Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-06-03
ECLI:NL:RBGEL:2025:6557
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,859 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6652
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres 1 ] uit [plaats 1] (de Jachtvereniging),
[eiseres 2]
uit [plaats 1] (de Stichting),
samen: eisers
(gemachtigde: mr. I.P.A. van Heijst),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar
(gemachtigde: mr. H.P. Bullens).
Samenvatting
1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de verzoeken van eisers om nadeelcompensatie vanwege het plaatsen van een landbouwsluis aan de [locatie 1] te [plaats 2] . De Stichting verzoekt om een vergoeding voor de waardevermindering van hun percelen in [plaats 3] (Duitsland) en [plaats 2] , die aan elkaar grenzen, en door de landbouwsluis minder goed bereikbaar zijn. De Jachtvereniging verzoekt om een vergoeding voor de omrijschade die zij leidt als gevolg van de verminderde bereikbaarheid. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van deze verzoeken.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte het verzoek om nadeelcompensatie vanwege waardedaling heeft afgewezen (zie onder 4), het drempelpercentage voor het normaal maatschappelijk risico heeft vastgesteld op 4% (zie onder 5), en het verzoek om nadeelcompensatie voor wat betreft de omrijschade heeft afgewezen (zie onder 6). Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 23 november 2022 heeft het college de verzoeken van eisers tot nadeelcompensatie afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de verzoeken om nadeelcompensatie gebleven. Het college baseert de afwijzing op advisering door Stichting adviesbureau onroerende zaken (SAOZ).
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een deskundigenrapport/contra-expertise ingediend. Het college heeft in reactie daarop een aanvullend advies van de SAOZ ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: [persoon A], [persoon B] en mr. S.G. van Hoogmoed en gemachtigde van eisers. Namens het college hebben deelgenomen: [persoon C] en de gemachtigde van het college die werd bijgestaan door [persoon D].
Beoordeling
Totstandkoming van het besluit
3. De [eiseres 2] is eigenaar van gebouwen met erf aan de [locatie 2] in [plaats 3] . Dit perceel ligt in Duitsland aan de grens met Nederland. De Stichting is ook eigenaar van het aangrenzend perceel aan de [locatie 1] in [plaats 2] . De rechtbank noemt deze percelen samen de locatie. De jachtvereniging huurt de locatie van de Stichting. Het college heeft op 20 januari 2020 een verkeersbesluit genomen dat ertoe strekt dat in de [locatie 1] in [plaats 2] net voor de grens met Duitsland een landbouwsluis wordt geplaatst.
3.1.
Het gevolg van het verkeersbesluit is dat gemotoriseerd verkeer fysiek geen doorgang meer heeft via de [locatie 1] van Nederland ( [plaats 2] / [plaats 4] ) naar de locatie en omgekeerd. De [locatie 1] was voordien reeds vele jaren afgesloten voor alle motorvoertuigen, met uitzondering van bestemmingsverkeer, door middel van een daartoe strekkend verkeersbord.
3.2.
De landbouwsluis is op 19 oktober 2020 aangelegd. De locatie is daardoor vanuit de richting [plaats 5] niet meer met de auto bereikbaar. Voor eisers is het gevolg hiervan dat men moet omrijden om bij de locatie te komen, namelijk via de route over de [locatie 2] via Duitsland. Voor vrachtwagens betekent dit dat zij 7,4 kilometer om moeten rijden. Auto’s rijden 5,9 kilometer om.
3.3.
Volgens eisers leidt dit besluit tot omrijschade voor de jachtvereniging en waardedaling van de locatie voor de Stichting. Daarom hebben zij beiden bij het college een verzoek om nadeelcompensatie ingediend.
3.4.
Het college heeft SAOZ als onafhankelijk deskundige gevraagd advies uit te brengen over de verzoeken om nadeelcompensatie. Uit die adviesrapporten volgen – kort gezegd – de volgende adviezen. De door SAOZ bepaalde waardevermindering is niet groter dan de aftrek vanwege het normaal maatschappelijk risico. Daarom dient de schade geheel wegens normaal maatschappelijk risico voor rekening van de Stichting te worden gelaten. Uit de schadeberekening blijkt dat de Jachtvereniging jaarlijks € 5.854 meer kosten heeft als gevolg van het omrijden, maar dat de schade gelet op het maatschappelijk risico voor rekening van de Jachtvereniging komt. In overeenstemming met deze adviezen van SAOZ van 19 oktober 2022 heeft het college de verzoeken afgewezen.
