Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-07-17
ECLI:NL:RBGEL:2025:5708
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
3,436 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3055
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland, het college
(gemachtigden: mr. J.S. Kramer en mr. S.J. van Winzum).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1]
uit [plaats 2] , vergunninghoudster en;
[derde-partij 2]
uit [plaats 3] , derde-partij (gemachtigde: mr. C.L. Hennink en mr. M.J.E. Boudesteijn).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het herhaald verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het doden van één specifieke (probleem)wolf die zich op het Nationaal Park de Hoge Veluwe begeeft.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Zij geeft geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel, maar volstaat met een belangenafweging. De belangen bij het niet treffen van een voorlopige voorziening wegen zwaarder dan de belangen van verzoekster bij het treffen daarvan. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 1 mei 2025 heeft vergunninghoudster bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het doden van een specifieke wolf op het Nationaal Park de Hoge Veluwe . Bij besluit van 6 mei 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend.
2.1.
Verzoeksters hebben bij het college bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verzoekster heeft eerder hangende bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 16 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
2.2.
Op 14 juli 2025 heeft verzoekster hangende bezwaar een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarover gaat deze uitspraak.
Beoordeling
Standpunten van partijen
3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zich ná de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Zij wijst op een ingrijpende wijziging van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de Habitatrichtlijn). Verzoekster stelt – kort samengevat – dat deze wijziging tot gevolg heeft dat de vergunningplicht voor het doden van de wolf naar nationaal recht is komen te vervallen. Zij verbindt daaraan de conclusie dat de verleende omgevingsvergunning geen rechtsgevolg meer heeft. Er is daarom volgens verzoekster alle aanleiding om het bestreden besluit te schorsen of om een oordeel te geven dat dit besluit geen rechtsgevolg meer heeft.
3.1.
Het college stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de rechtsgrondslag of rechtskracht van de omgevingsvergunning niet is komen te vervallen. Daarnaast voert het college aan dat in de beslissing op bezwaar, gelet op artikel 7:11 van de Awb, zal moeten worden getoetst aan het op dát moment geldende rechtsregime. De regering is reeds bezig met regelgeving ter implementatie van de wijziging van de Habitatrichtlijn.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel, wel een belangenafweging
4. De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel. In deze zaak liggen de rechtsvragen voor welke gevolgen de wijziging van de Habitatrichtlijn heeft voor het nationale recht en wat dit betekent voor de door het college te verrichten heroverweging in bezwaar (omdat onduidelijk is welk recht zal gelden ten tijde van deze heroverweging). De beantwoording van deze vragen leent zich vanwege de juridische complexiteit niet voor een beoordeling in een voorlopige voorzieningenprocedure. De voorzieningenrechter volstaat daarom met een belangenafweging.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen bij het niet treffen van een voorlopige voorziening in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van verzoekster bij het treffen daarvan. De wijziging van de Habitatrichtlijn heeft tot gevolg dat het beschermingsregime van de wolf is verlaagd. De omgevingsvergunning voor afschot van de wolf is verleend onder het toen geldende zwaardere beschermingsregime, toen de wolf dus nog strikt beschermd was. De voorzieningenrechter heeft in de eerdere zaak de verleende vergunning getoetst aan alle voorwaarden die onder dit zwaardere beschermingsregime golden en voorlopig geoordeeld dat de bezwaren van (onder meer) verzoekster tegen de omgevingsvergunning geen redelijke kans van slagen hebben. Omdat enerzijds zij dus al geoordeeld heeft dat de omgevingsvergunning voor afschot van de betreffende wolf naar haar voorlopig oordeel rechtmatig is verleend en anderzijds het beschermingsregime van de wolf op het moment van dat oordeel juist zwaarder was, kent zij een groter belang toe aan het niet schorsen van de omgevingsvergunning dan het belang dat verzoekster heeft bij schorsing daarvan.
