Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-07-22
ECLI:NL:RBGEL:2025:5839
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,772 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:5839 text/xml public 2026-04-16T10:28:51 2025-07-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-07-22 AWB 24/6097 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:5839 text/html public 2026-04-16T10:28:03 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:5839 Rechtbank Gelderland , 22-07-2025 / AWB 24/6097 Wet WOZ. Art. 8:54 Awb uitspraak in 1 van meerdere zaken van verschillende belanghebbenden, allen vertegenwoordigd door 1 gemachtigde, J.W. Vugts. Zelfde beslissing als in ECLI:NL:RBGEL:2024:8766. Heffingsambtenaar besliste op de bezwaren van verschillende belanghebbenden in 1 geschrift met per belanghebbende een aparte bijlage. Volgens gemachtigde is dit geen geldige uitspraak op bezwaar en is daarom een dwangsom verschuldigd. Rechtbank oordeelt dat de beslissing een geldige uitspraak op bezwaar is en dat dus geen dwangsom is verschuldigd. De uitspraak is wel onjuist, omdat per belanghebbende een uitspraak moet worden gedaan. Geen toepassing van art. 6:22 Awb en geen mogelijkheid gegeven om besluit te herstellen door alsnog te splitsen. Vernietiging en terugwijzing. Geen vergoeding voor immateriële schade. Proceskostenvergoeding van 1520 euro (2 punten voor bezwaar en 1 punt voor beroep, wegingsfactor 1 en factor 0,25 van art. 30a Wet WOZ, geen factor voor samenhang toegepast en niet gedeeld door het aantal zaken). RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6097 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de heffingsambtenaar van het samenwerkingsverband Meerinzicht , de heffingsambtenaar. Inleiding In april 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de waardebeschikking 2023 voor het object aan de [locatie] gelegen in de gemeente Ermelo. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar en de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 alsmede op het verzoek om een vergoeding van immateriële schade. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Samenvatting 1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat het beroep niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 23 februari 2024 kennelijk gegrond is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [locatie] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2023 bij aanslagbiljet vastgesteld op € 469.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende onder meer de aanslag onroerendezaakbelastingen (aanslag ozb) van de gemeente Ermelo voor het kalenderjaar 2023 opgelegd (de aanslag). 3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de waardevaststelling en de aanslag. Beroep niet tijdig beslissen 4. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 15 februari 2024 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op het bezwaar. Vervolgens heeft belanghebbende op 4 april 2024 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Volgens belanghebbende kan de brief van 29 februari 2024 niet als een uitspraak op bezwaar aangemerkt worden. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich bij aanvullend beroepschrift van 4 april 2024 op het standpunt gesteld dat de maximale dwangsom verbeurd is. Verder heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep, waarbij de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat deze kosten aan de gemachtigde overgemaakt moeten worden. Belanghebbende heeft ten slotte verzocht om een vergoeding vanwege immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. 5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij bij brief van 29 februari 2024 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. 6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de brief van 29 februari 2024 kwalificeert als een voor beroep vatbare beschikking. De brief bevat namelijk alle uiterlijke èn inhoudelijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. Daarin heeft de heffingsambtenaar immers niet alleen de ontvangst van diverse bezwaarschriften bevestigd, maar ook in de aanhef is duidelijk geschreven over meerdere objecten en aanslagbiljetten en daarbij is in de uitspraak een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Bovenal is in de brief onder het tussenkopje “Beoordeling bezwaar” vermeld dat de bezwaren ongegrond worden verklaard en dat de waardevaststellingen en de aanslagen ozb worden gehandhaafd met verwijzing naar bijgaande adviesformulieren. De vraag of de uitspraak op bezwaar rechtmatig is, met andere woorden of de heffingsambtenaar in één document uitspraken op bezwaar mocht opnemen voor meer belanghebbenden, maakt het oordeel niet anders. De beoordeling of een voor beroep vatbare beschikking is genomen, staat namelijk los van de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar. De vraag of een beschikking rechtmatig is, komt aan de orde in de inhoudelijke procedure, maar die speelt geen rol bij de vraag òf de beschikking genomen is. 7. