Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-28
ECLI:NL:RBGEL:2025:4580
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,612 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05-164461-24; 05-150251-24
Datum uitspraak : 28 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat in Doorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlasteleggingen
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, onder parketnummer 05-164461-24 ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 15 mei 2024 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gerichten/of met zware mishandeling, door aan de broer van [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 2] , een brief af te geven met daarin onder andere de tekst: ‘Deze brief is de laatste die ik stuur voor ik je fucking ledematen eraf hak [slachtoffer 1] ’ en/of ‘Ik vermoord je of je krijgt kanker voor je 60 bent’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, van welke bedreiging [slachtoffer 1] op de hoogte is geraakt;
2.hij op of omstreeks 15 mei 2024 te [plaats] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 26 april 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door een brief af te leveren bij het bedrijf van [slachtoffer 2] , welke brief bestemd was voor [slachtoffer 1] ;
3.hij in of omstreeks de periode 1 mei 2022 tot en met 5 juni 2024 te Waal, gemeente Molenlanden en/of te Arnhem en/of te Veenendaal en/of [plaats] en/of te Wageningen,althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door:- die [slachtoffer 1] meermalen (anoniem) te bellen,- die [slachtoffer 1] meermalen e-mailberichten en/of brieven te sturen,- meermalen brieven langs te brengen bij de woning van die [slachtoffer 1] en/of bijwerkadressen van familieleden van die [slachtoffer 1] ,- reviews en/of berichten te plaatsen op de websites van de bedrijven van de vader en/of broer van die [slachtoffer 1] , en/of- meermalen (via social media) berichten te sturen naar vrienden en/of kennissen van die [slachtoffer 1] ,met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
4.hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 januari 2024 te [plaats] en/of te Veenendaal, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of metverkrachting, door een of meerdere brieven te sturen en/of af te geven met daarin (onder anderede teksten):- "Hé [slachtoffer 1] zin om een joint de draaien, die aan te steken om te gebruiken als aansteeklont voor een vuurwerkbom die ik richting jou, je ouders en je broertje gooi, want dat doen alle blowers toch?" en/of- "Ik voel me net zo'n gevangene die vast zit in de dodencel in Amerika. Mag ik je niet verkrachten en vermoorden [slachtoffer 1] ? Je bent toch niets waard zonder mij.", en/of- "Zin om na deze brief een euthanasie traject in te gaan alleen maar om jullie vanuit de hemel zelfmoord te zien plegen",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;5.hij op of omstreeks 15 maart 2024 te [plaats] en/of te Waal, gemeente Molenlanden, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op de website van het bedrijf van de broer van die [slachtoffer 1] een bericht te plaatsen met de tekst: "Euthanasie heb ik aangevraagd [slachtoffer 2] . Nu je zus nog, en misschien een andere haha",althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging/dreigende woorden voornoemde [slachtoffer 2] kennis heeft genomen;
6.hij op of omstreeks 18 april 2024 te Waal, gemeente Molenlanden en/of te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 2] , heeft aangeranddoor tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een of meerdere berichten te plaatsen op de openbare website van het bedrijf van die [slachtoffer 2] , inhoudende:
- " Je bent een pedofiel [slachtoffer 2] , net als je opa", en/of-"Je bent een pedofiel of je hebt je zus, mijn vrouw geneukt. Doei",althans woorden van gelijkende aard of strekking.
Aan verdachte is onder parketnummer 05-150251-24 ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 29 april 2024 te Waal, gemeente Molenlanden, althans in Nederland,opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 26 april 2024, gegeven door de officier van justitie te arrondissementsparket Oost-Nederland, kort weergegeven inhoudende (onder andere) dat hij, verdachte, geen direct of indirect contact mag hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , door op de website van het bedrijf van die [slachtoffer 2] een bericht te plaatsen met de tekst: "Ik ga je zus verkrachten [slachtoffer 2] ";
2.hij op of omstreeks 29 april 2024 te Waal, gemeente Molenlanden, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, te weten verkrachting, door op de website van het bedrijf van de broer van die [slachtoffer 1] een bericht te plaatsen met de tekst: "Ik ga je zus verkrachten [slachtoffer 2] ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging/dreigende woorden voornoemde [slachtoffer 2] kennis heeft genomen.
