Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-04-23
ECLI:NL:RBGEL:2025:6917
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,183 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/429494 / HA ZA 23-553 / 167 / 650
Vonnis van 23 april 2025
in de zaak van
[eiser in conv]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser in conv] ,
advocaat: mr. A.I. Keur te Amsterdam,
tegen
KONINKLIJKE NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING DER TANDHEELKUNDE,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: KNMT,
advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het vonnis in incident van 17 januari 2024, - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 12 tot en met 19 van [eiser in conv] ,
de akte overlegging aanvullende productie 5 van KNMT,
de akte overlegging nadere producties 20 tot en met 22 van [eiser in conv] ,
de akte overlegging aanvullende productie 6 van KNMT,
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 mei 2024.
1.2.
Ter zitting heeft [eiser in conv] bezwaar gemaakt tegen de akte overlegging aanvullende productie 6 van KNMT die is ingekomen op 27 mei 2024. [eiser in conv] voert hiertoe aan dat de akte is ingediend twee dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank gaat voorbij aan dit bezwaar en laat de akte toe tot het procesdossier om de navolgende redenen. Productie 6 is een kort bericht over de geplande zitting van heden bij de rechtbank dat door de echtgenoot van [eiser in conv] op social media is gezet. KNMT heeft onweersproken gesteld dat dit bericht dateert van 26 mei 2024, zodat zij het niet eerder in het geding kon brengen, en [eiser in conv] heeft tijdens de zitting de gelegenheid gehad op dit bericht te reageren.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser in conv] is tandarts. KNMT is een beroepsvereniging voor tandartsen. Zowel [eiser in conv] als haar echtgenoot de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), die ook tandarts is, zijn lid van KNMT.
2.2.
Volgens artikel 4 van haar statuten kent KNMT in ieder geval vier organen, waaronder de Commissie Intern Tuchtrecht (hierna: de CIT). Volgens artikel 28 van de statuten is de CIT onder meer belast met de tuchtrechtspraak binnen de vereniging en het beslechten van geschillen tussen de leden, overeenkomstig het daaromtrent bij of krachtens de statuten en het tuchtreglement bepaalde.
2.3.
Tegen [eiser in conv] en [naam 1] is bij de CIT een klacht ingediend door [naam 2] , een collega-tandarts (hierna: de collega-tandarts). In deze tuchtzaak met kenmerk CIT2022-1 klaagde de collega-tandarts dat [eiser in conv] en [naam 1] in strijd met de gedragsregels voor tandartsen handelen omdat zij de hand hebben in het (laten) indienen van (ongefundeerde) klachten tegen de collega-tandarts en hem geen medische dossiers van patiënten verstrekken.
2.4.
Op 3 oktober 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Na afloop van die zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten door het indienen van een schriftelijke toelichting.
2.5.
Bij brief van 31 januari 2023 heeft het CIT-secretariaat namens de CIT het volgende aan [eiser in conv] en [naam 1] bericht:
“De Commissie (…) heeft kennis genomen van de door beide zijden ingediende stukken. Bij de Commissie bestaat op dit moment geen behoefte aan het plannen van een nieuwe mondelinge behandeling.
De standpunten over en weer zijn uitgebreid weergegeven en sluiten aan wat bij de eerdere regiezitting naar voren is gebracht. Het doel van een mondelinge behandeling is ook altijd om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om partijen bij elkaar te krijgen. Daarvoor is bij de mondelinge behandeling geen opening gezien en ook de wisseling van stukken biedt daarvoor naar het oordeel van de Commissie geen aanknopingspunten.
Voorgaande betekent dat de Commissie op de stukken zal beslissen. (…)”
2.6.
De CIT heeft in haar beslissing van 13 maart 2023 (hierna: de eerste beslissing) de klacht gegrond verklaard en aan [eiser in conv] en [naam 1] de tuchtmaatregel van berisping opgelegd. De eerste beslissing luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. PROCEDURE
[naam 2] heeft bij brief van april 2022 met bijlagen (…) een klacht tegen de heer en mevrouw [naam 1] ingediend bij de KNMT. De heer en mevrouw [naam 1] hebben bij bericht van 19 mei 2022 verzocht om een verduidelijking van de klacht in die zin dat duidelijk wordt gemaakt over welke exacte gedragingen geklaagd wordt en of de heer [naam 1] of mevrouw [naam 1] daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden. Verder is gevraagd om gescheiden behandeling van de klachten tegen de heer [naam 1] en klachten tegen mevrouw [naam 1] - [eiser in conv] .
(…) de CIT (…) heeft in deze reactie aanleiding gezien tijdens een regiezitting te onderzoeken op welke wijze verantwoord voortgang aan de behandeling van de klachtprocedure gegeven kon worden. De regiezitting heeft op 3 oktober 2022 plaatsgevonden. (…)
Partijen zijn ter zitting verschenen. De heer [naam 2] werd vergezeld door zijn echtgenote tevens praktijkmanager (…). De heer [naam 2] werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr. (…). De heer [naam 1] werd bijgestaan door mr. (…) en mevrouw [naam 1] - [eiser in conv] door mr. (…).
