Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-08-06
ECLI:NL:RBGEL:2025:6406
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,342 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/442703 / HA ZA 24-529
Vonnis van 6 augustus 2025
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiser]
,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , gemeente West Maas en Waal,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.P.M. Riep,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
WATERSCHAP RIVIERENLAND,
zetelende te Tiel,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het waterschap,
advocaat: mr. R.M. Pieterse.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 januari 2025
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 juni 2025.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat de rechtbank op 6 augustus 2025 vonnis wijst.
2De zaak in het kort
2.1.
Op 20 juli 2021 is een storing ontstaan in een gemaal van het waterschap. Hierdoor werd geen kwelwater meer afgevoerd uit het oppervlaktewater naast het perceel ‘ [perceelnaam] ’. Op dit perceel teelt [eiser] biologische sperziebonen. Op 21 juli 2021 heeft [eiser] ’s middags vastgesteld dat er 30 cm water op het perceel stond. Na controle van het gemaal heeft zij vastgesteld dat de pomp niet werkte. Rond 15:00 uur heeft zij dit gemeld bij het waterschap. De storingsdienst van het waterschap is daarna ter plaatse gekomen en heeft de storing aan het gemaal rond 18:00 uur verholpen.
2.2.
In deze procedure vordert [eiser] een schadevergoeding van € 45.000,00. Volgens [eiser] heeft het waterschap onrechtmatig gehandeld. Het waterschap heeft namelijk op 20 juli 2021 een melding van een communicatiestoring ontvangen, en had direct daarna moeten controleren of het gemaal nog werkte. Doordat het waterschap dit niet heeft gedaan, is de volledige teelt van biologische sperziebonen verloren gegaan, aldus [eiser] . Het waterschap vindt dat de vorderingen om meerdere redenen niet toewijsbaar zijn.
2.3.
De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat geen sprake is van een onrechtmatige daad van het waterschap. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank moet beoordelen of het waterschap onrechtmatig heeft gehandeld door de storing aan het gemaal niet eerder – dat wil zeggen: vóór de melding van [eiser] – uit eigen beweging op te lossen. Dit kan alleen onrechtmatig zijn indien het waterschap wist of had moeten weten van (dreigende) wateroverlast op het perceel van [eiser] en verwijtbaar heeft nagelaten om daartegen maatregelen te treffen.
3.2.
Op het waterschap rust, zoals partijen ook onderkennen, een inspannings- en dus geen resultaatsverplichting. Dat het waterschap het uitvallen van het gemaal, de overschrijding van een (streef)peil in het oppervlaktewater en het ontstaan van wateroverlast niet heeft voorkomen, is daarom op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het waterschap onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .
Het uitvallen van de communicatie
3.3.
Volgens [eiser] volgt uit het logboek, waarin wordt bijgehouden met welke pompfrequentie het gemaal werkt, dat de communicatie op 20 juli 2021 vanaf 12:00 uur is weggevallen. De rechtbank zal hiervan uitgaan, omdat uit het logboek inderdaad blijkt dat de laatste registratie (van een pompfrequentie van 48 Hz) op 20 juli 2021 om 12:00 uur was en dat om 12:15 uur geen registratie heeft plaatsgevonden. Het waterschap voert onder verwijzing naar een grafiek van de waterstanden in de sloot nabij het perceel aan dat de communicatie rond 15:00 uur is weggevallen, maar dat kan de rechtbank zonder nadere toelichting, die het waterschap niet heeft gegeven, niet uit die grafiek afleiden.
3.4.
Het waterschap heeft aangevoerd dat de communicatiestoring om 15:12 uur is geconstateerd. Ter zitting is toegelicht dat op een digitale overzichtskaart een paars bolletje bij het gemaal stond. Dit betekent dat de telemetrie is weggevallen. Er was geen rood bolletje zichtbaar. Een rood bolletje betekent dat het gemaal niet meer functioneert en heeft daarom een hogere prioriteit dan een paars bolletje. Dat het gemaal was uitgevallen, was ook niet ‘live’ zichtbaar, omdat door de communicatiestoring geen gegevens (bijvoorbeeld over het waterpeil en de afvoer) meer binnenkwamen. Er was ook geen hoogwateralarm zichtbaar, aldus het waterschap. Dit alles heeft [eiser] niet weersproken.
3.5.
Volgens het waterschap komt een communicatiestoring wel vaker voor en kan zo’n storing allerlei oorzaken hebben, zoals werkzaamheden of een storing in de zendmast. Het komt voor dat de communicatie na enige tijd uit zichzelf weer wordt hersteld. Onder normale omstandigheden is een communicatiestoring alleen een communicatiestoring; zo’n storing gaat praktisch nooit samen met het uitvallen van het gemaal zelf. Het ging hier om een redelijk nieuw gemaal dat naar zijn aard niet storingsgevoelig is en er waren ook niet eerder storingen geweest. Het waterschap had dan ook geen aanleiding om te vermoeden dat het gemaal was uitgevallen, aldus het waterschap. Dit heeft [eiser] niet weersproken.
De kans op het uitvallen van het gemaal
3.6.
Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat het waterschap wist dat het gemaal niet meer functioneerde. Integendeel, nu het waterschap onweersproken heeft aangevoerd dat het ervan uitging dat alleen de communicatie was weggevallen. Zeker weten kon het waterschap dit echter niet. Door het wegvallen van de communicatie was immers niet meer ‘live’ op afstand te zien of het gemaal nog werkte.
3.7.
Volgens [eiser] kon het waterschap in het voornoemde logboek zien tot welk moment het gemaal water afvoerde en hoeveel. Hoewel het waterschap heeft erkend dat het logboek niet is geraadpleegd, gaat de rechtbank ervan uit dat daarin slechts te zien zou zijn geweest dat na 12:00 uur geen pompfrequentie is geregistreerd. Waarom het waterschap hieruit had moeten afleiden dat niet alleen de communicatie maar ook het gemaal was uitgevallen, heeft [eiser] niet toegelicht.
3.8.
Het waterschap wist op 20 juli 2021 niet wat de oorzaak van de communicatiestoring was (en heeft daar ook op de zitting niets over kunnen zeggen). In het licht daarvan kon het waterschap dus niet uitsluiten dat zowel de communicatie als het gemaal zelf was uitgevallen. Wat het waterschap over de kans hierop heeft aangevoerd (zie hiervoor in 3.4 en 3.5), heeft [eiser] echter niet weersproken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de kans dat het gemaal was uitgevallen klein was.
De kans op wateroverlast
3.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel ‘ [perceelnaam] ’ laaggelegen is op korte afstand van de Maas en de Waal. Partijen verschillen van mening over de exacte hoogteligging van het perceel ‘ [perceelnaam] ’ en over de vraag op basis van welke bronnen die ligging moet worden vastgesteld, maar ter zitting is gebleken dat zij het erover eens zijn dat het perceel een gemiddelde hoogte heeft van ongeveer +3,60m NAP. Door deze hoogteligging is het perceel gevoelig voor kwelwater.
3.10.
Op 20 juli 2021 was sprake van een hoogwatergolf op de Maas met een piek van +5,75m NAP bij Lith en op de Waal met een piek van +5,6m NAP bij Zaltbommel door de aanvoer van regenwater vanuit Duitsland en België. Hierdoor hadden het perceel en het gemaal te maken met de aanvoer van veel kwelwater. Op 20 juli 2021 voerde het gemaal, dat onbetwist mede aanwezig is om kwelwater tijdig af te voeren zodat landbouwgrond zoals die van [eiser] niet onder water komt te staan, maximaal af.
3.11.
Gelet op het voorgaande bestond op 20 juli 2021 een risico op ernstige wateroverlast bij uitval van het gemaal.
De maatregelen die het waterschap heeft genomen
3.12.
Zoals gezegd, bestond een kleine kans dat niet alleen de communicatie maar ook het gemaal zelf was uitgevallen en een risico op ernstige wateroverlast op het perceel ‘ [perceelnaam] ’ indien dat het geval was. Deze kans en dit risico brengen in dit geval niet mee dat het waterschap onrechtmatig heeft gehandeld. Beslissend is namelijk niet of het waterschap sneller had kunnen handelen, maar of het waterschap sneller had moeten handelen. De rechtbank is, gezien de omstandigheden van het geval, van oordeel dat het waterschap in dit geval niet sneller had hoeven handelen. De rechtbank legt dit hierna uit.
3.13.
Voorafgaand aan deze procedure en in de conclusie van antwoord heeft het waterschap het standpunt ingenomen dat de communicatiestoring om 15:12 uur is geconstateerd en de volgende ochtend is doorgegeven aan de buitendienst. Ter zitting heeft de operator van de Controle Regie Kamer van het waterschap verklaard dat hij de storing ‘binnen afzienbare tijd’ na 15:12 uur maar in elk geval dezelfde middag nog heeft doorgegeven aan de buitendienst. Volgens de operator heeft hij de volgende ochtend opnieuw contact gehad met de buitendienst en heeft hij toen besproken dat de communicatie was weggevallen en dat de buitendienst langs zou gaan. Deze standpunten zijn tegenstrijdig.
3.14.
Maar ook als ervan wordt uitgegaan dat de melding pas de volgende ochtend is doorgegeven aan de buitendienst, leidt dat niet tot aansprakelijkheid van het waterschap. Vast staat namelijk dat de communicatiestoring in de middag van 20 juli 2021 is ontstaan en vastgesteld en ter zitting heeft het waterschap onweersproken toegelicht dat de buitendienst – behoudens calamiteiten, waarvan bij een communicatiestoring geen sprake is – tot 16:00 uur werkt. Zij begint de volgende ochtend weer met werken rond 07:00 uur. Onweersproken is dat die volgende ochtend contact heeft plaatsgevonden met de buitendienst en dat de buitendienst is verzocht om het gemaal te gaan controleren.
Conclusie
3.19.
De conclusie is dat het waterschap geen onrechtmatige daad heeft gepleegd. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.20.
[eiser] krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het waterschap worden begroot op:
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.495,00
Dictum
De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op6 augustus 2025.
1906
Zie HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5302.