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat belanghebbende geen procesbelang heeft bij het ingestelde beroep wegens niet-tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar bij brief van 29 februari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen nietontvankelijk zal verklaren. 8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan binnen twee weken na de ingebrekestelling. Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 9. Belanghebbende heeft onder meer aangevoerd dat de heffingsambtenaar niet in één geschrift uitspraak kan doen op bezwaren van meer belanghebbenden. 10. De heffingsambtenaar stelt zich op het primaire standpunt dat met de toezending van de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 aan de vereisten is voldaan. Immers de beslissing is bekendgemaakt door toezending aan belanghebbende waarbij per onroerende zaak een adviesformulier is bijgevoegd waarop alle essentialia zijn opgenomen (betreffende de onroerende zaak, het zaaknummer en het beschikkingsjaar). De heffingsambtenaar heeft weliswaar één brief gebruikt voor het doen van uitspraak op bezwaar van verschillende belanghebbenden, maar wel van één gevolmachtigde. Zolang de beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht en de beslissing berust op een deugdelijke motivering, en het voldoende kenbaar ten aanzien van wie de uitspraak op bezwaar is gedaan, is het naar mening van de heffingsambtenaar niet van belang in welke vorm de brieven worden verzonden. Een uitspraak op een bezwaarschrift is vormvrij. De heffingsambtenaar heeft vanuit een immens grote werkdruk ervoor gekozen de uitspraken op bezwaar welke ongegrond waren bevonden, op een dergelijke wijze te versturen. Elk ongegronde uitspraak op bezwaar beschikt echter over een deugdelijke motivering opgenomen in de bijlagen van de taxateur en het besluit was kenbaar voor elke belanghebbende. Daarnaast is het ook mogelijk voor belanghebbende om een beroep in te dienen. Voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat aan de uitspraak op bezwaar een gebrek kleeft, verzoekt de heffingsambtenaar de rechtbank om artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Belanghebbende is daardoor niet benadeeld. Indien de rechtbank artikel 6:22 van de Awb niet toepast, vraagt de heffingsambtenaar de rechtbank om het vormverzuim te kunnen herstellen door het splitsen van de uitspraken op bezwaar. 11.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:5839 text/xml public 2026-04-16T10:28:51 2025-07-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-07-22 AWB 24/6097 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:5839 text/html public 2026-04-16T10:28:03 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:5839 Rechtbank Gelderland , 22-07-2025 / AWB 24/6097 Wet WOZ. Art. 8:54 Awb uitspraak in 1 van meerdere zaken van verschillende belanghebbenden, allen vertegenwoordigd door 1 gemachtigde, J.W. Vugts. Zelfde beslissing als in ECLI:NL:RBGEL:2024:8766. Heffingsambtenaar besliste op de bezwaren van verschillende belanghebbenden in 1 geschrift met per belanghebbende een aparte bijlage. Volgens gemachtigde is dit geen geldige uitspraak op bezwaar en is daarom een dwangsom verschuldigd. Rechtbank oordeelt dat de beslissing een geldige uitspraak op bezwaar is en dat dus geen dwangsom is verschuldigd. De uitspraak is wel onjuist, omdat per belanghebbende een uitspraak moet worden gedaan. Geen toepassing van art. 6:22 Awb en geen mogelijkheid gegeven om besluit te herstellen door alsnog te splitsen. Vernietiging en terugwijzing. Geen vergoeding voor immateriële schade. Proceskostenvergoeding van 1520 euro (2 punten voor bezwaar en 1 punt voor beroep, wegingsfactor 1 en factor 0,25 van art. 30a Wet WOZ, geen factor voor samenhang toegepast en niet gedeeld door het aantal zaken). RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6097 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de heffingsambtenaar van het samenwerkingsverband Meerinzicht , de heffingsambtenaar. Inleiding In april 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de waardebeschikking 2023 voor het object aan de [locatie] gelegen in de gemeente Ermelo. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar en de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 alsmede op het verzoek om een vergoeding van immateriële schade. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Samenvatting 1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat het beroep niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 23 februari 2024 kennelijk gegrond is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [locatie] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2023 bij aanslagbiljet vastgesteld op € 469.