Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-07-29
ECLI:NL:RBGEL:2025:6873
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,645 tokens
Dictum
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de PI [verblijfplaats] .
Raadsman mr. P.P. van Rhijn, advocaat in Amsterdam.
Procesverloop
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 juni 2023 is aan veroordeelde de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar opgelegd (hierna te noemen: ISD-maatregel). Op 5 september 2024 heeft de rechtbank naar aanleiding van een tussentijdse beoordeling het verzoek tot beëindiging van de ISD-maatregel afgewezen en beslist tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van die maatregel.
Bij brief van 21 mei 2025 is namens veroordeelde verzocht om een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van tenuitvoerlegging van de maatregel.
Het onderzoek ter terechtzitting
Op de openbare terechtzitting van 15 juli 2025 zijn gehoord:
- veroordeelde;
- zijn raadsman mr. P.P. van Rhijn;
- de deskundige [deskundige] , casemanager ISD in de [verblijfplaats] , en
- de officier van justitie, mr. M. ten Velde.
Het standpunt van veroordeelde
De raadsman heeft betoogd dat veroordeelde vanaf begin mei 2025 bij een begeleid wonen locatie van [woonplek] in [plaats] verblijft. Volgens veroordeelde kan hij buiten het ISD-kader makkelijker op zoek naar een voor hem passende baan. Bovendien loopt er een WMO-aanvraag zodat, als de ISD-maatregel wordt gestopt, er ook dan nog voldoende financiering en toezicht is. Veroordeelde heeft alle stappen uit de ISD-maatregel succesvol doorlopen, het programma is geëindigd en dus bestaat er geen reden de ISD-maatregel nog langer voort te laten duren.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de ISD-maatregel voort te zetten.
Beoordeling
De ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive. De rechter beëindigt de maatregel indien hij naar aanleiding van de inlichtingen over de noodzaak van de voortzetting van de maatregel van oordeel is dat de verdere tenuitvoerlegging niet langer is vereist.
Daarbij dient het volgende beslissingskader te gelden. Allereerst moet worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publieke domein. Daarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt. Daarbij is de bescherming van de maatschappij het primaire doel van de maatregel en derhalve van doorslaggevende betekenis.
Uit de tussentijdse ISD-rapportage van 8 juli 2025 komt naar voren dat veroordeelde op 9 augustus 2024 voor opname is geaccepteerd door FPA [kliniek] en dat hij daar op 5 september 2024 extramuraal is geplaatst voor een klinische opname. Gedurende zijn opname bij [kliniek] heeft veroordeelde zich actief ingezet voor zijn behandeling en heeft hij verschillende therapieën gevolgd. Op 1 maart 2025 heeft veroordeelde een terugval gehad. Hij moest naar de tandarts en zou naar eigen zeggen impulsief hebben besloten om met vrienden af te spreken. Hij heeft toen drank gebruikt. Op 3 maart 2025 was veroordeelde onder invloed op de afdeling. Op zijn kamer werd een hoeveelheid niet-voorgeschreven medicatie gevonden. Veroordeelde is toen teruggeplaatst naar de PI. Op 11 maart 2025 heeft een herstelgesprek plaatsgevonden, waarna veroordeelde op 14 maart 2025 is teruggeplaatst bij FPA [kliniek] . Veroordeelde is vervolgens op 6 mei 2025 vanuit [kliniek] overgeplaatst naar [woonplek] in [plaats] . Dit betreft een beschermde woonvorm waar veroordeelde meer vrijheden had dan bij [kliniek] . Na de eerste week begon veroordeelde ander gedrag te vertonen. Hij stond moeilijker op, had veel moeite met het netjes houden van zijn slaapkamer en de woning, kwam warrig over en kon zich niet meer focussen. Ook meldde hij zich bij vertrek van de woning en bij thuiskomst niet meer, leek hij erg vermoeid en viel hij verschillende keren weg tijdens autoritten. Bij een urinecontrole scoorde veroordeelde positief op alcohol, THC, cocaïne en benzodiazepine. Hij gaf zelf toe dat hij ook morfine had gebruikt. [kliniek] liet weten dat veroordeelde op de dag van de overplaatsing bij een urinecontrole scoorde op Fluorodeschloroketamine (2-FDCK). Veroordeelde heeft vervolgens een officiële waarschuwing van de reclassering gekregen.
In de daaropvolgende week heeft de begeleiding diverse gesprekken met veroordeelde gehad. Hij bleek nog middelen te gebruiken en was niet eerlijk en transparant over zijn gevoelens en trek in middelen. Ook is hij meerdere keren weg geweest zonder dit te melden en is hij naar Doetinchem en Varsseveld geweest om middelen te gebruiken.
In overleg tussen reclassering, [woonplek] en de PI is op 4 juni 2025 besloten om veroordeelde tijdelijk terug te plaatsen naar de PI, met kans op herplaatsing. Er heeft een herstelgesprek plaatsgevonden en veroordeelde is op 27 juni 2025 weer extramuraal geplaatst bij [woonplek] .
Ter zitting is door de deskundige – onder meer – naar voren gebracht dat het traject bij [woonplek] inmiddels is beëindigd omdat veroordeelde recent bij een urinecontrole positief scoorde op het gebruik van middelen. Veroordeelde verblijft daarom opnieuw in de PI. Hij is aangemeld bij IrisZorg omdat zijn verslaving hardnekkig blijkt te zijn. In de resterende tijd van de ISD-maatregel zou het goed zijn te kijken of een behandeling voor zijn verslaving kan worden opgestart.
Gelet op het vorenstaande en in het licht bezien van voornoemd beslissingskader acht de rechtbank noodzakelijk dat de ISD-maatregel wordt voortgezet. De rechtbank verwacht dat veroordeelde baat kan hebben bij behandeling van zijn verslaving. Voor beëindiging van de ISD-maatregel is dan ook geen grond.
Dictum
De rechtbank:
wijst af het verzoek tot beëindiging van de ISD-maatregel;
Dictum
Deze beslissing is gegeven door mr. M.L. Braaksma, als voorzitter, mr. J.S.W. Lucassen en
mr. E.H.T. Rademaker als rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2025.