Bij brief van 20 oktober 2022 is door de CIT aan partijen te kennen gegeven dat er geen aanleiding bestaat voor gescheiden behandeling of het verder uitsplitsen van de klacht naar hetzij de heer [naam 1] , hetzij mevrouw [naam 1] - [eiser in conv] . Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten door het indienen van een schriftelijke toelichting.
Op 16 november 2022 is een aanvullende toelichting van de zijde van [naam 2] ontvangen.
Op 13 december 2022 is daarop gereageerd namens de heer en mevrouw [naam 1] . Bij de veelheid van stukken bevindt zich ook een stuk dat als klacht tegen [naam 2] wordt aangeduid. Daarop wordt in deze beslissing niet gereageerd. (…)
De aanvankelijk voor de zomervakantie van 2022 geplande regiezitting bleek niet te passen in de agenda’s van de betrokken partijen en hun gemachtigden en na ontvangst van de aanvullende stukken is andermaal overleg binnen de CIT nodig geweest voor afstemming van het verdere verloop van de procedure. De procedure is na de regiezitting schriftelijk afgedaan.
(…)
4INLEIDENDE OPMERKINGEN
4.1
De CIT stelt vast dat sprake is van een conflictueuze situatie tussen de praktijk van [naam 2] en de praktijk van de heer en mevrouw [naam 1] en dat over en weer sprake is van een volstrekt gebrek aan vertrouwen in elkaar. [naam 2] wijst er daarbij op dat sprake is van een groot aantal tegen hem ingediende klachten, waarbij voormalige patiënten van [naam 2] betrokken zijn die naar de praktijk van de heer en mevrouw [naam 1] zijn overgestapt en waarbij de heer en mevrouw [naam 1] volgens [naam 2] een rol spelen. Verder zijn er volgens [naam 2] problemen met de overdracht van patiëntendossiers.
4.2
De heer en mevrouw [naam 1] wijzen op een eerder handelen van [naam 2] jegens hen, toen [naam 2] coördinator en secretaris was van de tandartskring (…). In die tijd is een geschil ontstaan over spoeddiensten waarin partijen tegenover elkaar zijn komen te staan in een procedure over het royement van de heer en mevrouw [naam 1] door de Kring. Verder stellen zij meerdere door [naam 2] uitgevoerde mislukte endodontische behandelingen te hebben gezien en zich niet één succesvolle door [naam 2] uitgevoerde meerkanalige endodontische behandeling te kunnen herinneren.
4.3
Deze laatste, in deze procedure gemaakte opmerking, geeft kleur aan de thans ontstane situatie, omdat daarmee gezegd lijkt te worden dat de heer en mevrouw [naam 1] [naam 2] een slechte tandarts vinden. Overigens kleuren ook opmerkingen van [naam 2] de situatie waar [naam 2] betrokkenheid van de heer en mevrouw [naam 1] bij slechte recensies over zijn praktijk veronderstelt, maar dat ook niet met zekerheid kan zeggen. Maar dat geen sprake zou zijn van een slechte verstandhouding, zoals de heer en mevrouw [naam 1] in deze procedure naar voren hebben gebracht, kan niet serieus genomen worden. Overigens heeft de CIT dit tijdens de regiezitting waarbij beide partijen en hun advocaten aanwezig waren zelf kunnen waarnemen.
4.4
Partijen staan veelal lijnrecht tegenover elkaar, waardoor niet steeds eenvoudig is vast te stellen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Dat geldt in elk geval voor de feitelijke gang van taken betreffende de patiëntendossiers en over en weer gevraagde overdracht daarvan, waarbij partijen elkaar verwijten niet conform wet- en regelgeving te handelen. Op het punt van de patiëntendossiers zal de CIT hierna niet verder ingaan. Wel kan worden vastgesteld dat veel van de bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg tegen [naam 2] ingediende klachten ongegrond of niet ontvankelijk zijn verklaard. Ook kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van klachten die door de heer en mevrouw [naam 1] tegen [naam 2] zijn ingediend en van klachten die door (voormalige) patiënten van [naam 2] zijn ingediend, waarbij de heer en mevrouw [naam 1] en hun advocaten (een deel van) de daarmee gemoeide kosten voor hun rekening hebben genomen, zoals in de reactie van 13 december 2022 door hen nadrukkelijk erkend wordt.
Beoordeling
Ontvankelijkheid en verjaring
5.1
Alle partijen zijn lid van de KNMT. Dit betekent dat [naam 2] bevoegd is om een klacht in te dienen en dat de heer en mevrouw [naam 1] aan het interne tuchtrecht van de KNMT gebonden zijn. Dat wordt niet anders door het feit dat de heer [naam 1] tot 1 januari 2021 lid is geweest van de ANT en pas vanaf die datum van rechtswege lid is van de KNMT. Het verwijt dat gemaakt wordt (en dat dus ter beoordeling voorligt) betreft in de kern immers een repeterend handelen dat betrekking heeft op de samenwerking met collega’s, dat volgens [naam 2] ook na die datum is voortgezet. Het gaat dus niet zozeer om de beoordeling van één specifieke gedraging die getoetst moet worden, maar hoe partijen zich (ook na 1 januari 2021) tot elkaar verhouden. Daarover kan de CIT wel degelijk oordelen. De CIT gaat voorbij aan de ontvankelijkheids- en verjaringsverweren.