3.5.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen die afwijzing. Ter onderbouwing van hun bezwaar hebben zij een op 21 november 2023 door [naam bedrijf] opgemaakt taxatierapport overgelegd.
3.6.
Voor de behandeling van het bezwaarschrift heeft SAOZ op verzoek van het college op 14 juli 2023 een aanvullend advies opgesteld. Met het bestreden besluit heeft het college besloten het bezwaar gegrond te verklaren en het bestreden besluit te voorzien van een nadere motivering. Voor het overige is het bestreden besluit in stand gelaten. Dat wil zeggen dat aan eisers nog steeds geen compensatie wordt toegekend.
3.7.
Tegen dat besluit hebben eisers op 5 oktober 2023 dit beroep ingesteld. Eisers hebben in de beroepsprocedure een contra-expertise overgelegd die op 21 november 2023 is opgesteld door mr. S.G. van Hoogmoed registertaxateur/rentmeester (contra-expertise).
3.8.
Als onderbouwing van het verweerschrift heeft het college een aanvullend advies van SAOZ van 14 januari 2025 overgelegd.
Heeft het college de waardedaling van de locatie correct vastgesteld?
4. De Stichting betoogt dat nadeelcompensatie moet worden toegekend vanwege de waardedaling van de locatie. De beperking van het gebruik van de [locatie 1] tot bestemmingsverkeer in de oude feitelijke situatie had geen enkele invloed op de bereikbaarheid van de locatie. Alle bezoekers/gebruikers van de locatie waren namelijk bestemmingsverkeer. Met de aanleg van de landbouwsluis is die bereikbaarheid volledig verloren gegaan. Een koper zal hier ook rekening mee houden. Dit leidt tot een waardedaling van de locatie. SAOZ bevestigt ook met zoveel woorden in haar advies dat met de aanleg van de landbouwsluis het bereiken van de locatie vanuit Nederland feitelijk onmogelijk is gemaakt. Voordeel van de landbouwsluis (met name voor de dienstwoning) zou volgens het college een afname van de hinder en de overlast van het verkeer op de [locatie 1] zijn, maar eisers hebben nog nooit enige overlast ervaren. De Stichting heeft een contra-expertise overgelegd. Zij heeft mr. S.G. van Hoogmoed, registertaxateur en rentmeester gevraagd inzichtelijk te maken of, en zo ja in hoeverre, de Stichting in aanmerking komt voor een vergoeding van nadeelcompensatie als gevolg van het verkeersbesluit. De te vergoeden schade als gevolg van de waardevermindering van de locatie van de Stichting stelt hij vast op € 42.500.
4.1.
Het college baseert het bestreden besluit op de adviezen die SAOZ op verzoek van het college heeft opgesteld. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze zogeheten vergewisplicht volgt in dit geval uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
Gewijzigd standpunt van het college in beroep
4.2.
Eisers hebben in beroep een contra-expertise overgelegd. In die contra-expertise merkt de taxateur de locatie niet aan als een bedrijfsmatig object waarop onder meer een bedrijfswoning is toegestaan, zoals SAOZ wel heeft gedaan. Volgens de contra-expertise moet worden uitgegaan van het gebruik van het object als een burgerwoning, omdat het object daaraan zijn hoogste waarde ontleent. Uit het aanvullend verweerschrift van 31 januari 2025 en het daarbij overlegde nader advies van SAOZ van 14 januari 2025 blijkt dat SAOZ die benadering uit de contra-expertise volgt. Gelet hierop taxeert SAOZ de waarde van de locatie op basis van de nieuwe situatie op € 550.000. De gevolgen van de verkeersmaatregel hebben er toe geleid, dat voor een willekeurige gegadigde koper de waarde van de locatie per peildatum is gedaald met een bedrag van € 30.000. In eerdere adviesrapporten concludeerde SAOZ en dus ook het college nog tot een waardevermindering van € 20.000. Omdat het college in beroep concludeert dat sprake is van een hogere waardedaling heeft het college op de zitting toegelicht welke gevolgen dit heeft voor het bestreden besluit. Dat betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het verzoek om nadeelcompensatie van de Stichting moet worden toegewezen voor een bedrag van € 6.800. Het college gaat daarbij nog uit van een drempelbedrag vanwege het normaal maatschappelijk risico van 4% van de waarde van de locatie van € 580.000, oftewel € 23.200. Het meerdere, zijnde € 6.800, zal worden vergoed aan de Stichting.
