Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-06-25
ECLI:NL:RBGEL:2025:4992
Civiel recht
Eerste aanleg - meervoudig
8,163 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/364568 / HZ ZA 20-18
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. R.C.K. van Andel,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. B.S. ten Kate,
alsmede
OLIEHANDEL NEDERLAND B.V.,
te Harderwijk,
tussenkomende partij,
hierna te noemen: OHN,
advocaat: mr. W.E.J. van der Werf .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025 (hierna: het tussenvonnis)- de akte eiser na tussenvonnis van de Staat.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
2De verdere beoordeling
Het tussenvonnis
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de door OHN gemaakte kosten van [bedrijf 1] tot een bedrag van in totaal € 6.311,37 inclusief btw in aanmerking komen voor vergoeding door de Staat.
2.2.
Over de – bij antwoordakte vermindering van eis tevens houdende overlegging productie in het geding gebrachte – declaraties van [bedrijf 2] heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. De kosten van [naam 1] kunnen de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan en komen dus niet voor vergoeding in aanmerking. Ook de declaraties van 28 november 2022 en 10 juli 2023 moeten in mindering worden gebracht op de door de Staat te vergoeden kosten. De declaraties van 8 december 2020, 19 april 2021 en 25 mei 2021 komen wel voor vergoeding in aanmerking.
2.3.
De rechtbank stelt bij nader inzien vast dat haar oordeel in het tussenvonnis (onder 2.17) dat de declaraties van 19 april 2021 en 25 mei 2021 (geheel) toewijsbaar zijn zich niet verdraagt met haar oordeel in het tussenvonnis (onder 2.14) dat de kosten van [naam 1] niet voor vergoeding in aanmerking komen. Met deze facturen zijn immers ook kosten van [naam 1] in rekening gebracht. De rechtbank komt daarom gedeeltelijk terug van haar beslissing over de toewijsbaarheid van deze beide declaraties, in zoverre dat deze declaraties uitsluitend voor vergoeding door de Staat in aanmerking komen voor zover zij betrekking hebben op de kosten van [naam 2] en [naam 3] .
2.4.
De Staat had nog niet kunnen reageren op de declaraties van 9 januari 2025, 20 februari 2025 en 12 maart 2025 die OHN bij haar antwoordakte reactie kostenopgave in het geding had gebracht. De rechtbank heeft daarom de zaak naar de rol verwezen om de Staat in de gelegenheid te stellen alsnog op die declaraties te reageren. De Staat heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
De declaraties van [bedrijf 2] van 9 januari 2025, 20 februari 2025 en 12 maart 2025
Uren [naam 2] en [naam 1]
2.5.
Ten aanzien van de uren van [naam 2] en [naam 1] in deze drie declaraties voert de Staat het volgende aan. Het gaat in totaal om 3,1 uren van [naam 2] en 12,9 van [naam 1] . De Staat concludeert hieruit dat [naam 1] de behandeling van deze zaak in een laat stadium van [naam 2] heeft overgenomen. De Staat vindt het niet redelijk dat de extra kosten die het gevolg zijn geweest van deze overdracht en de extra kosten die samenhangen met het feit dat beide advocaten zich met deze kwestie zijn blijven bezighouden ten laste van de Staat worden gebracht. Gelet hierop meent de Staat dat de kosten van [naam 2] niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat de kosten van [naam 1] moeten worden gematigd tot € 4.100,00 exclusief btw (10 uren à € 410,00).
2.6.
De rechtbank gaat hierin mee voor zover het de kosten van [naam 2] betreft. Deze kosten komen niet voor vergoeding door de Staat in aanmerking. Niet duidelijk is of [naam 1] de zaak heeft overgenomen van [naam 2] , zoals de Staat veronderstelt, of dat beide advocaten grotendeels gelijktijdig bemoeienis met de onteigening hebben gehad. [naam 2] is volgens de declaraties wel eerder gestopt met zijn werkzaamheden. In ieder geval is niet gebleken dat het noodzakelijk of redelijk was dat zowel [naam 2] als [naam 1] werkzaamheden in deze zaak verrichtten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Staat alleen de kosten van [naam 1] moet vergoeden. De rechtbank ziet in hetgeen de Staat aanvoert geen aanleiding deze kosten te matigen. Het gaat om een bedrag van € 5.196,00 exclusief btw (6,2 uren à € 395,00 = € 2.449,00 en 6,7 uren à € 410,00 = € 2.747,00) oftewel € 6.287,16 inclusief btw. Dit komt tot uitdrukking in de tabel hierna onder 2.10.