Nader inhoudelijk
5.2
In de gedragsregels waaraan de leden van de KNMT gebonden zijn, is neergelegd dat tandartsen in het belang van hun patiënten moeten streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (gedragsregel 14). In gedragsregel 15 is neergelegd dat tandartsen zich in de regel onthouden van kritiek op collega’s. De uitzondering daarop is dat bij veronderstelde grove nalatigheid en/of wanprestatie mededeling aan de patiënt gedaan kan worden, deze wijzend op de mogelijkheid om een klacht aanhangig te maken. Daarvan dient dan ook mededeling gedaan te worden aan de desbetreffende collega.
5.3
Gedragsregel 15 laat dan ook enige ruimte om tegenover patiënten kritiek te uiten op een collega. Dat betreft echter niet een behandeling of een verrichting waarover verschillend gedacht kan worden. Het is niet ongewoon dat professionals verschillend denken over wat de beste aanpak is. Het moet gaan om grove nalatigheid of wanprestatie. Die drempel wordt niet licht gehaald.
5.4
Doet de situatie van grove nalatigheid zich voor, dan kan de patiënt gewezen worden op de mogelijkheid om een klacht in te dienen. Dat gaat minder ver dan wat de heer en mevrouw [naam 1] en hun advocaten blijken te doen. Zij wijzen immers niet alleen op die mogelijkheid, maar nemen ook (een deel van) de daarmee gemoeide kosten voor hun rekening. Die ruimte biedt artikel 15 naar het oordeel van de CIT niet. Daarmee wordt immers het indienen van een klacht niet alleen (financieel) gefaciliteerd, maar feitelijk ook aangemoedigd. Dat gaat veel verder dan het enkele doen van een mededeling.
5.5
Uit het verdere verloop van de klachtbehandeling na de verschillende tegen [naam 2] ingediende klachten, moet voorts geconcludeerd worden dat van grove nalatigheid of wanprestatie geen sprake is geweest bij de behandelingen door [naam 2] . Zou dat anders zijn dan waren zonder twijfel maatregelen getroffen of berispingen gevolgd. In dit geval is echter vooral sprake van het oordeel “niet ontvankelijk” en “ongegrond” na inhoudelijke behandeling van de ingediende klachten.
5.6
De CIT is dan ook van oordeel dat door het financieel ondersteunen van de gewezen patiënten van [naam 2] bij het indienen van klachten tegen hem door de heer en mevrouw [naam 1] gehandeld wordt in strijd met artikel 14 en 15 van de gedragsregels. Uit niets blijkt dat sprake is geweest van grove nalatigheid of wanprestatie bij [naam 2] én de heer en mevrouw [naam 1] gaan verder dan hetgeen gedragsregel 15 toelaat. Hierdoor is ook geen sprake meer van een onderlinge relatie die berust op welwillendheid en vertrouwen. Het faciliteren van het indienen van klachten heeft niets met welwillendheid te maken, maar werkt slechts escalerend.
5.7
Datzelfde geldt voor de uitlatingen van de heer en mevrouw [naam 1] over (de praktijk van) [naam 2] op social media. Het feit dat [naam 2] zich in deze procedure beklaagt over de hoeveelheid klachten die is ingediend, mag geen rechtvaardiging voor heer en mevrouw [naam 1] zijn op hun social media te vermelden dat tegen [naam 2] veel klachten worden ingediend bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Dit geldt temeer nu (een deel van) die klachten door hen zelf gefinancierd wordt. Die vermelding en het aanhalen van “de slager van Nievre’” dienen geen enkel doel, anders dan het suggereren dat sprake is van een tandheelkundig zorgelijke situatie bij een collega. Daarmee schaden de heer en mevrouw [naam 1] wel degelijk het vertrouwen in de beroepsgroep. Daarmee overtreden zij ook gedragsregel 2.
Concluderend
5.8
De CIT komt tot het oordeel dat de heer en mevrouw [naam 1] de gedragsregels voor tandartsen hebben overtreden. Om tot dat oordeel te komen behoeft geen minutieuze feiten vaststelling plaats te vinden. De heer en mevrouw [naam 1] lezen in gedragsregel 15 de ruimte om niet alleen met hun patiënten over het werk van hun collega te spreken, maar ook dat zij het indienen van klachten tegen een collega kunnen faciliteren. Die veronderstelde ruimte berust op een onjuiste lezing van artikel 15. Het faciliteren van het indienen van klachten staat ook haaks op de houding van welwillendheid en vertrouwen. Daarmee is ook schending van gedragsregel 14 gegeven. Door zich voorts in het openbaar over de klachten tegen hun collega tandarts uit te laten kan het vertrouwen in de beroepsgroep en in elk geval in hun collega geschaad worden. De CIT kan zich niet aan de indruk onttrekken dat die publieke uitingen gedaan worden om het vertrouwen in hun collega te ondergraven. Dit alles betekent dit er op juiste gronden geklaagd wordt over de heer en mevrouw [naam 1] en dat de klacht dat hun handelen in strijd is met de geldende gedragsregels gegrond verklaard wordt.