Overwegingen
Parketnummer 05-164461-24
Ten aanzien van feit 5 (vrijspraak)
Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft bedreigd door op de website van het bedrijf van haar broer het volgende bericht te plaatsen:
‘Euthanasie heb ik aangevraagd [slachtoffer 2] . Nu je zus nog, en misschien een ander haha’.
Vaststaat dat verdachte dit bericht heeft geplaatst en dat dit bericht [slachtoffer 1] ook heeft bereikt. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat sprake is van een bedreiging met een misdrijf zoals genoemd in het eerste lid van artikel 285 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze bedreiging moet van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.
Verdachte schrijft in zijn bericht dat hij euthanasie zal gaan aanvragen voor de zus van [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt dat hij hiermee [slachtoffer 1] bedoelt). De rechtbank is van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1] daarmee niet heeft bedreigd met een misdrijf zoals genoemd in het eerste lid van artikel 285 (oud) Sr (bijvoorbeeld een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling). Verdachte heeft in zijn bericht namelijk niet gedreigd om [slachtoffer 1] te doden. Verdachte kan een euthanasieverklaring niet jegens [slachtoffer 1] ten uitvoer leggen. Dat het woord ‘euthanasie’ bij [slachtoffer 1] schrik heeft aangejaagd is zonder meer voorstelbaar. Maar het bericht met dit woord is, ook in de omstandigheden van dit geval, niet van dien aard dat bij [slachtoffer 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte haar het leven zou ontnemen. De rechtbank acht het bericht van verdachte daarom niet bedreigend in de (juridische) betekenis die artikel 285 (oud) Sr hieraan geeft. Verdachte zal daarom van het tenlastegelegde onder feit 5 worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 6 (vrijspraak)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaad, door een of meerdere berichten te plaatsen op de openbare website van het bedrijf van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).
Niet ter discussie staat dat verdachte de tenlastegelegde uitspraken heeft verstuurd via het contactformulier op de website van het bedrijf van [slachtoffer 2] . De inhoud van deze berichten heeft naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een smadelijk karakter. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met deze gedragingen het kennelijke doel had om ruchtbaarheid te geven aan de uitspraken, zoals vereist is voor een veroordeling ter zake van smaad.
Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van ‘het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan. Wel moet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat die mededeling is gedaan met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.
De rechtbank stelt voorop dat zij op basis van het dossier niet kan vaststellen door wie de door verdachte ingevulde contactformulieren zijn ontvangen en of daarmee sprake was van een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden die de berichten heeft gezien. Een contactformulier wordt binnen een bedrijf doorgaans door één persoon geopend. Uit de verklaringen van verdachte leidt de rechtbank af dat hij met zijn berichten telkens het doel had om contact te krijgen met [slachtoffer 1] , de zus van [slachtoffer 2] en de ex-partner van verdachte. Verdachte heeft elke manier aangegrepen om contact met haar te zoeken. Dat verdachte met het invullen van de contactformulieren een ander doel had dan het bereiken van [slachtoffer 1] via haar broer, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat verdachte het kennelijke doel had om de berichten ter kennis van het publiek te brengen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder feit 6 ten laste gelegde smaad.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 286;
- gedragsaanwijzing d.d. 26 april 2024, p. 183-184;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2024.
Ten aanzien van feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 14-16;
- het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, p. 19;
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 286;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 80;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2024.
Ten aanzien van feit 4
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 1] , p. 30-31;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 46-47;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2024.
De periode
Ter terechtzitting is gebleken dat de ten laste gelegde bedreigingen door verdachte zijn geuit in een brief van januari 2023. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat de ten laste gelegde periode moet worden aangepast (ingekort) naar 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2024.
