen waarop een zogenoemde BEM-clausule moet worden geplaatst, zodat dit pas vrijvalt op de 18e verjaardag van de kinderen en uitgaven alleen met toestemming van de kantonrechter kunnen worden gedaan. Aangezien partijen de BEM-clausules nog moeten laten plaatsen door de bank, zal de kantonrechter de termijn waarbinnen de man de bedragen moet storten bepalen op één maand na de datum van betekening van dit vonnis.
4.9.
De kantonrechter overweegt dat het in dit geval in beginsel mogelijk is een dwangsom op de stortingsverplichting op te leggen. Er is immers sprake van een veroordeling tot betaling aan een derde (de kinderen) en de vrouw kan niet overgaan tot gewone executie door executoriaal beslag waardoor zij belang kan hebben bij de mogelijkheid door een indirect executiemiddel, oplegging van een dwangsom, die betaling af te dwingen. In dit geval ziet de kantonrechter echter geen reden een dwangsom aan de veroordeling te verbinden. Hij gaat ervan uit dat de man zal handelen conform de beslissing in dit vonnis.
4.10.
Voor de toewijzing van de wettelijke handelsrente is geen grond, nu niet aan de voorwaarden van artikel 6:119a BW is voldaan. Er is immers geen sprake van een geldvordering die voortvloeit uit een handelsovereenkomst en het gaat hier bovendien om een verplichting tot schadevergoeding. Indien wettelijke handelsrente is gevorderd, maar niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 6:119a BW, dient de kantonrechter de rentevordering alsnog op grond van artikel 6:119 BW te toetsen. Aangezien de vordering van de vrouw strekt tot betaling van een geldsom bij wege van schadevergoeding is het verzuim ingetreden zonder ingebrekestelling (artikel 6:83 sub b BW). De schuldenaar (hier: de man) is in zulke gevallen wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment waarop de verbintenis tot schadevergoeding opeisbaar is. De kantonrechter zal voor de ingangsdatum van de wettelijke rente in dit geval aansluiten bij de termijn waarbinnen de man de rekeningen moet aanzuiveren, dat is één maand vanaf de datum van betekening van dit vonnis.
Partijen blijven gezamenlijk belast met het bewind
4.11.
Gelet op de overwegingen in 4.8. zal de vordering van de vrouw om haar alleen te belasten met het bewind worden afgewezen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 27 november 2024 onder zaaknummer 11356239 \ CV EXPL 24-8294 en ontheft de man van de veroordelingen die voortvloeien uit dat vonnis,
en, opnieuw rechtdoende,
5.2.
veroordeelt de man om binnen één maand na de datum van betekening van dit vonnis de navolgende bedragen te storten op de bestaande dan wel nieuw te openen spaarrekeningen van de kinderen met een BEM-clausule:
€ 2.605,00 op de rekening op naam van [naam 1]
€ 3.800,00 op de rekening op naam van [naam 2]
€ 2.000,00 op de rekening op naam van [naam 3] ,
te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf één maand na de datum van betekening van dit vonnis tot aan de dag van gehele betaling,
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
41245 \ 560
Artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
KR: bedoeld zal zijn het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078.
De vrouw heeft als productie 13 een verklaring van de familiebemiddelaar overgelegd.
Een bankrekening met een BEM-clausule is een geblokkeerde bankrekening op naam van een kind jonger dan 18 jaar en is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De wettelijke vertegenwoordiger van het kind kan alleen met toestemming van de kantonrechter geld hiervan opnemen. De BEM-clausule eindigt automatisch als het kind 18 jaar oud wordt. Het kind wordt dan eigenaar van het geld.
Zie HR 9 september 1949, ECLI:NL:HR:1949:138, NJ 1950/595 (Houtappel/Hoofdgroep ‘Verzekering) en BenGH 9 juli 1981, ECLI:NL:XX:1981:AD6457, NJ 1982/190 (Geers/Scholten)).