5.9
De gegrondverklaring is in lijn met hetgeen het RTG in de beslissingen van 16 mei 2019 heeft overwogen. Ook de CIT oordeelt dat sprake is van een conflicterende wijze van omgang met anderen, waarbij de heer er mevrouw [naam 1] voor lief nemen dat anderen daar privé en professioneel onder te lijden hebben. Er is sprake van een situatie waarin op oneigenlijke en onnodig harde wijze strijd gevoerd wordt met een collega. Bij de heer en mevrouw [naam 1] lijkt geen sprake van enig inzicht in hun onjuiste handelwijze en de mogelijke gevolgen daarvan, evenmin voor de patiënten in wiens belang zij juist stellen te handelen. Onder deze omstandigheden is de CIT van oordeel dat niet met de enkele gegrondverklaring van de klacht volstaan kan worden, maar dat tevens een tuchtmaatregel dient te volgen. De CIT zal daarbij voor de berisping kiezen: in het licht van al hetgeen eerder heeft plaatsgevonden en in het bijzonder de indringende bewoordingen van het RTG in de beslissingen van 16 mei 2019 die als een waarschuwing gelezen kunnen worden, is een zwaardere maatregel passend. De CIT ziet gelet op artikel 11 van het tuchtreglement geen ruimte om (de praktijk van) de heer en mevrouw [naam 1] onder begeleiding te stellen.
Dictum
Gelet op het vorenstaande verklaart de Commissie Intern Tuchtrecht van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT), de klacht gegrond en legt de heer en mevrouw [naam 1] de tuchtmaatregel van berisping op.
(…)”
2.7.
[naam 1] heeft op 21 december 2022 bij de CIT een klacht ingediend tegen de collega-tandarts. In deze tuchtzaak (met kenmerk CIT2023-1) klaagde [naam 1] dat de collega-tandarts tijdens tandheelkundige verrichtingen bij verschillende patiënten niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk handelend en redelijk bekwaam tandarts. Bij beslissing van 3 mei 2023 (hierna: de tweede beslissing) heeft de CIT [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht en bepaald dat toekomstige klachten van [naam 1] en/of [eiser in conv] niet door CIT in behandeling zullen worden genomen. De tweede beslissing luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“5. BEOORDELING
(…)
Al het vorenstaande, ook in onderlinge samenhang en (tijds)verband beschouwd komt de CIT tot het oordeel dat [naam 1] niet kan worden ontvangen in zijn klacht. Nu [naam 1] blijkbaar niet doordrongen is van zijn onjuiste en schadelijke handelen jegens een collega tandarts en de commissie van oordeel is dat dit -kennelijk- ook in de toekomst niet anders zal worden, zal de CIT beslissen dat toekomstige klachten ingediend door of namens [naam 1] eveneens niet ontvankelijk zullen worden verklaard. Vanwege die jarenlange voorgeschiedenis van deze conflictueuze situatie waarbij, zoals blijkt uit de uitspraak van de CIT d.d. 13 maart 2023, de echtgenote van [naam 1] eveneens een kwalijke rol speelt zullen ook de klachten ingediend door of namens mevrouw [naam 1] jegens [naam 2] evenmin in behandeling worden genomen. (…)
Dictum
Gelet op het vorenstaande verklaart de Commissie Intern Tuchtrecht van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT), [naam 1] niet ontvankelijk in zijn klacht en bepaalt voorts dat toekomstige klachten ingediend door of namens [naam 1] en/of diens echtgenote, mevrouw drs. [naam 1] - [eiser in conv] , tandarts te [vestigingsplaats] , niet door de CIT in behandeling zullen worden genomen.
(…)”
2.8.
Naast voornoemde tuchtprocedures is er tussen [eiser in conv] en de collega-tandarts nog een tuchtprocedure geweest bij de CIT en zijn ook tuchtprocedures gevoerd bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG).
2.9.
In het op de werkwijze van de CIT toepasselijke tuchtreglement van KNMT (hierna: het tuchtreglement) staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“4 Doelstelling
4.1
De tuchtrechtspraak, zoals genoemd in artikelen 1 lid 4, 8 lid 2 sub c en 28 van de statuten, heeft ten doel misslagen van leden te weren en beteugelen en waar mogelijk een herstel van de collegiale verhoudingen te bevorderen door het handelen en/of nalaten van een lid naar aanleiding van een door een ander lid ingediende klacht te beoordelen en ter zake een gemotiveerde uitspraak uit te brengen, dan wel door een schikking tussen partijen te bewerkstelligen. (…)
7Taken in het kader van de tuchtrechtspraak
7.1
In het kader van de tuchtrechtspraak heeft de CIT de volgende taken:
( a) de klachten, als bedoeld in artikel 4.1 van dit reglement, in behandeling nemen, in volle
omvang onderzoeken en daarover - tenzij tussentijds alsnog een schikking tot stand komt
- uitspraak doen;
( b) zo nodig eigener beweging een onderzoek instellen naar mogelijkerwijze door leden gepleegde gedragingen als bedoeld in artikel 7.2 en daaromtrent beslissen;
( c) (…);
( d) het beslechten van geschillen tussen leden, voor zover deze geschillen betrekking
hebben op de handelingen en inbreuken genoemd onder artikel 7.2.
7.2
Meer in het bijzonder is de CIT in dit kader belast met het onderzoek en de beoordeling van:
( a) handelingen in strijd met statuten, reglementen (waaronder de Gedragsregels voor Tandartsen) of besluiten van de KNMT, dan wel een handelwijze waarmee de KNMT op onredelijke wijze wordt benadeeld;
( b) handelingen in strijd met de beroepswaardigheid; en/of
( c) ernstige inbreuken op de collegialiteit.