Beoordeling
4.3.
De beroepsgrond slaagt. Dit allereerst op wat hiervoor onder 4.2 is verwoord. Het is vervolgens ook de vraag of de waarde(daling) correct is vastgesteld. De Stichting betoogt ook dat de taxateur van SAOZ onvoldoende deskundig is, omdat de deze niet is ingeschreven bij het Nederlands Register Vastgoed Taxateur (NRVT). De taxateur was op het moment van het oorspronkelijke advies niet ingeschreven, en ook op het moment van de nadere adviezen niet. De taxateur is inmiddels ook niet meer werkzaam bij SAOZ.
4.3.1.
Een bestuursorgaan mag in beginsel op voorhand uitgaan van de deskundigheid van een taxateur die in de juiste hoedanigheid volwaardig lid is van een relevante beroepsorganisatie. Gelet op dat wat op de zitting is besproken en dat wat in het dossier aanwezig is, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de taxateur op het moment van het uitbrengen van de adviezen was geregistreerd bij het NRVT, dan wel lid is (geweest) een andere relevante beroepsorganisatie. Het is mogelijk dat een taxateur die niet of niet in de juiste hoedanigheid lid is van een relevante beroepsorganisatie wel beschikt over de kennis, kunde en ervaring die nodig is om onroerende zaken te taxeren. In dat geval moet het bestuursorgaan zich daarvan vergewissen en moet dit nader worden toegelicht in een deskundigheidsverklaring. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Dit leidt tot het oordeel dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de door haar ingeschakelde taxateur over de juiste deskundigheid beschikt. Daarmee heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:9 van de Awb. Dat de vertegenwoordig van SAOZ die aanwezig was tijdens de zitting contact heeft gehad met de taxateur en dat daarvan een verslag is gemaakt, maakt dat niet anders.
4.3.2.
Het voorgaande betekent dat het college hetzij alsnog moet onderbouwen dat de taxateur wel was ingeschreven bij het NRVT, dan wel lid is (geweest) een andere relevante beroepsorganisatie, en zich anders van zijn deskundigheid moet vergewissen en dit nader moet worden toegelicht in een deskundigheidsverklaring. Anders moet alsnog een taxatie worden uitgebracht door een taxateur die wel aan deze voorwaarde voldoet.
Mocht het college het drempelpercentage voor het normaal maatschappelijk risico vaststellen op 4% ?
5. Eisers betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor het normaal maatschappelijk risico een drempel van 4 % moet worden gehanteerd. De criteria voor de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico uit het stelsel van planschade zijn niet van overeenkomstige toepassing op deze situatie. De criteria voor de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico worden niet bepaald door de aard van de schade (in dit geval een waardevermindering van de onroerende zaak), maar door de aard van de schadeveroorzakende maatregel (in dit geval een verkeersbesluit).
De aanleg van een landbouwsluis in een weg die dient ter ontsluiting van woningen en bedrijven is geen normale maatschappelijke ontwikkeling en de aanleg van een dergelijke sluis in de [locatie 1] lag ook niet in de algemene lijn van de verwachtingen.
Een landbouwsluis wordt “normaal gesproken” uitsluitend aangelegd om het gebruik van een toegangsweg naar landbouwgronden te kunnen beperken tot uitsluitend landbouwverkeer. Niet om autoverkeer van wegen te weren waaraan woningen en/of niet-agrarische bedrijven zijn gelegen en om zo sluipverkeer tegen te gaan. Het college heeft de algemene beleidsmatige doelstelling om overlast van autoverkeer in leefgebieden te beperken. Daarmee kan niet gezegd worde dat de aanleg van een landbouwsluis in de [locatie 1] in de algemene lijn van de verwachtingen lag.
5.1.