Conclusie
5. Omdat de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uitvalt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Rb. Gelderland (vz.) 16 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3843.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3055
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland, het college
(gemachtigden: mr. J.S. Kramer en mr. S.J. van Winzum).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1]
uit [plaats 2] , vergunninghoudster en;
[derde-partij 2]
uit [plaats 3] , derde-partij (gemachtigde: mr. C.L. Hennink en mr. M.J.E. Boudesteijn).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het herhaald verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het doden van één specifieke (probleem)wolf die zich op het Nationaal Park de Hoge Veluwe begeeft.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Zij geeft geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel, maar volstaat met een belangenafweging. De belangen bij het niet treffen van een voorlopige voorziening wegen zwaarder dan de belangen van verzoekster bij het treffen daarvan. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 1 mei 2025 heeft vergunninghoudster bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het doden van een specifieke wolf op het Nationaal Park de Hoge Veluwe . Bij besluit van 6 mei 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend.
2.1.
Verzoeksters hebben bij het college bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verzoekster heeft eerder hangende bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 16 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
2.2.
Op 14 juli 2025 heeft verzoekster hangende bezwaar een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarover gaat deze uitspraak.
Beoordeling
Standpunten van partijen
3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zich ná de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Zij wijst op een ingrijpende wijziging van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de Habitatrichtlijn). Verzoekster stelt – kort samengevat – dat deze wijziging tot gevolg heeft dat de vergunningplicht voor het doden van de wolf naar nationaal recht is komen te vervallen. Zij verbindt daaraan de conclusie dat de verleende omgevingsvergunning geen rechtsgevolg meer heeft. Er is daarom volgens verzoekster alle aanleiding om het bestreden besluit te schorsen of om een oordeel te geven dat dit besluit geen rechtsgevolg meer heeft.
3.1.
Het college stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de rechtsgrondslag of rechtskracht van de omgevingsvergunning niet is komen te vervallen. Daarnaast voert het college aan dat in de beslissing op bezwaar, gelet op artikel 7:11 van de Awb, zal moeten worden getoetst aan het op dát moment geldende rechtsregime. De regering is reeds bezig met regelgeving ter implementatie van de wijziging van de Habitatrichtlijn.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel, wel een belangenafweging
4. De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel. In deze zaak liggen de rechtsvragen voor welke gevolgen de wijziging van de Habitatrichtlijn heeft voor het nationale recht en wat dit betekent voor de door het college te verrichten heroverweging in bezwaar (omdat onduidelijk is welk recht zal gelden ten tijde van deze heroverweging). De beantwoording van deze vragen leent zich vanwege de juridische complexiteit niet voor een beoordeling in een voorlopige voorzieningenprocedure. De voorzieningenrechter volstaat daarom met een belangenafweging.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen bij het niet treffen van een voorlopige voorziening in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van verzoekster bij het treffen daarvan. De wijziging van de Habitatrichtlijn heeft tot gevolg dat het beschermingsregime van de wolf is verlaagd. De omgevingsvergunning voor afschot van de wolf is verleend onder het toen geldende zwaardere beschermingsregime, toen de wolf dus nog strikt beschermd was. De voorzieningenrechter heeft in de eerdere zaak de verleende vergunning getoetst aan alle voorwaarden die onder dit zwaardere beschermingsregime golden en voorlopig geoordeeld dat de bezwaren van (onder meer) verzoekster tegen de omgevingsvergunning geen redelijke kans van slagen hebben. Omdat enerzijds zij dus al geoordeeld heeft dat de omgevingsvergunning voor afschot van de betreffende wolf naar haar voorlopig oordeel rechtmatig is verleend en anderzijds het beschermingsregime van de wolf op het moment van dat oordeel juist zwaarder was, kent zij een groter belang toe aan het niet schorsen van de omgevingsvergunning dan het belang dat verzoekster heeft bij schorsing daarvan.
Conclusie
5. Omdat de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uitvalt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Rb. Gelderland (vz.) 16 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3843.