7.3
De CIT is niet belast met het beslechten van zakelijke, commerciële en/of vermogensrechtelijke geschillen tussen leden. (…)
10Procedure bij klachtbehandeling
10.1
De klacht moet de feiten en gronden waarop deze berust zo duidelijk mogelijk omschrijven en de mededeling bevatten tegen wie de klacht is gericht.
10.3
De CIT neemt geen beslissing dan na partijen te hebben gehoord of daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen. In uitzondering hierop kan de voorzitter besluiten, na overleg met de overige leden van de CIT, dat van een mondelinge behandeling kan worden afgezien, omdat de CIT in staat is om op basis van de voorliggende documenten een beslissing te nemen. De CIT brengt partijen van haar voornemen om de klacht schriftelijk af te doen, schriftelijk of langs elektronische weg op de hoogte en vraagt partijen of zij kunnen instemmen met haar voornemen, waarbij partijen worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek alsnog te worden gehoord. Indien er naar het oordeel van de CIT sprake is van bijzondere omstandigheden, waaronder langdurige ziekte of langdurig buitenlands verblijf van de aangeklaagde, kan de CIT besluiten de zaak buiten diens aanwezigheid te behandelen, nadat de CIT de aangeklaagde heeft bericht schriftelijk verweer te mogen voeren.
(…)”
2.10.
Tegen de beslissingen van CIT staat geen hoger beroep open. [eiser in conv] heeft schriftelijk haar bezwaren ten aanzien van de eerste en tweede beslissing gestuurd naar zowel het bestuur als de raad van toezicht van KNMT. Dit heeft niet geleid tot een (geheel of gedeeltelijke) herroeping van de beslissingen.
Geschil
in conventie
3.1.
[eiser in conv] vordert (primair) dat de rechtbank voor recht verklaart dat beide beslissingen van de CIT jegens haar nietig zijn, en (subsidiair) dat de rechtbank beide beslissingen jegens haar vernietigt, met veroordeling van KNMT in de proceskosten. Aan haar vordering legt [eiser in conv] – samengevat – ten grondslag dat de beslissingen van de CIT in strijd zijn met wettelijke bepalingen (artikelen 2:14 en 2:15 BW), de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW), de statuten en/of (de artikelen 7, 9, 10.1 en 10.3 van) het tuchtreglement van KNMT.
3.2.
KNMT voert aan dat [eiser in conv] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel de vorderingen van [eiser in conv] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiser in conv] in de proceskosten plus de wettelijke rente. KNMT voert – samengevat – aan dat de procedures die hebben geleid tot de twee beslissingen zorgvuldig hebben plaatsgevonden en dat het tuchtreglement niet is geschonden.
in reconventie
3.3.
KNMT vordert in reconventie – samengevat – dat de rechtbank [eiser in conv] en [naam 1] , althans [eiser in conv] , verbiedt om uitlatingen openbaar te maken en klachten of andere juridische acties in te dienen:
a. die de strekking hebben KNMT-leden te duiden als een slechte zorgverlener, behoudens voor zover het gaat om aantoonbare grove nalatigheid;
b. die de strekking hebben KNMT-leden te beschuldigen van het plegen van een ‘medisch misdrijf’, voor zover er geen onherroepelijke uitspraak is waarbij de desbetreffende tandarts of mondzorgverlener wegens een medisch misdrijf is veroordeeld door de strafrechter;
c. die smadelijk, lasterlijk of beledigend zijn voor KNMT, haar bestuurders, werknemers en/of leden;
althans een door de rechtbank in goede justitie te formuleren verbod,
een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, met een maximum van € 50.000,00 en met veroordeling van [eiser in conv] in de proceskosten plus de wettelijke rente. KNMT beroept zich op de artikelen 6:162 BW en 3:296 BW. Volgens KNMT maken [eiser in conv] en [naam 1] zich schuldig aan het onnodig en lichtvaardig beklagen van de collega-tandarts en het belagen van KNMT.
3.4.
[eiser in conv] voert aan dat KNMT niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel de vorderingen moeten worden afgewezen. [eiser in conv] heeft nooit uitlatingen gedaan waarvan een verbod wordt gevorderd, zodat er ook geen gevaar is voor (de door KNMT gestelde) vrees voor herhaling. KNMT voert geen feiten of onderbouwing aan waaruit blijkt dat [eiser in conv] zich schuldig maakt aan kwalijke gedragingen, maar volstaat ermee [eiser in conv] te koppelen aan haar echtgenoot. [eiser in conv] is echter niet verantwoordelijk voor diens uitlatingen. KNMT heeft geen rechtens te respecteren belang bij de verzochte zeer ruime inperking van de uitingsrechten van [eiser in conv] . Indien het verzochte verbod zou worden toegewezen, dan dient de gevorderde dwangsom te worden afgewezen omdat deze disproportioneel is, aldus [eiser in conv] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
4.1.
