Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-06-12
ECLI:NL:RBGEL:2025:6584
Civiel recht
Kort geding
3,063 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/449081 / KZ ZA 25-32
Vonnis in kort geding van 12 juni 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [woonplaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1] ,2. [eiser 2],
te [woonplaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de mondelinge behandeling van 9 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eisers] .
Feiten
2.1.
Op [datum] is overleden de heer [naam] (hierna: erflater). Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [eiser 1] . Uit dit huwelijk zijn twee kinderen voortgekomen, te weten [eiser 2] en [gedaagde] .
2.2.
Bij testament van 7 december 2022 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. Hierin heeft hij – voor zover relevant – [eisers] benoemd tot zijn enige erfgenamen. [gedaagde] is onterfd en heeft een legaat verkregen in de vorm van een geldbedrag dat in omvang is gelijkgesteld aan de vordering die [eiser 2] naar aanleiding van het overlijden van erflater op [eiser 1] verkrijgt. Deze vordering van [gedaagde] is – voor zover relevant – pas bij het overlijden van [eiser 1] opeisbaar. Voorts is in het testament [eiser 1] benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder, welke benoeming zij heeft aanvaard.
2.3.
Bij verzoekschrift van 23 mei 2024 heeft [gedaagde] verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op de tot de nalatenschap behorende woning waarin [eiser 1] woont, te weten de registergoederen aan het adres [adres en plaats] . Dit beslag is op 24 mei 2024 gelegd.
Geschil
3.1.
[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis
I. Het conservatoir beslag, gelegd op 24 mei 2024, op de registergoederen aan het adres [adres en plaats] , kadastraal bekend gemeente Apeldoorn nummers [kadastrale aanduiding] en [kadastrale aanduiding 2] opheft,
II. Het in deze te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart,
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, op voorhand te begroten nasalaris en de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente over alle proceskosten vanaf 14 dagen na het vonnis daaronder begrepen,
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Ontvankelijkheid en spoedeisend belang
4.1.
Alvorens aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering toe te komen, zal eerst ingegaan worden op het verweer van [gedaagde] dat [eisers] niet-ontvankelijk zijn in hun vordering. Daartoe voert hij aan dat [eiser 1] haar benoeming tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van erflater heeft aanvaard en uitsluitend in die hoedanigheid bevoegd is om de goederen van de nalatenschap te beheren en daarover te beschikken. Nu [eisers] de vordering tot opheffing van het beslag op de tot de nalatenschap behorende woning als (gezamenlijk) erfgenamen hebben ingesteld, dienen zij niet-ontvankelijk verklaard te worden, aldus [gedaagde] . Aan dit verweer wordt ten aanzien van [eiser 1] voorbijgegaan. In de dagvaarding wordt meermaals gerefereerd aan het feit dat [eiser 1] executeur-afwikkelingsbewindvoerder is van de nalatenschap van erflater en in die hoedanigheid belast is met het afwikkelen van de nalatenschap. Zodoende was het voor [gedaagde] voldoende duidelijk dat [eiser 1] de vordering instelt in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Bovendien is niet gebleken dat [gedaagde] door de wijze van dagvaarding in zijn verdediging is geschaad. Ten aanzien van [eiser 2] slaagt het verweer wel, gelet op de privatieve bevoegdheid van de executeur-afwikkelingsbewindvoerder om namens de nalatenschap te procederen. Zodoende zal [eiser 2] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
4.2.
Het verweer van [gedaagde] dat een spoedeisend belang ontbreekt bij de vordering, wordt gepasseerd. Anders dan [gedaagde] veronderstelt, behoeft in de onderhavige procedure van een spoedeisend belang van [eiser 1] bij haar vordering niet te zijn gebleken. Artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) biedt een eigen rechtsgang ten behoeve van de opheffing van beslagen in de vorm van een kort geding ten overstaan van de voorzieningenrechter. Een spoedeisend belang is geen voorwaarde voor toegang tot deze rechtsgang.
De opheffing van het beslag
4.3.
[eiser 1] vordert de opheffing van het door [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op de voet van artikel 705 lid 2 Rv. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij met [eiser 1] voorafgaand aan het kort geding een (minnelijke) regeling is overeengekomen, die inhoudt dat het beslag door [gedaagde] zal worden doorgehaald onder gelijktijdige vestiging van een hypotheekrecht op de woning door [eiser 1] ten behoeve van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] dient reeds hierom de vordering van [eiser 1] afgewezen te worden. [gedaagde] wordt hierin echter niet gevolgd. Zelfs al zou vaststaan dat partijen deze minnelijke regeling zijn overeengekomen – [eiser 1] betwist dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen – dan leidt dit er op zichzelf nog niet toe dat de vordering van [eiser 1] afgewezen moet worden. Zonder nadere motivering – die ontbreekt – valt namelijk niet in te zien waarom de minnelijke regeling in de weg staat aan de opheffing van het beslag op grond van artikel 705 lid 2 Rv. Het had [gedaagde] vrijgestaan om zelf een vordering tot nakoming van deze regeling jegens [eiser 1] in te stellen, maar dit heeft hij nagelaten. Zodoende komt de voorzieningenrechter toe aan de toetsing van de vordering van [eiser 1] aan artikel 705 lid 2 Rv.