Vrijspraak (derde gedachtestreepje)
Ten aanzien van het derde gedachtestreepje van feit 4 op de tenlastelegging, merkt de rechtbank het volgende op. Verdachte schreef in zijn brief aan [slachtoffer 1] :
‘Zin om na deze brief een euthanasie traject in te gaan alleen maar om jullie vanuit de hemel zelfmoord te zien plegen’
Verdachte heeft erkend dat hij de genoemde tekst heeft verstuurd. Ook in dit geval – evenals onder feit 5 en om vergelijkbare redenen – heeft naar het oordeel van de rechtbank echter te gelden dat verdachte [slachtoffer 1] hiermee niet heeft bedreigd met een misdrijf zoals genoemd in het eerste lid van artikel 285 (oud) Sr. De rechtbank acht deze uitspraak van verdachte daarom niet bedreigend in de zin van artikel 285 (oud) Sr. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Parketnummer 05-150251-24
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 16-17;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , p. 26;
- gedragsaanwijzing d.d. 26 april 2024, p.
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie (primair) de oplegging van de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met last tot verpleging gevorderd. Verzocht is om de dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel te gelasten. Subsidiair heeft de officier van justitie de oplegging van de tot 4 jaar gemaximeerde tbs-maatregel met last tot verpleging gevorderd, alsmede de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM). Meer subsidiair is gevorderd om aan verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen en (daarnaast) de oplegging van een GVM. Daarbij wordt verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen. Ook wordt hierbij gevraagd om de oplegging van een contact- en locatieverbod ten aanzien van (de woonplaats van) het slachtoffer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest (tot aan de datum van de uitspraak), zodat verdachte zijn begeleiding bij Fivoor kan hervatten. Mocht de rechtbank een maatregel noodzakelijk achten, dan is de tbs-maatregel met voorwaarden het meest passend. De reclassering en de Pro Justitia-rapporteurs staan voorzichtig positief tegenover de haalbaarheid van deze maatregel en verdachte heeft aangegeven dat hij bereid is zich aan de voorwaarden te houden, ook als aan hem een gevangenisstraf wordt opgelegd die langer is dan de duur van het voorarrest. Tot slot heeft de raadsman verzocht om een eventuele maatregel niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Verdachte heeft inzicht getoond in zijn handelen en heeft spijt van wat er gebeurd is, zodat niet aan het criterium voor de oplegging hiervan wordt voldaan.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] . Gedurende deze periode belde hij haar veelvuldig, ook stuurde hij vele mails en brieven. Verdachte greep elke manier aan om contact met haar te zoeken. Toen [slachtoffer 1] aangaf dat niet te willen, begon verdachte met het uiten van bedreigingen. Ook probeerde hij contact met haar te krijgen via, onder meer, haar broer. Verdachte plaatste bedreigende en vervelende berichten over [slachtoffer 1] (en haar broer) in reviews op de website van de bedrijven van de broer en vader van [slachtoffer 1] . Ook plaatste hij berichten aan vrienden/kennissen van [slachtoffer 1] op social media. Zelfs na meerdere stopgesprekken met de politie en de oplegging van een gedragsaanwijzing met contactverbod, wist verdachte niet van ophouden. Dit moet voor [slachtoffer 1] zeer beangstigend zijn geweest, zoals zij ook in haar slachtofferverklaring op invoelbare wijze heeft verwoord. Verdachte heeft met zijn gedragingen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Zowel bij haar familie als bij zijn eigen familie heeft zijn gedrag tot grote zorgen geleid.
De persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte is een Pro Justitia-rapportage opgemaakt. Hierin hebben de psychiater, C.J.F. Kemperman (d.d. 23 september 2024), en de psycholoog, L.E.E. Ligthart (d.d. 26 augustus 2024), de volgende bevindingen neergelegd.