In conventie staat de vraag centraal of de twee beslissingen van de CIT nietig zijn dan wel vernietigbaar. De rechtbank stelt in dat kader voorop dat [eiser in conv] zich, door lid te worden van KNMT, heeft onderworpen aan de tuchtrechtspraak door de CIT waartegen geen verdere voorziening openstaat, zodat zij in beginsel aan de beslissingen van de CIT is gebonden. De beslissingen van de CIT kwalificeren als een besluit van een orgaan van een rechtspersoon (KNMT). De besluiten van de CIT dienen derhalve te worden getoetst aan de in artikelen 2:14 lid 1 BW en 2:15 lid 1 sub a tot en met c BW opgenomen criteria. Bij de vraag of een besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW wegens strijd met de in artikel 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid vernietigbaar is, geldt de toetsingsmaatstaf of gebondenheid aan de beslissing in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
De eerste beslissing van de CIT van 13 maart 2023 (CIT2022-1)
4.2.
Het meest verstrekkende verweer van [eiser in conv] is dat de formele/procedurele gang van zaken rondom (de totstandkoming van) deze beslissing onjuist is geweest en dat reeds om die reden die beslissing niet in stand kan blijven. Zij stelt daartoe dat in strijd met artikel 10.3 van het tuchtreglement geen hoor en wederhoor door de CIT heeft plaatsgevonden alvorens te beslissen, nu er alleen een niet-inhoudelijke regiezitting heeft plaatsgevonden en niet (ook) een inhoudelijke hoorzitting.
4.3.
KNMT voert aan dat de procedure zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Na ontvangst van de klacht hebben [eiser in conv] en [naam 1] geen verweer ingediend maar verzocht om een verduidelijking van de klacht en een gescheiden behandeling van de klachten tegen hen. Dit was voor de CIT aanleiding om een regiezitting te houden op 3 oktober 2022. Op die zitting waren partijen en hun gemachtigden aanwezig, hebben zij het woord kunnen voeren en zijn hun standpunten ook inhoudelijk besproken. Naar aanleiding daarvan heeft de CIT besloten de zaken gezamenlijk te behandelen en partijen uitgenodigd een nadere schriftelijke toelichting in te dienen, wat ook is gebeurd. Na ontvangst van die stukken heeft de CIT besloten dat geen tweede mondelinge behandeling zou worden gehouden en is uitspraak gedaan op basis van het verhandelde tijdens de regiezitting en de daarna uitgewisselde schriftelijke stukken. De CIT heeft [eiser in conv] bij brief van 31 januari 2023 daarover geïnformeerd en [eiser in conv] heeft hierop niet gereageerd, laat staan dat ze heeft laten weten toch een nieuwe mondeling behandeling te willen, aldus KNMT.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de CIT in strijd gehandeld met de in haar tuchtreglement neergelegde eigen procedureregels. Daarmee is het besluit van de CIT wegens strijd met een reglement vernietigbaar, zoals bepaald in artikel 2:15 lid 1 onder c BW. De rechtbank komt als volgt tot dit oordeel.
4.4.
Op grond van artikel 10.3 van het Tuchtreglement zijn er twee wegen voor de CIT om tot een beslissing te komen. De hoofdregel is dat de CIT partijen hoort op een mondelinge behandeling. De tweede mogelijkheid is dat de CIT afziet van een mondelinge behandeling, maar in dat geval moet de CIT partijen schriftelijk op de hoogte brengen van haar voornemen om de klacht schriftelijk af te doen, moet zij partijen vragen of zij hiermee kunnen instemmen en moet zij partijen wijzen op de mogelijkheid om op verzoek alsnog te worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen van beide wegen gevolgd.
4.5.
Het is niet in geschil dat in de procedure bij de CIT een zitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt dat KNMT betoogt dat hiermee is voldaan aan de verplichting om partijen te horen (de hiervoor genoemde hoofdregel). De rechtbank volgt KNMT hierin niet. Vast staat dat de desbetreffende zitting heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het verzoek van [eiser in conv] om verduidelijking van de klacht en een gescheiden behandeling van de klachten tegen haar en [naam 1] . [eiser in conv] had op dat moment ook nog geen verweerschrift ingediend. Het was tegen deze achtergrond dat de CIT partijen heeft uitgenodigd voor een ‘regie-zitting’. In de beslissing van 13 maart 2023 van de CIT staat dat tijdens die regiezitting is onderzocht ‘op welke wijze verantwoord voortgang aan de behandeling van de klachtprocedure gegeven kon worden’, oftewel regie kon worden gevoerd met het oog op de verdere procedure. De uitkomst van de regiezitting was dat beide partijen de gelegenheid kregen om hun standpunten (nader) schriftelijk toe te lichten. Een dergelijke regiezitting is iets heel anders dan een mondelinge behandeling waarop, nadat de standpunten schriftelijk zijn uitgewisseld en partijen zich gedegen op een inhoudelijk debat hebben kunnen voorbereiden, de argumenten van partijen inhoudelijk worden besproken. Het is ook vanwege dit verschil in voorbereiding dat niet snel kan worden aangenomen dat een regiezitting, die is gepland in een fase waarin de schriftelijke standpunten nog niet zijn uitgewisseld, van kleur verschiet naar een echte mondelinge behandeling. Hiervoor is in ieder geval meer nodig dan de enkele omstandigheid dat – zoals door KNMT is gesteld en door [eiser in conv] is betwist – tijdens de regiezitting ook inhoudelijk over de klacht is gesproken. Of dat daadwerkelijk is gebeurd, kan daarom in het midden blijven.
4.6.