Het college merkt de aanleg van een landbouwsluis als hier aan de orde aan als een normale maatschappelijke ontwikkeling die in de algemene lijn van de verwachtingen ligt. Daarom hanteert het college op advies van de SAOZ voor beide verzoeken een drempel van 4% voor de beoordeling van de vergoedbaarheid van de schade. Verkeerskundige maatregelen zoals deze landbouwsluis komen in Nederland met grote regelmaat voor. Zeker om, zoals in dit geval, ongewenst sluipverkeer te voorkomen. Het gebruik van de weg voor bestemmingsverkeer is niet effectief gebleken en is ook niet te handhaven. In algemene beleidsmatige zin past de genomen verkeersmaatregel in ieder geval deels in het ruimtelijke beleid van de gemeente. Op basis van het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan kan worden geconcludeerd dat de gemeente een algemene beleidsmatige doelstelling nastreeft om overlast van autoverkeer in leefgebieden te beperken.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.2.1.
Uit rechtspraak volgt dat als uitgangspunt geldt dat het treffen van een verkeersmaatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten. Voor het oordeel dat in dit geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, bestaat geen grond. Dat laat onverlet dat de omvang van het normaal maatschappelijk risico juist moet worden vastgesteld en naar behoren moet worden gemotiveerd.
5.2.2.
De vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijke risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, als de gegeven motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:41a van de Awb de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen. De invulling van het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het geval. Van belang zijn onder meer de aard van de schadeveroorzakende maatregel (tijd, duur, plaats, ontstaanswijze en andere relevante omstandigheden), de aard, ernst en omvang de schade en de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag.
5.2.3.
In dit geval mocht het college in redelijkheid voor de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico aansluiting zoeken bij de in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (de Wro) neergelegde ondergrens van 2% waardevermindering van de locatie. In dit verband is van belang dat de afsluiting van de [locatie 1] voor gemotoriseerd verkeer door middel van een landbouwsluis een met een oorzaak van planschade te vergelijken infrastructurele maatregel is, dat ook artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro berust op het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten en dat de aard van de schade overeenkomstig is. Daar komt bij dat de 2%-drempel die is neergelegd in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro een minimum forfait is dat altijd geldt, ook als de schadeveroorzakende ontwikkeling niet als normaal kan worden beschouwd.
5.2.4.
Het college heeft vervolgens onvoldoende gemotiveerd dat het normaal maatschappelijk risico hoger moet worden vastgesteld dan het minimumforfait van 2 %. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de volgende omstandigheden. Een besluit waarbij een burgerwoning onbereikbaar wordt voor gemotoriseerd verkeer door middel van een landbouwsluis is niet iets wat veel voorkomt. Het college heeft niet nader toegelicht dat het plaatsen van een landbouwsluis ter voorkoming van sluipverkeer regelmatig voorkomt in Nederland.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen.
7.1.
De rechtbank kan in dit geval nog niet zelf in de zaak voorzien. Weliswaar kan de rechtbank het normaal maatschappelijk risico vaststellen op 2% en de hoogte van de omrijschade van de Jachtvereniging vaststellen. Maar gelet op onder 4.3.3 kan de rechtbank de hoogte van de schade door waardevermindering van de Stichting niet zelf vaststellen.
7.2.
Zoals hiervoor is overwogen onder 4.3.2 is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:9 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering waaruit blijkt dat de taxateur wel was ingeschreven bij het NRVT, dan wel lid is (geweest) een andere relevante beroepsorganisatie, hetzij met een deskundigheidsverklaring nadat het college zich heeft vergewist van de deskundigheid van de taxateur. Als dat niet kan, is een nieuwe taxatie nodig en kan herstel plaats vinden door het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. In dat besluit moet het college na een nieuwe taxatie met inachtneming van wat in deze uitspraak over het drempelpercentage is overwogen de nadeelcompensatie wegens waardedaling aan de Stichting vaststellen en met inachtneming van dat wat is overwogen onder 6.3 de nadeelcompensatie wegens omrijschade aan de Jachtvereniging vaststellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7.2.1.
Procesverloop
7.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. M. Ichoh, leden, in aanwezigheid van mr. H.G. Vruwink-Eertink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestuurslid en gevolmachtigde van [eiseres 1 ] en [eiseres 2] .
Registertaxateur, rentmeester en lid van de [eiseres 1 ] .
Registertaxateur en rentmeester.
Senior-adviseur bij de SAOZ.
Juridisch adviseur openbare ruimte bij de gemeente Zevenaar.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1337.
ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2983.
ABRvS, 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3327.
Vergelijk ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2774.
Vergelijk ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4034 en ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:336.
Zie ABRvS 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:CA2877.