Advies van de psychiater
De psychiater beschrijft dat bij verdachte sprake is van een schizofrenie en drugsmisbruik (van wiet, cocaïne synthetische amfetamine-achtige/hallucinogene en opioïdemiddelen) in remissie. Bij verdachte is overduidelijk een reeds langer durend psychotisch beeld aan de orde wat heeft geleid tot een defectueus functioneren, een obsessionele gerichtheid op aangeefster en haar familie en een geneigdheid sterke prikkels te zoeken uit drugsgebruik, met name wiet en cocaïne. In de persoonlijkheid vallen borderline, narcistische en antisociale trekken op, maar het psychotisch beeld maakt een goede kijk op het al dan niet bestaan van een persoonlijkheidsstoornis niet goed mogelijk. De psychiater concludeert dat de bovengenoemde stoornissen tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten eveneens aan de orde waren, waarbij het drugsgebruik niet in remissie was. Verdachte verklaart zijn gedrag uit psychotische ideeën: [slachtoffer 1] bewijzen dat hij van haar houdt en zijn missie is er, nog steeds, richting de opa van het slachtoffer. Hij geeft aan dat als ze die opa in leven willen houden, dat hij hem beter niet tegen kan komen. Middelengebruik zorgde ervoor dat verdachte excessiever reageerde. Het tenlastegelegde – als bewezen verklaard – vloeit dan ook deels voort uit de psychotische overtuigingen. Verdachte weet dat het strafbaar is wat hij doet, maar doet het om het slachtoffer te laten zien hoeveel hij van haar houdt. Anderzijds weet hij dat hij door cocaïnegebruik excessief kan reageren, maar hij gaat daar wel mee door. De psychiater geeft aan dat er een sterke relatie bestaat tussen het delictgedrag en de stoornissen. Dit leidt tot het advies om alle ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico op voortgaand stalkinggedrag wordt door de psychiater ingeschat als hoog. Ditzelfde geldt voor de bedreiging met geweld. Er is een sterk verband met de stoornis, er is een patroon, de stoornis is van duurzame aard en copingvaardigheden om agressieve impulsen in andere adequatere banen te leiden zijn beperkt. Daarbij heeft behandeling ook niet geresulteerd in een betekenisvolle vermindering van de problemen. Verdachte houdt nog steeds van [slachtoffer 1] en wil haar terug. Om de kans op gebruik van geweld bij stalking in te schatten, zijn de zogenoemde ‘rode vlag’-items gescoord. Een positieve score op één van deze items telt direct als een hoog risico op gebruik van geweld. Verdachte scoort in ieder geval bij één ‘rode vlag’-item positief: hij is bekend met het gebruik van geweld en is veroordeeld voor oudermishandeling. Daarnaast zou er sprake kunnen zijn van een tweede ‘rode vlag’-item, te weten homicide ideatie. Dit item gaat over het willen ombrengen van (de opa van) het slachtoffer. Verdachte lijkt geen concrete plannen te hebben, maar in zijn bedreigingen geeft hij herhaaldelijk aan het slachtoffer of familieleden iets aan te willen doen. Er zijn evenwel geen duidelijke aanwijzingen dat hij het slachtoffer daadwerkelijk dood wil hebben. Op basis van het bovenstaande is de inschatting op het gebruik van geweld hoog.
Om dit recidivegevaar te kunnen beperken wordt geadviseerd om te starten met een klinische opname en toe te werken naar een beschermde woonvoorziening, waarin men kan omgaan met stalking bij een schizofrenie en middelenmisbruik gekoppeld aan een defectueus functioneren en een sociale deraillering. In het verleden vond behandeling plaats in het kader van een zorgmachtiging. Dit is niet effectief gebleken en deze maatregel is bovendien niet gericht op risicomanagement en recidivepreventie. Daarnaast is de zorgmachtiging te kort van duur voor de behandeling en begeleiding die verdachte nodig heeft. De psychiater vindt de oplegging van een zorgmachtiging daarom niet passend. De maatregel die dan overblijft is de tbs-maatregel (al dan niet met voorwaarden). Met deze maatregel zijn behandeling, begeleiding en follow-up gewaarborgd. Dat is niet het geval bij de oplegging van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Deze mogelijkheid valt daarom af. Geadviseerd wordt om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden. Dit is een beter kader voor deze moeilijk behandelbare problematiek die een lange adem vergt. Wanneer gaandeweg het onderzoekstraject toch blijkt dat verdachte zich niet aan voorwaarden kan en/of wil houden, dan komt eventueel een tbs-maatregel met last tot verpleging in aanmerking. Voordeel is dat de voortgang van een klinische behandeling dan niet afhankelijk is van verdachtes intrinsieke motivatie, dat hij niet onbehandeld blijft en dat vanuit de stabiliteit van een klinische behandeling aan risicovermindering, doelen en uiteindelijk het vinden van een passende woonvorm gewerkt kan worden.
