Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-23
ECLI:NL:RBGEL:2025:548
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/292776-24
Datum uitspraak : 23 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Raadsman: mr. T. Geerdink, advocaat in Borne.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 maart 2024 te [plaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten
- het (over de kleding heen) betasten van de vagina/schaamstreek en/of billen en/of
borsten van die [slachtoffer] en/of
- het vragen aan die [slachtoffer] of zij zijn, verdachtes, geslachtsdeel wil aanraken/voelen
en/of
- het kussen en/of tongzoenen van die [slachtoffer] ,
waarbij dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die
andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte voornoemde ontuchtige handeling onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer] hiermee heeft overrompeld;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 maart 2024 te [plaats] , althans in Nederland,
met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten
- het (over de kleding heen) betasten van de vagina/schaamstreek en/of billen en/of
borsten van die [slachtoffer] en/of
- het vragen aan die [slachtoffer] of zij zijn, verdachtes, geslachtsdeel wil aanraken/voelen
en/of
- het kussen en/of tongzoenen van die [slachtoffer] ;
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot het primair tenlastegelegde is daartoe aangevoerd dat er weliswaar enige seksueel getinte handelingen hebben plaatsgevonden, maar dat die volgens verdachte vrijwillig zijn geweest en er geen sprake is geweest van onverhoedse handelingen.
Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde is aangevoerd dat verdachte niet wist of had moeten weten dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking had en dat niet duidelijk is dat [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen.
Beoordeling
Namens [slachtoffer] is aangifte gedaan door [aangever] van [instelling] , een instelling voor mensen met een beperking, waar [slachtoffer] verblijft. [aangever] heeft verklaard dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft. [slachtoffer] is 30 jaar is, maar functioneert op een leeftijd van 16 tot 28 maanden.
[slachtoffer] is daarop gehoord door middel van een studioverhoor. Zij heeft daarbij – samengevat –onder meer het volgende verklaard. Zij werkt samen met verdachte bij [winkel] . Op 1 maart 2024 voor 12.30 uur heeft verdachte haar gevraagd of ze wat met hem wilde gaan drinken. [slachtoffer] heeft toegestemd. Ze zijn daarna naar de woning van een vriend van verdachte in [plaats] gegaan. In die woning heeft verdachte [slachtoffer] betast aan haar vagina, billen en borsten. Ook had hij haar gezoend. Zij vond dat alles niet prettig en had gezegd dat ze het niet wilde en dat hij moest ophouden, maar dat deed verdachte niet. Hierna had verdachte haar naar de bushalte gebracht en toen hij haar daar afzette had hij gezegd dat alle mannen seks willen.
De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de verklaring van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .
[getuige 1] is logistiek manager bij [winkel] . Hij kreeg op 1 maart 2024 in de middag een appje van [slachtoffer] . De tekst daarvan luidde: “Heey [getuige 1] met [slachtoffer] heb je straks misschien nog tijd om mij terug te bellen want er is iets voorgevallen waar ik nu heel erg mee zit en dat was na werk gebeurd. En het heeft wel te maken met een collega.” [getuige 1] heeft het appje aan de verhorende verbalisant getoond. Na het ontvangen van dit appje heeft [getuige 1] gebeld met [slachtoffer] . [slachtoffer] vertelde hem toen dat ze met verdachte mee naar huis was gegaan. Dat daar dingen waren gebeurd. Dat ze zich daar niet fijn bij voelde. Dat ze wilde weglopen uit de situatie. Dat ze naar huis was gegaan en erg was geschrokken. Er was wel iets tussen hen gebeurd. [slachtoffer] klonk daarbij verdrietig en geschrokken.
[getuige 1] heeft [slachtoffer] gezegd dat hij contact zou opnemen met [getuige 2] , die namens een ontwikkelbedrijf dat mensen op de werkvloer begeleidt, de begeleider van [slachtoffer] bij [winkel] was. Omdat [getuige 2] niet opnam, heeft hij op maandag 4 maart 2024 [getuige 2] weer gebeld en met hem afgesproken. [slachtoffer] heeft die maandag op het werk bij [winkel] haar verhaal gedaan tegenover [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] en [getuige 2] hadden aan [slachtoffer] gevraagd of er ook sprake was geweest van seks maar ze zei van niet.
Daarna hebben ze verdachte opgehaald en hem geconfronteerd met de verklaring van [slachtoffer] . Verdachte zei: “dom geweest, dom geweest” en hij gooide zijn medicijnen op tafel. “Dom geweest en dom geweest [slachtoffer] , familie, zoon en vrouw. Dom geweest dom geweest.” Hij sprak alles door elkaar. Hij heeft gezegd dat hij met [slachtoffer] naar het huis van een vriend van hem was geweest. Verdachte erkende wat [slachtoffer] had verteld.