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende onder meer de aanslag onroerendezaakbelastingen (aanslag ozb) van de gemeente Ermelo voor het kalenderjaar 2023 opgelegd (de aanslag). 3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de waardevaststelling en de aanslag. Beroep niet tijdig beslissen 4. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 15 februari 2024 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op het bezwaar. Vervolgens heeft belanghebbende op 4 april 2024 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Volgens belanghebbende kan de brief van 29 februari 2024 niet als een uitspraak op bezwaar aangemerkt worden. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich bij aanvullend beroepschrift van 4 april 2024 op het standpunt gesteld dat de maximale dwangsom verbeurd is. Verder heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep, waarbij de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat deze kosten aan de gemachtigde overgemaakt moeten worden. Belanghebbende heeft ten slotte verzocht om een vergoeding vanwege immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. 5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij bij brief van 29 februari 2024 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. 6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de brief van 29 februari 2024 kwalificeert als een voor beroep vatbare beschikking. De brief bevat namelijk alle uiterlijke èn inhoudelijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. Daarin heeft de heffingsambtenaar immers niet alleen de ontvangst van diverse bezwaarschriften bevestigd, maar ook in de aanhef is duidelijk geschreven over meerdere objecten en aanslagbiljetten en daarbij is in de uitspraak een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Bovenal is in de brief onder het tussenkopje “Beoordeling bezwaar” vermeld dat de bezwaren ongegrond worden verklaard en dat de waardevaststellingen en de aanslagen ozb worden gehandhaafd met verwijzing naar bijgaande adviesformulieren. De vraag of de uitspraak op bezwaar rechtmatig is, met andere woorden of de heffingsambtenaar in één document uitspraken op bezwaar mocht opnemen voor meer belanghebbenden, maakt het oordeel niet anders. De beoordeling of een voor beroep vatbare beschikking is genomen, staat namelijk los van de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar. De vraag of een beschikking rechtmatig is, komt aan de orde in de inhoudelijke procedure, maar die speelt geen rol bij de vraag òf de beschikking genomen is. 7. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat belanghebbende geen procesbelang heeft bij het ingestelde beroep wegens niet-tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar bij brief van 29 februari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen nietontvankelijk zal verklaren. 8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan binnen twee weken na de ingebrekestelling. Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 9. Belanghebbende heeft onder meer aangevoerd dat de heffingsambtenaar niet in één geschrift uitspraak kan doen op bezwaren van meer belanghebbenden. 10. De heffingsambtenaar stelt zich op het primaire standpunt dat met de toezending van de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 aan de vereisten is voldaan. Immers de beslissing is bekendgemaakt door toezending aan belanghebbende waarbij per onroerende zaak een adviesformulier is bijgevoegd waarop alle essentialia zijn opgenomen (betreffende de onroerende zaak, het zaaknummer en het beschikkingsjaar). De heffingsambtenaar heeft weliswaar één brief gebruikt voor het doen van uitspraak op bezwaar van verschillende belanghebbenden, maar wel van één gevolmachtigde. Zolang de beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht en de beslissing berust op een deugdelijke motivering, en het voldoende kenbaar ten aanzien van wie de uitspraak op bezwaar is gedaan, is het naar mening van de heffingsambtenaar niet van belang in welke vorm de brieven worden verzonden. Een uitspraak op een bezwaarschrift is vormvrij. De heffingsambtenaar heeft vanuit een immens grote werkdruk ervoor gekozen de uitspraken op bezwaar welke ongegrond waren bevonden, op een dergelijke wijze te versturen. Elk ongegronde uitspraak op bezwaar beschikt echter over een deugdelijke motivering opgenomen in de bijlagen van de taxateur en het besluit was kenbaar voor elke belanghebbende. Daarnaast is het ook mogelijk voor belanghebbende om een beroep in te dienen. Voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat aan de uitspraak op bezwaar een gebrek kleeft, verzoekt de heffingsambtenaar de rechtbank om artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Belanghebbende is daardoor niet benadeeld. Indien de rechtbank artikel 6:22 van de Awb niet toepast, vraagt de heffingsambtenaar de rechtbank om het vormverzuim te kunnen herstellen door het splitsen van de uitspraken op bezwaar. 11.