Advies van de psycholoog
De psycholoog stelt (eveneens) vast dat bij verdachte sprake is van een schizofrenie spectrumstoornis, mogelijk mede veroorzaakt door middelengebruik. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van wiet, cocaïne en daarnaast diverse synthetische middelen (waaronder stimulantia en hallucinogenen), die nu waarschijnlijk gedwongen in remissie is. Daarnaast vallen paranoïde als schizotypische en borderline persoonlijkheidstrekken op. De psycholoog onderschrijft de conclusie van de psychiater dat de problematiek ook aanwezig was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Ook onderschrijft de psycholoog het advies om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en het risico op herhaling van het ontremde, grensoverschrijdende gedrag, gestuurd door (toekomstige) achterdochtige en psychotische waanideeën wordt ingeschat als hoog. De kans op bedreiging met geweld wordt gezien eerdere incidenten in de thuissituatie van verdachte en zijn uitspraken daarover bij soms waanachtige overtuigingen als verhoogd ingeschat.
Ten aanzien van mogelijke interventies om het recidivegevaar te kunnen beperken, beschrijft de psycholoog dat behandelingen van verdachte tot dusver niet het gewenste resultaat hebben gehad.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met de ten laste gelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 205,99 aan materiële schade en € 6.500,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente vanaf 5 juni 2024, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering tot materiële schade niet betwist. Ten aanzien van de immateriële schadevordering is verzocht het bedrag te matigen, gelet op de houding van verdachte en het feit dat hij spijt heeft betuigd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De gevorderde beveiligingskosten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en deze zijn door de verdediging ook niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 205,99 daarom in het geheel toewijzen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 6.500,00 aan immateriële schade gevorderd. Door de belaging is de benadeelde partij zonder meer op andere wijze in de persoon aangetast in de zin van art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank is van oordeel dat het genoemde bedrag door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist. De proceshouding van verdachte is namelijk geen factor die meeweegt bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 6.500 billijk, mede gelet op wat Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken toewijzen. Zij zal dit bedrag toewijzen.
Verdachte is vanaf 5 juni 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
De rechtbank ziet tot slot aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 184a, 285 (oud) en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 05-164461-24 onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
legt een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
Dictum
veroordeelt verdachte in verband met de ten laste gelegde feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 205,99 aan materiële schade en € 6.500,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 6.705,99 aan materiële schade en smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 68 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Moorman (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 januari 2025.
Mr. J.M. Moorman en mr. B. de Rooij zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024176589, gesloten op 10 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024200109, gesloten op 23 mei 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Overwegingen
19-21;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2024.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder
parketnummer 05-164461-24, feiten 1, 2, 3 en 4;
parketnummer 05-150251-24, feiten 1 en 2;
ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05-164461-24
1.hij op of omstreeks 15 mei 2024 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door aan de broer van [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 2] , een brief af te geven met daarin onder andere de tekst: ‘Deze brief is de laatste die ik stuur voor ik je fucking ledematen eraf hak [slachtoffer 1] ’ en/of ‘Ik vermoord je of je krijgt kanker voor je 60 bent’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, van welke bedreiging [slachtoffer 1] op de hoogte is geraakt;
2.hij op of omstreeks 15 mei 2024 te [plaats] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 26 april 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door een brief af te leveren bij het bedrijf van [slachtoffer 2] , welke brief bestemd was voor [slachtoffer 1] ;