[getuige 2] heeft verklaard dat ze naar aanleiding van [slachtoffer] appje en het telefoongesprek van haar met [getuige 1] met [slachtoffer] om de tafel zijn gegaan. [slachtoffer] deed direct haar hele verhaal. Dat verdachte haar had gevraagd of ze met hem mee wilde om wat te drinken en dat ze dat gewoon wilde als collega’s onder elkaar. Verdachte had haar toen meegenomen naar de woning van een vriend van verdachte. Ze dronken daar samen een colaatje en na 5 of 10 minuten ging verdachte aan haar zitten. Zoals [slachtoffer] het aangaf had verdachte met zijn hand in haar broek en achter haar slipje aan de achterzijde aan haar billen gezeten. En dit
zou hij ook aan de voorzijde gedaan hebben. [slachtoffer] vertelde dat hij achter haar aan de voorzijde met zijn hand haar geslachtsdeel hebben betast. Ze had vijf tot zes keer aangegeven dat ze dat niet wilde, maar hij ging toch door. Uiteindelijk had hij haar bij het station afgezet en daar had hij tegen haar gezegd dat alle mannen seks willen. Daarna is verdachte van de werkvloer gehaald. Verdachte was emotioneel en aan het huilen. Toen zei verdachte dat hij dom was geweest met [slachtoffer] . Toen [getuige 2] vroeg wat er was gebeurd, kwam verdachte niet goed uit zijn woorden. [getuige 2] heeft toen alles wat [slachtoffer] haar had verteld, aan verdachte verteld, en gevraagd of het klopte. Verdachte zei steeds “Ja, klopt”.
Verdachte heeft bij de politie bevestigd dat hij [slachtoffer] heeft meegenomen naar het huis van een vriend. Het leek hem beter om naar die woning te gaan, omdat het een klein dorp is en niemand ze dan zou zien. In de woning heeft hij [slachtoffer] aangeraakt op haar buik en ook op andere delen.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] ook aan de borsten heeft aangeraakt en dat hij begon met haar aan te raken. Verdachte heeft ook verklaard dat [slachtoffer] twee keer heeft gezegd dat hij moest stoppen.
Gelet op de verklaringen van de getuigen en verdachte en gelet op het feit dat [slachtoffer] diezelfde middag van het feit nog via whatsapp en telefonisch aan [getuige 1] , kennelijk overstuur, heeft laten weten dat er iets was gebeurd tussen haar en verdachte, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer] in ieder geval over de kleding heeft betast aan haar borsten, billen en vagina of schaamstreek.
Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] heeft gevraagd zijn geslachtsdeel aan te raken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat verder in het midden blijven, omdat alleen vragen geen aanranding oplevert. Verdachte zal van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte [slachtoffer] door een andere feitelijkheid gedwongen tot het dulden van die handelingen, namelijk door haar onverhoeds te betasten en daarmee te overrompelen, en niet meteen te stoppen toen [slachtoffer] dat vroeg. Daarbij speelt mee dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft en dat verdachte meer dan 30 jaar ouder is dan [slachtoffer] , waardoor het voor [slachtoffer] moeilijker zal zijn geweest weerstand te bieden, gelet op verdachtes daaruit voortvloeiende psychische overwicht.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 1 maart 2024 te [plaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het (over de kleding heen) betasten van de vagina/schaamstreek en/of billen en/of
borsten van die [slachtoffer] en/of
- het vragen aan die [slachtoffer] of zij zijn, verdachtes, geslachtsdeel wil aanraken/voelen
en/of
- het kussen en/of tongzoenen van die [slachtoffer] ,
waarbij dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die
andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte voornoemde ontuchtige handeling onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer] hiermee heeft overrompeld.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat in geval van een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke taakstraf wordt opgelegd eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft een veel jongere collega met een verstandelijke beperking aangerand door haar te betasten. Dat is een ernstig feit. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten hebben over het algemeen grote impact op de slachtoffers, die daarvan vaak nog langere tijd last kunnen ondervinden. Bij het bepalen van de straf zoekt de rechtbank aansluiting bij wat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd. Alles in aanmerking genomen zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen van 80 uur en een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in verzekering heeft gezeten.
De rechtbank acht oplegging van een voorwaardelijk deel van de op te leggen straf niet nodig, omdat zij geen reëel gevaar voor herhaling ziet.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 65,00 aan materiële schade en
€ 2.500,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft verzocht de materiële schade te matigen, omdat niet blijkt wanneer de kleding is aangeschaft en welk afschrijvingspercentage moet worden toegepast.
Ten aanzien van de immateriële schade stelt de verdediging dat die niet is onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
Ten aanzien van de materiële schade: het gevorderde bedrag is onderbouwd, waarbij rekening is gehouden met afschrijving, en komt de rechtbank redelijk voor, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade: dergelijke schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan zonder medische onderbouwing in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat zedendelicten een ernstige inbreuk op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers opleveren.
Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken plegen toe te wijzen, zal een smartengeld van € 1.000,- worden toegekend. De beoordeling van de vordering voor het overige gedeelte brengt een onevenredige belasting van het strafproces met zich, zodat de benadeelde partij voor dat gedeelte niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Verdachte is vanaf 1 maart 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22b, 22c, 22d, 27, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 65,- aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij een bedrag te betalen van € 1.065,- aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 21 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Ouweneel (voorzitter), mr. L.J. Saarloos en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 januari 2025.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ONRBC24220, gesloten op 5 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte, p. 13.
Proces-verbaal uitwerking studioverhoor, p. 22-25.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p. 39-40.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 33-34.
Processen-verbaal van verhoor verdachte, p. 64, 70-71.
Verklaring verdachte ter terechtzitting.