Kosten voor onderhanden werk en afwikkeling
2.7.
Ten aanzien van de kosten voor onderhanden werk en afwikkeling voert de Staat het volgende aan. De Staat had (in haar akte eiser reactie kostenopgave van 12 februari 2025) ingestemd met een bedrag van € 5.000,00 voor onderhanden werk en verdere afwikkeling na 29 november 2024. Dat bedrag is volgens OHN (in haar antwoordakte reactie kostenopgave van 19 maart 2025) opgelopen doordat bij OHN overleg heeft plaatsgevonden over de mogelijkheden van een minnelijke regeling. In haar akte eiser na tussenvonnis van 28 mei 2025 voert de Staat aan dat die minnelijke regeling betrekking had op een door OHN gesteld recht op nadeelcompensatie en een door de Staat gestelde vordering vanwege het feit dat OHN gedurende een jaar gebruik heeft gemaakt van gronden van de Staat zonder daarvoor een vergoeding te betalen. De door OHN in deze procedure verlangde kostenvergoeding was in dat overleg van marginaal belang, aldus de Staat. Omdat OHN, anders dan zij meedeelt in haar antwoordakte reactie kostenopgave van 19 maart 2025, geen overzicht van het onderhanden werk in het geding heeft gebracht, kan de Staat niet de redelijkheid van de omvang van dit onderhanden werk vaststellen. Het lijkt de Staat niet mogelijk en ook niet wenselijk om de kosten van afwikkeling P.M. te begroten. De kosten voor onderhanden werk en afwikkeling moeten volgens de Staat worden begroot op € 4.000,00 exclusief btw.
2.8.
Bij gebreke van het door OHN aangekondigde overzicht van het onderhanden werk kan de rechtbank evenmin als de Staat de redelijkheid van de omvang van dit onderhanden werk vaststellen. Ook kan de rechtbank de kosten van afwikkeling niet P.M. begroten. De Staat is in haar akte eiser reactie kostenopgave van 12 februari 2025 akkoord gegaan met een bedrag van € 5.000,00 voor onderhanden werk en verdere afwikkeling. De rechtbank ziet niet in waarom dit bedrag volgens de Staat nu € 1.000,00 lager zou moeten uitvallen dan het bedrag waarmee de Staat eerder akkoord is gegaan. De rechtbank zal de vergoeding voor onderhanden werk en afwikkeling dan ook vaststellen op € 5.000,00 exclusief btw (€ 6.050,00 inclusief btw).
Conclusie
2.9.
Zowel in het voorgaande als in het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld over de declaraties van [bedrijf 2] waartegen de Staat expliciet bezwaar heeft gemaakt. De declaraties waartegen de Staat niet expliciet heeft geprotesteerd, komen als onweersproken voor vergoeding door de Staat in aanmerking.
2.10.
Gezien het voorgaande en gelet op wat de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen komen de declaraties van [bedrijf 2] als volgt voor vergoeding door de Staat in aanmerking:
datum declaratie
advocaat
uren
tarief
bedrag excl. btw
bedrag incl. btw
17-12-2019
[naam 2]
4,0
€ 325,00
€ 1.300,00
€ 1.573,00
7-1-2020
[naam 2]
9,6
€ 325,00
€ 3.120,00
€ 3.775,20
11-2-2020
[naam 2]
16,8
€ 330,00
€ 5.544,00
€ 6.708,24
[naam 4]
16,6
€ 185,00
€ 3.071,00
€ 3.715,91
Totaal
€ 8.615,00
€ 10.424,15
5-3-2020
[naam 2]
0,8
€ 330,00
€ 264,00
€ 319,44
Onbelaste verschotten
€ 656,00
€ 656,00
(excl. btw)
Belaste verschotten
€ 225,00
€ 272,25
Totaal