3.hij in of omstreeks de periode 1 mei 2022 tot en met 5 juni 2024 te Waal, gemeente Molenlanden en/of te Arnhem en/of te Veenendaal en/of [plaats] en/of te Wageningen,althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door:- die [slachtoffer 1] meermalen (anoniem) te bellen,- die [slachtoffer 1] meermalen e-mailberichten en/of brieven te sturen,- meermalen brieven langs te brengen bij de woning van die [slachtoffer 1] en/of bijwerkadressen van familieleden van die [slachtoffer 1] ,- reviews en/of berichten te plaatsen op de websites van de bedrijven van de vader en/of broer van die [slachtoffer 1] , en/of- meermalen (via social media) berichten te sturen naar vrienden en/of kennissen van die [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
4.hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode 1 januari 20241 oktober 2023 tot en met 31 januari 2024 te [plaats] en/of te Veenendaal, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of metverkrachting, door een of meerdere brieven te sturen en/of af te geven met daarin (onder anderede teksten):- "Hé [slachtoffer 1] zin om een joint de draaien, die aan te steken om te gebruiken als aansteeklont voor een vuurwerkbom die ik richting jou, je ouders en je broertje gooi, want dat doen alle blowers toch?" en/of- "Ik voel me net zo'n gevangene die vast zit in de dodencel in Amerika. Mag ik je niet verkrachten en vermoorden [slachtoffer 1] ? Je bent toch niets waard zonder mij.", en/of- "Zin om na deze brief een euthanasie traject in te gaan alleen maar om jullie vanuit de hemel zelfmoord te zien plegen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Parketnummer 05-150251-24
1.hij op of omstreeks 29 april 2024 te Waal, gemeente Molenlanden, althans in Nederland,opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 26 april 2024, gegeven door de officier van justitie te arrondissementsparket Oost-Nederland, kort weergegeven inhoudende (onder andere) dat hij, verdachte, geen direct of indirect contact mag hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , door op de website van het bedrijf van die [slachtoffer 2] een bericht te plaatsen met de tekst: "Ik ga je zus verkrachten [slachtoffer 2] ";
2.hij op of omstreeks 29 april 2024 te Waal, gemeente Molenlanden, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, te weten verkrachting, door op de website van het bedrijf van de broer van die [slachtoffer 1] een bericht te plaatsen met de tekst: "Ik ga je zus verkrachten [slachtoffer 2] ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging/dreigende woorden voornoemde [slachtoffer 2] kennis heeft genomen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05-164461-24
feit 1:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling;
feit 2:
Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
feit 3:
Belaging;
feit 4:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en verkrachting;
Parketnummer 05-150251-24
feit 1:
Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
feit 2:
Bedreiging met verkrachting.
5De strafbaarheid van de feiten
Beoordeling
Als het gaat om de verslavingsproblemen is volgens de rapportage van Fivoor nog geen vooruitgang geboekt. Het is de psycholoog bij het onderzoek gebleken dat verdachte op zijn minst ambivalent staat ten aanzien van behandeling. Hij heeft weinig ziektebesef en -inzicht. Verdachte is daarnaast weinig medicatietrouw, hetgeen bij psychotische stoornissen essentieel is. Nu de eerder ingezette vormen van zorg niet mogelijk gebleken zijn (betrokkene recidiveerde tijdens de lopende zorgmachtiging), is verplichte zorg de enige mogelijkheid die rest om recidive te voorkomen. Gezien de gestapelde problematiek bij verdachte (een psychotische stoornis, fors middelengebruik en problematische persoonlijkheidstrekken) en de vele behandelingsaspecten die daarbij aan de orde dienen te komen (betrokkene motiveren voor medicatie, afzien van middelengebruik, toegeleiding tot werk en een relevante vrijetijdsbesteding, zelfstandig functioneren in een eigen woonsituatie, opstellen van een signaleringsplan om terugval te voorkomen) komt in dit verband in de ogen van de psycholoog een tbs-maatregel met voorwaarden, bestaande uit klinische behandeling in een forensische kliniek slechts in beeld. Wanneer betrokkene zich niet aan de gestelde voorwaarden wil of kan houden komt dan eventueel een tbs-maatregel met last tot verpleging in beeld. Voordeel van een dergelijke aanpak is dat de zo noodzakelijk behandeling niet meer afhankelijk is van verdachtes motivatie en er een stabiele behandelingsomgeving gecreëerd kan worden.