4.4.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag onder meer worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.
4.5.
[eiser 1] heeft dienaangaande onweersproken aangevoerd dat de vordering van [gedaagde] niet opeisbaar is, dit ook niet binnen afzienbare tijd wordt en dat op grond van het testament geen verplichting bestaat tot het bieden van zekerheid voor de vordering van [gedaagde] . [eiser 1] stelt dat het door [gedaagde] gelegde beslag haar ondertussen wel belemmert bij het verdelen van de nalatenschap en voorts bij het door haar gewenste vestigen van een (opeet)hypotheek op het onroerend goed. Hoewel [gedaagde] er terecht heeft op gewezen dat de Hoge Raad heeft beslist dat het “niet onmogelijk” is om conservatoir beslag te leggen voor een niet opeisbare vordering (ECLI:NL:HR:2016:1271), geldt dat dit slechts mogelijk is onder bijzondere omstandigheden of bij zwaarwegende belangen die de handhaving van het beslag rechtvaardigen.
4.6.
[gedaagde] stelt dat zijn belang bij de handhaving van het beslag is gelegen in de gegronde vrees dat door [eiser 2] financieel misbruik gemaakt wordt van [eiser 1] en haar bevoegdheden als executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Dit maakt een beroep op de niet-opeisbaarheid van de vordering van [gedaagde] door [eiser 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [gedaagde] . In dat kader heeft [gedaagde] er onder meer op gewezen dat [eiser 2] hoge schulden heeft, dat een executieverkoop van zijn woning daardoor reëel is en dat de (voorheen) bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken notaris zou hebben verklaard dat [eiser 1] zich makkelijk laat beïnvloeden door haar zoons. Dat gelet daarop een risico bestaat op financieel misbruik van [eiser 1] door [eiser 2] , waardoor zijn verhaalsmogelijkheden worden gefrustreerd, is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt door [gedaagde] .
4.7.
[gedaagde] heeft op dat punt namelijk aangevoerd dat [eiser 1] een garantie van € 40.000,00 heeft gegeven aan privéschuldeisers van [eiser 2] , dat een stuk tot de nalatenschap behorende grond tegen een te lage prijs is verkocht aan [eiser 2] en dat [eiser 1] ten behoeve van [eiser 2] een borgstelling heeft gegeven. Ter zitting is echter toegelicht dat garantie van € 40.000,00 ondertussen achterhaald is nu deze schuld reeds volledig door [eiser 2] is voldaan. Bovendien is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd waaruit zou volgen dat deze garantie van [eiser 1] tot stand is gekomen door misbruik vanuit de zijde van [gedaagde] . Dit had wel op zijn weg gelegen, nu als uitgangspunt heeft te gelden dat het [eiser 1] vrij staat om over haar vermogen te beschikken hoe zij dat wenst. Tijdens de mondelinge behandeling is voorts naar voren gebracht dat de door [gedaagde] aangevoerde grondtransacties met [eiser 2] al met erflater voor zijn overlijden waren overeengekomen, zodat dit evenmin een onderbouwing biedt voor de vrees van misbruik van [eiser 1] . Tot slot is gebleken dat partijen het er eveneens over eens zijn geworden dat de borgstelling die volgens [gedaagde] door [eiser 1] zou zijn gegeven ten behoeve van [eiser 2] , niet door [eiser 1] is ondertekend. Daarmee zijn door [gedaagde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit (de vrees voor) financieel misbruik van [eiser 1] afgeleid kan worden.
4.8.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de belangen van [eiser 1] bij het opheffen van het beslag zwaarder wegen dan het belang van [gedaagde] bij het handhaven van het conservatoir beslag voor zijn niet-opeisbare vordering. De vordering van [eiser 1] tot opheffing van het conservatoir beslag zal daarom toegewezen worden.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [eiser 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering,
5.2.
heft conservatoir beslag, gelegd op 24 mei 2024, op de registergoederen aan het adres [adres en plaats] , kadastraal bekend gemeente Apeldoorn nummers [kadastrale aanduiding] en [kadastrale aanduiding 2] op,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025.
JH/VG