Volledig
De rechtbank overweegt dat artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), bepaalt dat op een bezwaar en een beroep tegen beschikkingen, onder meer de artikel 24a, 25, vierde lid en 26b, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van overeenkomstige toepassing zijn. 12. Degene die bezwaar heeft tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, kan daartegen bezwaar maken bij één bezwaarschrift. De heffingsambtenaar kan, als bezwaar is gemaakt tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, de uitspraken op bezwaar opnemen in één geschrift. Degene die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak op bezwaar, kan dat doen bij één beroepschrift. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 24a van de AWR is uitdrukkelijk aan de orde gekomen dat een bezwaarschrift niet door meer belanghebbenden gezamenlijk kan worden ingediend. Dit volgt ook uit de tekst van het artikel zelf. Daarin is immers bepaald dat "hij die bezwaar heeft, (...) bezwaar kan maken". Uit de formulering van de wettelijke bepalingen, alsmede de parlementaire toelichting daarop, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet mogelijk is om op bezwaarschriften, door verschillende belanghebbenden ingediend, bij één uitspraak te beslissen. De heffingsambtenaar heeft dat echter wel gedaan. 13. De rechtbank ziet geen grond voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb aangezien niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet benadeeld is door het gebrek. De uitspraak op bezwaar is gedaan in een geschrift samen met de uitspraken op bezwaar van meer belanghebbenden. De motivering van de uitspraak op bezwaar is zeer summier voor zover deze gaat over de bezwaren van belanghebbende. In de motivering van de uitspraak op bezwaar, noch in de bijlagen, wordt namelijk concreet gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende. De heffingsambtenaar dient in een uitspraak op bezwaar deugdelijk te motiveren waarom het bezwaar niet gegrond is. 14. De rechtbank ziet evenmin grond om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen om de uitspraak op bezwaar te splitsen. In dat geval zou de heffingsambtenaar namelijk twee keer een uitspraak op bezwaar doen en de Hoge Raad heeft bepaald dat dat niet is toegestaan, zonder dat de rechter de eerste uitspraak op bezwaar heeft vernietigd. 15. De uitspraak op bezwaar dient derhalve te worden vernietigd. 16. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 vernietigen en de heffingsambtenaar opdragen alsnog afzonderlijk uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende. 17. De rechtbank zal een termijn van acht weken stellen voor het doen van de nieuwe uitspraak op bezwaar. De rechtbank vindt deze termijn passend gelet op alle betrokken belangen. De rechtbank acht dit een redelijke termijn, waarbinnen het voor de heffingsambtenaar haalbaar moet zijn om in dit dossier uitspraak op bezwaar te doen. Verzoek om vergoeding van immateriële schade 18. Belanghebbende heeft op 4 april 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 19. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 7 februari 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is zes maanden langer dan de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De rechtbank stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn minder dan twaalf maanden bedraagt en de redelijke termijn op de datum van het wijzen van het ‘bagatelarrest’ (14 juni 2024) nog niet was overschreden. Dit betekent dat onderhavige zaak valt onder de nieuwe regels zoals hierna uiteengezet. 20. In het bagatelarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad die is samengevat in zijn arrest van 19 februari 2016 , in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – wordt verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht. Voor deze schadevergoeding dient als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden. 21. Op de datum van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 was de redelijke termijn niet overschreden. Dat betekent dat alleen dan een vergoeding wordt toegekend als het belang boven de bagatelgrens ligt. Niet gesteld of gebleken is dat het belang van belanghebbende daarboven ligt. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af, en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Proceskosten 22. De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.520,75 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepsfase geldt op grond van het bepaalde in artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ (wettekst 2025) een vermenigvuldigingsfactor van 0,25. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een ‘bijzondere omstandigheden’ als bedoeld in de tweede volzin van genoemd artikellid. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. 23. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. 24. Op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm moet de uitbetaling van de in deze procedure toegekende bedragen op de bankrekening van belanghebbende plaatsvinden, ongeacht of de belanghebbende in een (doorlopende) machtiging met zijn gemachtigde heeft afgesproken dat de gemachtigde is gerechtigd tot bepaalde vergoedingen (verbod vervreemding en verpanding). Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat de kosten aan zijn gemachtigde kunnen worden betaald, is de rechtbank van oordeel dat zij niet bevoegd is om daar over te oordelen. Belanghebbende dient zich daarvoor tot de civiele rechter te wenden.