Rapport van de reclassering
Naar aanleiding van de adviezen zoals neergelegd in de Pro Justitia-rapportage, is door de reclassering een maatregelrapport opgesteld (d.d. 31 december 2024). Ook de reclassering beschrijft dat eerdere behandeltrajecten (vrijwillig en in het kader van een zorgmachtiging) onvoldoende effectief zijn gebleken. Op basis van diverse gesprekken met verdachte wordt geconstateerd dat hij nauwelijks blijk geeft van probleembesef en ziekte-inzicht. Dit maakt dat verdachte weinig gemotiveerd is voor gedragsverandering en behandeling, waardoor vraagtekens gezet kunnen worden bij de mate waarin verdachte zich over een langere tijdsspanne zal kunnen conformeren aan voorwaarden. Op basis van het voorgaande schat de reclassering het recidiverisico bij onbehandelde terugkeer in de maatschappij in als hoog. Door de Pro Justitia-rapporteurs wordt beschreven dat het behandelen van verdachtes problematiek ‘een lange adem vergt’. Gelet op de adviezen van de Pro Justitia-rapporteurs, komt de reclassering tot een voorzichtig positief advies over de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden. Hierbij heeft de reclassering overwogen dat verdachte zich bereid heeft verklaard om mee te werken aan de geadviseerde voorwaarden. Tevens is er vanuit GGZ Drenthe, weliswaar met enige terughoudendheid, aangegeven dat zij mogelijkheden zien om verdachte een delictpreventieve behandeling aan te bieden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Zoals benoemd constateert de reclassering echter ook dat verdachte nauwelijks blijk geeft van probleembesef en ziekte-inzicht, waardoor een intrinsieke motivatie voor gedragsverandering en behandeling grotendeels ontbreekt. Hierdoor wordt door de reclassering een hoog afbreukrisico gezien en is het niet ondenkbaar dat er op enig moment een omzetting naar een tbs-maatregel met last tot verpleging aan de orde is.
De reclassering adviseert verder om aan verdachte een GVM op te leggen als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte is gediagnosticeerd met schizofrenie. Deze stoornis is chronisch van aard en brengt blijvende beperkingen met zich mee die verdachte kwetsbaar maken voor psychotische ontregeling. Met name als verdachte niet adequaat is ingesteld op medicatie, onvoldoende medicatietrouw is en/of middelen gebruikt, is het risico op ontregeling groot. Om deze reden is de reclassering van mening dat verdachte zijn leven lang is aangewezen op een zekere mate van toezicht en zorg. Middels de oplegging van een GVM kunnen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden worden toegepast na de tbs of gevangenisstraf.
Toerekenbaarheid
Gelet op de inhoud van de rapportages van de psycholoog en de psychiater en de uitgebreide toelichting hierbij, concludeert de rechtbank dat sprake was van psychische problematiek bij verdachte, die ook aanwezig was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en die ook heeft doorgewerkt in zijn handelen. Verdachte wilde [slachtoffer 1] bewijzen dat hij van haar hield en het was (kort gezegd) zijn missie om haar te beschermen tegen haar opa. Nu het tenlastegelegde deels voortvloeide uit de psychotische overtuigingen van verdachte, zal de rechtbank het advies van de deskundigen overnemen en de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
De straf/maatregel
Tbs-maatregel
Op basis van de deskundigenrapportages constateert de rechtbank dat voor de complexe problematiek van verdachte een intensieve en langdurige behandeling noodzakelijk is om het hoge recidiverisico te kunnen inperken. De rechtbank volgt daarom het advies van de deskundigen om een tbs-maatregel aan verdachte op te leggen. Dit kan een tbs-maatregel met voorwaarden zijn, maar ook een tbs-maatregel met last tot verpleging. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden – zoals voorzichtig wordt geadviseerd door de deskundigen – volstaat. Zij overweegt hierover het volgende.
Bij de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden zal verdachte zich moeten gaan houden aan een fors kader met voorwaarden. Het slagen van deze maatregel is, zo beschrijven ook de deskundigen, afhankelijk van de motivatie van verdachte. Zowel de psycholoog als de reclassering beschrijven dat verdachte weinig ziekte- en probleeminzicht heeft, waardoor hij weinig gemotiveerd is tot gedragsverandering. Ook is hij niet medicatietrouw. Verdachte zet bovendien zijn middelengebruik voort, ondanks het feit dat hij weet dat het zijn gedrag negatief kan beïnvloeden en excessieve reacties kan veroorzaken.