Met de regiezitting alleen heeft de CIT dus niet voldaan aan de hoofdregel uit haar Tuchtreglement dat partijen op een mondelinge behandeling worden gehoord. Ook de hiervoor genoemde uitzondering op deze hoofdregel doet zich hier niet voor. De CIT heeft bij brief van 31 januari 2023 weliswaar aan partijen bericht dat zij geen behoefte heeft aan een nieuwe mondelinge behandeling, maar dat is iets anders dan hetgeen in het Tuchtreglement is voorgeschreven. De CIT had immers aan partijen moeten berichten dat zij voornemens was om zonder mondelinge behandeling te beslissen op de klacht, waarbij zij aan partijen had moeten vragen of zij daarmee konden instemmen en waarbij zij partijen had moeten wijzen op de mogelijkheid om op verzoek alsnog te worden gehoord. De CIT heeft dit allemaal niet gedaan. Dit betekent dat in het midden kan blijven of [eiser in conv] , zoals zij heeft gesteld, heeft gereageerd op de brief van 31 januari 2023 en daarbij - kort samengevat - heeft aangegeven dat zij een mondelinge behandeling wenste. Ook als namelijk zou komen vast te staan dat [eiser in conv] dit niet heeft gedaan, dan nog blijft staan dat de CIT niet heeft gehandeld volgens haar eigen procedurevoorschriften.
4.7.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [eiser in conv] toewijzen en de eerste beslissing van de CIT vernietigen.
De tweede beslissing van de CIT van 3 mei 2023 (CIT2023-1)
4.8.
[eiser in conv] stelt dat de tweede beslissing van de CIT - waarin is bepaald dat toekomstige klachten ingediend door of namens [naam 1] en/of diens echtgenote [eiser in conv] niet door de CIT in behandeling zullen worden genomen - gaat over een klacht waar zij niets mee te maken had in een procedure waarbij zij geen partij was, zodat reeds om die reden die beslissing niet in stand kan blijven. Zij stelt verder dat dat de beslissing ook op grond van een aantal procedurele en inhoudelijke gronden nietig is, dan wel vernietigd dient te worden.
Dictum
De rechtbank
in conventie
5.1.
vernietigt de beslissingen van de CIT van 13 maart 2023 (CIT2202-1) en 3 mei 2023 (CIT2023-1), voor zover deze beslissingen zijn gericht tegen [eiser in conv] ,
5.2.
veroordeelt KNMT in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser in conv] begroot op € 1.849,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als KNMT niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
5.3.
verklaart KNMT niet-ontvankelijk in de vorderingen gericht tegen [naam 1] ,
5.4.
wijst de vorderingen jegens [eiser in conv] af,
5.5.
veroordeelt KNMT in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser in conv] begroot op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als KNMT niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
5.6.
verklaart de in 5.2. en 5.5. gegeven proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.
Beoordeling
4.9.
KNMT erkent dat [eiser in conv] geen partij was in deze procedure, maar voert aan dat de CIT met deze beslissing rust wilde creëren tussen de partijen en dat zij een vingerwijzing aan [eiser in conv] en [naam 1] wilde geven dat vergelijkbare klachten tegen de collega-tandarts in beginsel niet meer in behandeling zouden worden genomen. Volgens KNMT heeft de CIT als taak om in zekere mate ordenend tussen haar leden op te treden en wilde zij het signaal geven dat er een einde moest komen aan de conflicten tussen [eiser in conv] , [naam 1] en de collega-tandarts. Daarom heeft de CIT beide echtelieden samen in de beslissing genoemd, aldus KNMT. Volgens KNMT wordt [eiser in conv] met die beslissing niet de toegang tot de verenigingstuchtrechter ontzegd.
4.10.
Vast staat dat het in deze procedure ging om een klacht van [naam 1] tegen een collega-tandarts en dat [eiser in conv] daarbij geen partij was. In de uitspraak is echter wel een oordeel opgenomen over [eiser in conv] , waarbij de CIT verwijst naar de uitspraak van 13 maart 2023 en [eiser in conv] een kwalijke rol verwijt, en richt de beslissing dat toekomstige klachten niet meer in behandeling zullen worden genomen zich ook tegen [eiser in conv] . Dit betekent dat de CIT in haar beslissing in een klachtzaak tussen twee andere procespartijen ( [naam 1] en de collega-tandarts), een oordeel heeft uitgesproken over en een beslissing heeft gegeven ten aanzien van een derde die geen procespartij is ( [eiser in conv] ). Wat daarvoor de rechtsgrond is, is gesteld noch gebleken. De door KNMT aangevoerde reden voor die beslissing, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat deze beslissing ten aanzien van [eiser in conv] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 15 lid 1 sub b jo artikel 2:8 BW. De beslissing van 3 mei 2023, voor zover die is gericht tegen [eiser in conv] , kan dan ook niet in stand blijven. Bij deze stand van zaken kunnen de overige bezwaren van [eiser in conv] tegen de beslissing verder onbesproken blijven.
4.11.
De slotsom van het voorgaande is dat beide beslissingen van de CIT, voor zover deze zijn gericht tegen [eiser in conv] , zullen worden vernietigd.
4.12.
KNMT wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser in conv] in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 129,14
- griffierecht € 314,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x tarief II)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals ________________ vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.849,14.
in reconventie
4.13.