€ 1.145,00
€ 1.247,69
6-4-2020
[naam 2]
2,6
€ 325,00
€ 845,00
€ 1.022,45
7-4-2020
[naam 2]
0,2
€ 330,00
€ 66,00
€ 79,86
[naam 4]
1,0
€ 185,00
€ 185,00
€ 223,85
Totaal
€ 251,00
€ 303,71
7-5-2020
[naam 2]
1,9
€ 330,00
€ 627,00
€ 758,67
8-6-2020
[naam 2]
0,4
€ 330,00
€ 132,00
€ 159,72
15-7-2020
[naam 2]
8,2
€ 330,00
€ 2.706,00
€ 3.274,26
[naam 3]
21,7
€ 185,00
€ 4.014,50
€ 4.857,55
Totaal
€ 6.720,50
€ 8.131,81
14-9-2020
[naam 2]
0,1
€ 330,00
€ 33,00
€ 39,93
14-10-2020
[naam 2]
0,8
€ 330,00
€ 264,00
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt de Staat om aan OHN te betalen de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 74.578,46 inclusief btw en inclusief griffierecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. K.H.A. Heenk en mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
JE/Vg/KH/Ma
Conclusie
€ 319,44
[naam 3]
0,3
€ 185,00
€ 55,50
€ 67,16
Totaal
€ 319,50
€ 386,60
16-11-2020
[naam 2]
0,4
€ 330,00
€ 132,00
€ 159,72
[naam 5]
0,2
€ 300,00
€ 60,00
€ 72,60
Totaal
€ 192,00
€ 232,32
8-12-2020
[naam 2]
21,3
€ 330,00
€ 7.029,00
€ 8.505,09
[naam 5]
1,7
€ 300,00
€ 510,00
€ 617,10
[naam 6]
1,5
€ 290,00
€ 435,00
€ 526,35
Totaal
€ 7.974,00
€ 9.648,54
11-1-2021
[naam 2]
5,8
€ 330,00
€ 1.914,00
€ 2.315,94
Onbelaste verschotten
€ 2,95
€ 2,95
(excl. btw)
Totaal
€ 1.916,95
€ 2.318,89
8-3-2021
[naam 2]
1,0
€ 330,00
€ 330,00
€ 399,30
[naam 7]
0,1
€ 290,00
€ 29,00
€ 35,09
Totaal
€ 359,00
€ 434,39
19-4-2021
[naam 2]
4,5
€ 330,00
€ 1.485,00
€ 1.796,85
25-5-2021
[naam 2]
2,9
€ 330,00
€ 957,00
€ 1.157,97
[naam 3]
0,4
€ 200,00
€ 80,00
€ 96,80
Totaal
€ 1.037,00
€ 1.254,77
21-6-2021
[naam 2]
0,6
€ 330,00
€ 198,00
€ 239,58
19-7-2021
[naam 2]
1,7
€ 330,00
€ 561,00
€ 678,81
11-10-2021
[naam 2]
1,5
€ 330,00
€ 495,00
€ 598,95
[naam 6]
1,5
€ 290,00
€ 435,00
€ 526,35
Totaal
€ 930,00
€ 1.125,30
2-5-2022
Conclusie
[naam 2]
0,3
€ 345,00
€ 103,50
€ 125,24
19-9-2022
[naam 2]
0,1
€ 345,00
€ 34,50
€ 41,75
9-5-2023
[naam 2]
0,3
€ 375,00
€ 112,50
€ 136,13
18-9-2023
[naam 2]
0,5
€ 375,00
€ 187,50
€ 226,88
[naam 6]
0,2
€ 335,00
€ 67,00
€ 81,07
Totaal
€ 254,50
€ 307,95
11-12-2023
[naam 2]
0,9
€ 375,00
€ 337,50
€ 408,38
[naam 6]
0,8
€ 335,00
€ 268,00
€ 324,28
Totaal
€ 605,00
€ 732,66
23-4-2024
[naam 2]
6,8
€ 395,00
€ 2.686,00
€ 3.250,00
[naam 6]
0,6
€ 350,00
€ 210,00
€ 254,10
Totaal
€ 4.713,00
€ 3.504,10
13-5-2024
[naam 2]
0,7
€ 395,00
€ 276,50
€ 334,57
17-6-2024
[naam 2]
1,1
€ 395,00
€ 434,50
€ 525,75
10-10-2024
[naam 2]
1,0
€ 395,00
€ 395,00
€ 477,95
12-12-2024
[naam 2]
1,5
€ 395,00
€ 592,50
€ 716,93
9-1-2025
[naam 1]
6,2
€ 395,00
€ 2.449,00
€ 2.963,29
20-2-2025
[naam 1]
4,3
€ 410,00
€ 1.763,00
€ 2.133,23
12-3-2025
[naam 1]
2,4
€ 410,00
€ 984,00
€ 1.190,64
Kosten voor onderhanden werk
€ 5.000,00
€ 6.050,00
Totaal
€ 64.792,09
Slotoverwegingen
2.11.
Gezien het voorgaande is wegens kosten juridische bijstand een bedrag van in totaal € 71.103,46 inclusief btw (€ 6.311,37 inclusief btw [bedrijf 1] + € 64.792,09 inclusief btw [bedrijf 2] ) toewijsbaar. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van dit bedrag.
2.12.
In deze zaak is een kennelijke en evidente fout gemaakt bij het heffen van griffierecht.