Op de terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij wel een psychose heeft gehad, maar dat dit volgens hem kwam door zijn drugsgebruik. Ook heeft hij aangegeven dat hij van mening is dat hij geen stoornis heeft. Hij kan zich niet vinden in het advies om een tbs-maatregel aan hem op te leggen, want hij is van mening dat hij geen behandeling nodig heeft. Hij heeft eerder al een behandeling gehad. Als er al een probleem was, dan is dat probleem daarmee nu opgelost. Op de vraag of hij bereid zou zijn zich te houden aan voorwaarden waaronder ook een verplichte behandeling zou kunnen vallen, heeft verdachte aangegeven dat hij dit een hele lastige vraag vindt. Verdachte heeft verder aangegeven het niet noodzakelijk te vinden om te stoppen met het gebruik van wiet, omdat die drug hem nooit in de problemen heeft gebracht. Dat deskundigen aangeven dat het gebruik van wiet psychoses in de hand zou kunnen werken moge zo zijn, hij weet echt zeker dat dit bij hem niet het geval zal zijn.
Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat de motivatie en het ziekte- en probleeminzicht, die nu juist noodzakelijk zijn om de tbs-maatregel met voorwaarden te kunnen laten slagen, bij verdachte ontbreken. Al het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank verdachte niet in staat acht zich (langdurig) aan dit intensieve kader te conformeren. Daarbij weegt de rechtbank in sterke mate mee dat ook uit de deskundigenrapportages en het reclasseringsrapport serieuze twijfels naar voren komen over de haalbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden, gelet op de houding van verdachte.
Beoordeling
Het hoge recidiverisico (ook op geweld) in combinatie met de complexe problematiek van verdachte, leiden tot het oordeel van de rechtbank dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de maatregel van tbs met last tot verpleging eist. De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde stalking, maar ook de bewezenverklaarde bedreigingen misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor tbs mogelijk is. Daarnaast is sprake geweest van een stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten. Aan de vereisten voor oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging is daarmee voldaan.
Omdat de bewezenverklaarde feiten niet zijn aan te merken als misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, is de duur van de aan verdachte op te leggen tbs-maatregel krachtens artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht gemaximeerd tot vier jaren.
38z-maatregel
Verdachte lijdt aan meerdere stoornissen, waaronder schizofrenie. Gelet op de door de reclassering beschreven chronische aard van de laatstgenoemde stoornis, acht de rechtbank langdurig toezicht op verdachte noodzakelijk. Zij neemt daarom het advies van de reclassering over om aan verdachte een GVM als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr op te leggen. De rechtbank acht die maatregel noodzakelijk ter bescherming van anderen, dan wel ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen.
De maatregel houdt in dat verdachte onder intensief toezicht komt te staan en dat de resocialisatie is gebonden aan voorwaarden. Dit toezicht moet bijdragen aan het verminderen van recidive en daarmee nieuwe slachtoffers voorkomen. Pas aan het einde van de tbs-maatregel met last tot verpleging wordt bekeken of de toezichthoudende maatregel ten uitvoer moet worden gelegd. Op dat moment wordt ook pas door de rechter bepaald welke voorwaarden er worden opgelegd en wat de duur van de maatregel zal zijn. De maatregel wordt alleen ten uitvoer gelegd als dat op het moment van de feitelijke tenuitvoerlegging noodzakelijk is.
Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De reclassering adviseert het opleggen van de maatregel. Verdachte wordt ter beschikking gesteld als bedoeld in artikel 37a Sr en verdachte lijdt aan meerdere stoornissen, zoals eerder beschreven.
Nu de rechtbank komt tot oplegging van deze maatregel bestaat geen aanleiding tot oplegging van een contact- en/of locatieverbod zoals verzocht namens aangeefster,
Gevangenisstraf
De vraag is dan wat naast de oplegging van de tbs-maatregel (en de GVM) nog een passende straf is. Gezien de aard en ernst van de feiten, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen vindt de rechtbank daarnaast met name van belang dat de tbs behandeling zo spoedig mogelijk start. Rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte zal daarom een gevangenisstraf van 9 maanden dagen, met aftrek van het voorarrest, aan verdachte worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Nu aan verdachte een gevangenisstraf en de tbs-maatregel met last tot verpleging zijn opgelegd, bestaat er op dit moment geen aanleiding om aan verdachte ook een contact- en/of locatieverbod met het slachtoffer en/of haar omgeving op te leggen. Een contact- dan wel locatieverbod kan, indien wenselijk, te zijner tijd in het kader van de GVM worden opgelegd.