KNMT vordert in reconventie een verbod voor [eiser in conv] en/of [naam 1] om in het openbaar negatieve uitlatingen te doen of juridische acties te ondernemen tegen KNMT(-leden), op straffe van een dwangsom. Voor zover deze vordering is gericht tegen [naam 1] , zal KNMT niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien [naam 1] geen partij is in deze procedure. Ten aanzien van het jegens [eiser in conv] gevorderde verbod overweegt de rechtbank als volgt.
Het verbod tot het doen van (negatieve) uitlatingen
4.14.
KNMT heeft haar vordering op dit punt onderbouwd met drie berichten van [naam 1] op LinkedIn van 8 augustus 2023, 6 september 2023 en van 26 mei 2024. KNMT heeft geen soortgelijke berichten overgelegd die (beweerdelijk) afkomstig zijn van [eiser in conv] . De vraag of de inhoud van de berichten van [naam 1] de grenzen van het toelaatbare richting KNMT(-leden) overschrijdt ligt in deze procedure niet voor, maar die berichten kunnen in ieder geval niet dienen ter onderbouwing van de vordering jegens [eiser in conv] . Zij is in de onderhavige procedure de aan te spreken partij en aan haar kan geen verbod worden opgelegd voor door een ander gedane uitlatingen die volgens KNMT onrechtmatig zijn, ook niet als die uitlatingen door haar echtgenoot zijn gedaan. Dat [naam 1] zich ook uitlaat over de onderhavige procedure tussen [eiser in conv] en KNMT, maakt dit niet anders. Dat [eiser in conv] zich heeft uitgelaten in de door KNMT bedoelde zin, is dan ook niet komen vast te staan.
4.15.
Verder heeft KNMT verwezen naar haar verweer in conventie en de in conventie ‘besproken uitspraken van de medische tuchtrechter en de CIT, alsmede de kennelijke intentie van [eiser in conv] om onvoldoende gehoor te geven aan de herhaalde oproepen en waarschuwingen het onjuiste en schadelijke handelen jegens de collega-tandarts te staken’. Waar KNMT precies op doelt, wordt niet concreet gemaakt. De rechtbank overweegt dat een vordering die ertoe stekt de vrijheid van meningsuiting van een ander te beperken, volstrekt helder dient te zijn zowel ten aanzien van de inhoud van de onrechtmatig geachte uitlatingen als de context waarbinnen het doen van die uitlatingen onrechtmatig wordt geacht. Het behoort niet tot de taak van de rechtbank om uit het verweer in conventie en de door KNMT aangehaalde tuchtuitspraken te distilleren op welke specifieke uitlatingen van [eiser in conv] KNMT doelt, in welke context die uitlatingen volgens KNMT onrechtmatig zijn en op basis waarvan geoordeeld moet worden dat sprake is van gegronde vrees voor herhaling hiervan. Hetgeen KNMT terzake heeft aangevoerd en [eiser in conv] verwijt, kan haar vordering op dit punt dan ook niet dragen.
Het verbod tot het indienen van klachten en andere juridische acties
4.16.
KNMT stelt dat zij dit verbod vordert om een einde te maken aan de talloze procedures zodat een betere verstandhouding tussen [eiser in conv] en de collega-tandarts wordt bevorderd en een werkbare relatie ontstaat. [eiser in conv] betwist dat het verbod noodzakelijk is, onder meer omdat zij zich naar eigen zeggen ‘niet meer bezighoudt’ met de collega-tandarts.
4.17.
Behoudens zwaarwegende redenen kan niemand op voorhand de toegang tot de rechter, waaronder de tuchtrechter, worden ontzegd. Een verbod daartoe kan slechts worden toegewezen onder uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer evident sprake is van misbruik van bevoegdheid.
4.18.
Nog daargelaten dat het door KNMT gevorderde verbod op dit punt te ruim en te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te komen, ziet de rechtbank ook geen grond voor toewijzing van het gevorderde verbod. Los van de (niet door de de rechtbank te beantwoorden) vraag of [eiser in conv] met de in het verleden ingestelde klachtprocedures en/of andere gevoerde procedures misbruik van procesrecht heeft gemaakt en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens KNMT, kan van eventueel nog door [eiser in conv] in te stellen klachten of rechtsmiddelen niet bij voorbaat worden gezegd dat zij misbruik van recht opleveren. Misbruik van recht wordt niet snel aangenomen en op voorhand valt niet uit te sluiten dat [eiser in conv] terechte klachten indient en/of andere rechtsmiddelen instelt.
4.19.
Ter onderbouwing van haar vordering heeft KNMT verwezen naar een AVG verzoek dat [eiser in conv] bij KNMT heeft ingediend. KNMT heeft ten aanzien van een eerder AVG verzoek van [naam 1] betoogd dat uit het LinkedIn berichten van [naam 1] blijkt dat hij dit verzoek misbruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Wat daarvan ook zij, daarmee is nog niet onderbouwd, laat staat bewezen, dat voor het AVG verzoek van [eiser in conv] hetzelfde geldt en dat zij zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht.
4.20.
De slotsom is dat geen grond bestaat voor de door KNMT onder a. tot en met c. van haar eis in reconventie gevorderde verboden. Voor een andersluidend, door de rechtbank te formuleren verbod ziet de rechtbank evenmin aanleiding.