Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2025:547
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,808 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6339
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen
[B.V.] . uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van maatwerkvoorschriften voor het aspect geluid voor Hotel Restaurant [naam 2] aan [locatie] te [plaats] .
1.1.
Met het bestreden besluit van 30 augustus 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften voor het aspect geluid voor de horeca-inrichting Hotel Restaurant [naam 2] aan [locatie] (hierna: de horeca-inrichting) te [plaats] . In de voorschriften is, kortgezegd, bepaald dat als in de horeca-inrichting muziek ten gehore wordt gebracht gebruik moet worden gemaakt van een geluidbegrenzer. De rechtbank beoordeelt het besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres exploiteert sinds 2017 op [locatie] , te [plaats] een hotel, restaurant, grand café, alsmede een evenementenlocatie voor zakelijke bijeenkomsten en feesten onder de naam ‘ [naam 2] ’. Eiseres is tevens eigenaar van het daar tegenovergelegen gebouw aan de [plaats] . Op 30 juni 2022 heeft het college aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een woning in dit pand. Tot die tijd was het gebouw in gebruik als kantoorpand. Ten behoeve van de omgevingsvergunning heeft eiseres een akoestisch onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf] . Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is in de omgevingsvergunning het voorschrift opgenomen dat de nieuw te realiseren woning niet in gebruik mag worden genomen voordat maatwerkvoorschriften voor geluid ten behoeve van de horeca-inrichting zijn vastgesteld, in werking zijn en zijn uitgevoerd. Tegen dit voorschrift in de omgevingsvergunning heeft eiseres geen beroep ingesteld.
5. Bij besluit van 12 juli 2022 heeft het college aan de horeca-inrichting op basis van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) drie maatwerkvoorschriften opgelegd (hierna: de maatwerkvoorschriften). Te weten:
1. Indien muziek ten gehore wordt gebracht in de inrichting moet gebruik worden gemaakt van een geluidbegrenzer.
2. De geluidbegrenzer moet zodanig door of namens de inrichtinghouder zijn afgesteld, dat het geluidvermogen van de luidsprekers in de betreffende ruimte(n) niet meer bedraagt dan 81 dB(A) in de dagperiode (07.00-19.00 uur), 76 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00 uur) en 71 dB(A) in de nachtperiode (23.00-07.00 uur).
3. De voorschriften 1 en 2 zijn niet van toepassing op incidentele en collectieve festiviteiten binnen de inrichting, waarvoor op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening een afzonderlijke ontheffing is verleend, zoals bedoeld in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit.
6. Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen bezwaar aangetekend. Met het besluit van 30 augustus 2023 is het college bij dit besluit gebleven, waarna eiseres beroep heeft ingesteld.
Is de woning een dienst- of bedrijfswoning?
7. Eiseres voert aan dat de woning een bedrijfswoning is en daarmee geen bescherming toekomt. Eiseres heeft in bezwaar een aantal documenten overgelegd, waaronder arbeidsovereenkomsten en een huurovereenkomst winkelruimte en woning waaruit, volgens eiseres, volgt dat de woning onderdeel uitmaakt van de inrichting. Eiseres voert verder nog aan dat zij diverse malen bij het college heeft verzocht om de planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, maar dat tot op heden het college hierop niet inhoudelijk heeft gereageerd.
7.1.
Op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in een gevoelig gebouw niet meer bedragen dan 50 dB(A) in de periode tussen 07:00 en 19:00 uur, 45 dB(A) in de periode tussen 19:00 en 23:00 uur en 40 dB(A) in de periode tussen 23:00 uur en 07:00 uur.
In artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit staat dat voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008 het Besluit horeca, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer of het Besluit woon- en verblijfgebouwen milieubeheer van toepassing was, zijn de waarden uit artikel 2.17 niet van toepassing op de gevel van onderscheidenlijk in een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de begrippen ‘dienstwoning’ en ‘bedrijfswoning’ in het Activiteitenbesluit niet zijn gedefinieerd. In de Nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit staat dat met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit niet is beoogd geluidsbescherming te bieden aan dienst- of bedrijfswoningen die onder het Besluit horeca-inrichtingen geen geluidsbescherming genoten. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld is bij de vraag of het gaat om een burgerwoning dan wel een dienst- of bedrijfswoning in dit opzicht niet de planologische status van het object doorslaggevend, maar het feitelijk gebruik dat hiervan wordt gemaakt. Dit betekent dat het feitelijk gebruik van de nieuw te realiseren woning van eiseres bepalend is voor het antwoord op de vraag of deze als dienst- of bedrijfswoning kwalificeert.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een dienst- of bedrijfswoning. Dit betekent dat de geluidswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit op de woning van toepassing zijn. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de nieuw te realiseren woning en de inrichting beiden over een apart adres (straat en huisnummer) beschikken, ook hebben ze afzonderlijke toegangen. Verder is niet gebleken dat bewoning door de door eiseres genoemde personen van belang is voor een goede exploitatie van de inrichting. De enkele omstandigheid dat deze personen in dienst zijn bij de exploitatie van eiseres, al dan niet in de hoedanigheid van beheerder/toezichthouder en het gegeven dat de huurovereenkomst eindigt als de functie eindigt, is daartoe onvoldoende. Deze documenten zeggen hooguit iets over de (arbeids-)relatie tussen de betrokken personen en eiseres. Zij tonen niet aan dat bewoning noodzakelijk is voor een goede exploitatie. De overgelegde huurcontracten tonen dit evenmin aan. De beroepsgrond slaagt niet.
Dat het college nog niet heeft gereageerd op het verzoek van eiseres om een planologische wijziging door te voeren waarbij de woning planologisch de bestemming ‘bedrijfswoning’ krijgt, maakt, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 7.2 heeft overwogen, dan ook geen verschil.
Heeft het college de maatwerkvoorschriften in redelijkheid kunnen opleggen?
8. Eiseres voert aan dat de maatwerkvoorschriften ten onrechte aan haar zijn opgelegd omdat er geen klachten zijn van de bewoners van de woning aan de Beenengang
8.1.
Op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegde gezag bij maatwerkvoorschriften bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht moeten worden genomen om aan geldende geluidsnormen te voldoen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft het college hierbij beleidsruimte. Dat betekent dat het college bepaalt of hij van zijn bevoegdheid om maatwerkvoorschriften op te leggen gebruik maakt of niet. Als wordt besloten tot het stellen van maatwerkvoorschriften, heeft het college verder een zekere beoordelingsruimte bij het vaststellen van wat nodig is ter bescherming van het milieu.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat het rapport van [bedrijf] in opdracht van eiseres is opgesteld ten behoeve van de beoogde wijziging van het gebruik van het pand van ‘kantoor’ naar ‘wonen’. Het beoordelingskader hiervoor is ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dit toetsingskader is breder dan het toetsingskader voor het stellen van maatwerkvoorschriften. Daarvoor geldt het Activiteitenbesluit. Hierin zijn in artikel 2.17 grenswaarden opgenomen met betrekking tot geluid.
Conclusie
10. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het college de maatwerkvoorschriften in redelijkheid aan eiseres heeft kunnen opleggen. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. van Riel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 Wabo in samenhang met artikel 4, onder 9, van bijlage II behorende bij het Bor.
Stb. 2007, 415, pag. 294-295.
Zie hiervoor de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2235.
Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6612.