Volledig
De rechtbank overweegt dat artikel 30, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), bepaalt dat op een bezwaar en een beroep tegen beschikkingen, onder meer de artikel 24a, 25, vierde lid en 26b, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van overeenkomstige toepassing zijn. 12. Degene die bezwaar heeft tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, kan daartegen bezwaar maken bij één bezwaarschrift. De heffingsambtenaar kan, als bezwaar is gemaakt tegen meer dan één voor bezwaar vatbare beschikkingen, de uitspraken op bezwaar opnemen in één geschrift. Degene die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak op bezwaar, kan dat doen bij één beroepschrift. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 24a van de AWR is uitdrukkelijk aan de orde gekomen dat een bezwaarschrift niet door meer belanghebbenden gezamenlijk kan worden ingediend. Dit volgt ook uit de tekst van het artikel zelf. Daarin is immers bepaald dat "hij die bezwaar heeft, (...) bezwaar kan maken". Uit de formulering van de wettelijke bepalingen, alsmede de parlementaire toelichting daarop, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet mogelijk is om op bezwaarschriften, door verschillende belanghebbenden ingediend, bij één uitspraak te beslissen. De heffingsambtenaar heeft dat echter wel gedaan. 13. De rechtbank ziet geen grond voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb aangezien niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet benadeeld is door het gebrek. De uitspraak op bezwaar is gedaan in een geschrift samen met de uitspraken op bezwaar van meer belanghebbenden. De motivering van de uitspraak op bezwaar is zeer summier voor zover deze gaat over de bezwaren van belanghebbende. In de motivering van de uitspraak op bezwaar, noch in de bijlagen, wordt namelijk concreet gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende. De heffingsambtenaar dient in een uitspraak op bezwaar deugdelijk te motiveren waarom het bezwaar niet gegrond is. 14. De rechtbank ziet evenmin grond om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen om de uitspraak op bezwaar te splitsen. In dat geval zou de heffingsambtenaar namelijk twee keer een uitspraak op bezwaar doen en de Hoge Raad heeft bepaald dat dat niet is toegestaan, zonder dat de rechter de eerste uitspraak op bezwaar heeft vernietigd. 15. De uitspraak op bezwaar dient derhalve te worden vernietigd. 16. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 vernietigen en de heffingsambtenaar opdragen alsnog afzonderlijk uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende. 17. De rechtbank zal een termijn van acht weken stellen voor het doen van de nieuwe uitspraak op bezwaar. De rechtbank vindt deze termijn passend gelet op alle betrokken belangen. De rechtbank acht dit een redelijke termijn, waarbinnen het voor de heffingsambtenaar haalbaar moet zijn om in dit dossier uitspraak op bezwaar te doen. Verzoek om vergoeding van immateriële schade 18. Belanghebbende heeft op 4 april 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 19. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 7 februari 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is zes maanden langer dan de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De rechtbank stelt vast dat de overschrijding van de redelijke termijn minder dan twaalf maanden bedraagt en de redelijke termijn op de datum van het wijzen van het ‘bagatelarrest’ (14 juni 2024) nog niet was overschreden. Dit betekent dat onderhavige zaak valt onder de nieuwe regels zoals hierna uiteengezet. 20. In het bagatelarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad die is samengevat in zijn arrest van 19 februari 2016 , in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – wordt verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht. Voor deze schadevergoeding dient als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden. 21. Op de datum van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 was de redelijke termijn niet overschreden. Dat betekent dat alleen dan een vergoeding wordt toegekend als het belang boven de bagatelgrens ligt. Niet gesteld of gebleken is dat het belang van belanghebbende daarboven ligt. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af, en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Proceskosten 22. De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.520,75 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepsfase geldt op grond van het bepaalde in artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ (wettekst 2025) een vermenigvuldigingsfactor van 0,25. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een ‘bijzondere omstandigheden’ als bedoeld in de tweede volzin van genoemd artikellid. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. 23. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. 24. Op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm moet de uitbetaling van de in deze procedure toegekende bedragen op de bankrekening van belanghebbende plaatsvinden, ongeacht of de belanghebbende in een (doorlopende) machtiging met zijn gemachtigde heeft afgesproken dat de gemachtigde is gerechtigd tot bepaalde vergoedingen (verbod vervreemding en verpanding). Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat de kosten aan zijn gemachtigde kunnen worden betaald, is de rechtbank van oordeel dat zij niet bevoegd is om daar over te oordelen. Belanghebbende dient zich daarvoor tot de civiele rechter te wenden.