Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-06-13
ECLI:NL:RBGEL:2025:4548
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,094 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/8029, 23/8031, 23/8032 en 24/303
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 september 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, waarbij ook belastingrente in rekening is gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende en, namens de inspecteur, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .
Feiten
1. Belanghebbende is een besloten vennootschap. De enig aandeelhouder van belanghebbende is Stichting Administratiekantoor aandelen [belanghebbende] . Bestuurder van deze stichting is de heer [persoon D] .
2. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit advieswerkzaamheden op declaratiebasis. Verder heeft belanghebbende enkele leningen verstrekt aan de bestuurder [persoon D] en aan familieleden van de bestuurder. De omzet uit de advieswerkzaamheden is als volgt.
2017
€ 336
2018
€ 5.706
2019
€ 7.424
2020
€ 2.422
3. Belanghebbende beschikte in de jaren 2017 - 2020 over een effectenportefeuille, tegen vergoeding beheerd door ING Bank N.V. en Rabobank. De omvang van de portefeuille is als volgt.
2017
€ 1.386.404
2018
€ 1.295.645
2019
€ 1.578.721
2020
€ 669.196
4. Belanghebbende heeft in de jaren 2017 tot en met 2020 alle aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek gebracht. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur de voorbelasting met betrekking tot het vermogensbeheer van de effectenportefeuille volledig gecorrigeerd en heeft hij de voorbelasting op de algemene kosten voor 50% gecorrigeerd. De correcties hebben geleid tot de volgende naheffingsaanslagen.
Jaar
Vermogensbeheer
Overige kosten (50%)
Aansluitingsberekening
Totaal
2017
€ 3.003
€ 449
€ 3.452
2018
€ 2.423
€ 228
€ 2.651
2019
€ 2.082
€ 355
€ 177
€ 2.347
2020
€ 1.173
€ 396
€ 40
€ 1.609
Totaal
€ 8.681
€ 1.428
€ 217
€ 10.059
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente terecht en naar de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. In geschil is of belanghebbende recht op aftrek heeft van alle voorbelasting die betrekking heeft op het vermogensbeheer van de effectenportefeuille en op de algemene kosten. Indien dit niet het geval is, is in geschil wat de omvang is van de aftrekbare voorbelasting die betrekking heeft op de algemene kosten.
7. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op aftrek van de voorbelasting die toerekenbaar is aan het vermogensbeheer van de effectenportefeuille?
8. Belanghebbende voert aan dat sprake is van een enkele prestatie voor de heffing van de omzetbelasting, te weten het verrichten van advieswerkzaamheden. Deze prestatie is belast met omzetbelasting, zodat belanghebbende volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft. Belanghebbende voert aan dat zijn situatie vergelijkbaar is met de situatie zoals die zich heeft voorgedaan in de zaak welke heeft geleid tot de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020. Verder voert belanghebbende aan dat belanghebbende het beheerde vermogen aanhoudt ten behoeve van haar toekomstige verplichtingen, waaronder het voldoen van uitkeringen uit de oudedagsvoorziening. Voorts stelt belanghebbende dat zij het vermogen aanhoudt om (actief) mee te kunnen participeren in ondernemingen, dan wel borg te kunnen staan voor een klant waarvoor zij adviesdiensten verricht.
9. De inspecteur stelt dat het enkele houden van effecten, die niet dienstbaar zijn aan de ondernemersactiviteiten, voor de omzetbelasting niet wordt gezien als een economische prestatie. De inspecteur heeft betwist dat effectenportefeuille een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk is van de adviesdiensten. De voorbelasting op kosten die ziet op de niet-economische prestaties is niet aftrekbaar. De kosten die de banken in rekening brengen voor het vermogensbeheer zijn rechtstreeks toerekenbaar aan de niet-economische prestaties en daardoor in het geheel niet aftrekbaar, aldus de inspecteur.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) brengt een ondernemer in aftrek - onder andere - de aan hem in rekening gebrachte voorbelasting, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op belanghebbende rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat en in hoeverre zij recht heeft op aftrek van voorbelasting.
11. Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) zijn het enkele houden en de enkele verkoop van aandelen niet te beschouwen als een economische activiteit in de zin van de Btw-richtlijn. De loutere financiële deelneming in andere ondernemingen is immers niet aan te merken als de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, nu het eventuele dividend dat de opbrengst is van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed en geen tegenprestatie is voor enige economische activiteit in de zin van dezelfde richtlijn.
12. Ook volgt uit de vaste jurisprudentie van het HvJ dat voorbelasting aftrekbaar is als er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de in de eerdere stadia verrichte handelingen en de handelingen in een later stadium waarvoor een recht op aftrek bestaat. Een ondernemer heeft daarnaast ook recht op aftrek van voorbelasting, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Er is in dat geval immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen dergelijke kosten en de gehele economische activiteit van de ondernemer.
13. De rechtbank zal, gelet op het door het HvJ gegeven toetsingskader, beoordelen of de door belanghebbende gehouden effectenportefeuille een prestatie vormt voor de heffing van de omzetbelasting - dat wil zeggen: een economische activiteit - en of de daaraan toerekenbare voorbelasting (volledig) aftrekbaar is. Zij overweegt hiertoe als volgt.
14. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende met de door haar aangehouden effectenportefeuille bedrijfsmatig heeft gehandeld in effecten, dan wel zich (in)direct en tegen vergoeding heeft gemengd in haar deelnemingen. De stelling van belanghebbende dat de effectenportefeuille wordt aangehouden voor de adviesdiensten, de toekomstige participaties of borgstellingen, heeft belanghebbende niet onderbouwd met enig objectief gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet aannemelijk dat deze effectenportefeuille een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk vormt van (toekomstige) belastbare activiteiten van belanghebbende. Hieruit volgt dat het houden en verkopen van - stukken behorende tot - de effectenportefeuille een niet-economische activiteit vormt voor de heffing van de omzetbelasting. Belanghebbende verricht dan zowel economische activiteiten als niet-economische activiteiten. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat de aan de effectenportefeuille toerekenbare voorbelasting niet aftrekbaar is. Belanghebbende kan deze voorbelasting evenwel toch in aftrek brengen, wanneer deze kosten onderdeel uitmaken van haar algemene kosten. Hiervoor is vereist dat deze kosten moeten zijn opgenomen in de prijs van de door belanghebbende verrichte adviesdiensten. Door belanghebbende is niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat zulks het geval is. De rechtbank stelt verder vast dat de kosten voor het vermogensbeheer in elk van de jaren in de periode 2017 tot en met 2020 significant hoger waren dan de opbrengsten voortvloeiende uit de advieswerkzaamheden. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de kosten voor het vermogensbeheer (volledig) zijn opgenomen in de prijs van de door belanghebbende verrichte adviesdiensten. Zonder een dergelijke opname is er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen dergelijke kosten en de gehele economische activiteit van de belanghebbende.
15. Het beroep van belanghebbende op de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020 kan haar evenmin baten. In die zaak stond vast dat er geen sprake was van activiteiten waarvoor aftrek van voorbelasting is uitgesloten. Dat staat in de onderhavige zaak juist niet vast, omdat in geschil is of het houden van de effectenportefeuille wordt beschouwd als een niet-economische activiteit. Dit verschil brengt mee dat een beroep op de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor belanghebbende niet kan resulteren in een volledig recht op aftrek van voorbelasting.
16. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van voorbelasting met betrekking tot het vermogensbeheer van de effectenportefeuille. Dat betekent dat de inspecteur terecht de voorbelasting heeft nageheven welke direct en rechtstreeks toerekenbaar is aan het aanhouden van de effectenportefeuille (zie kolom 2 van de tabel in punt 4.). Hierna zal de rechtbank beoordelen of de inspecteur terecht het percentage van 50% heeft gehanteerd voor de aftrek van voorbelasting op algemene kosten.
Heeft de inspecteur terecht 50% van de voorbelasting gecorrigeerd op de algemene kosten?
17. Belanghebbende stelt dat de inspecteur per kostenpost moet analyseren of, en zo ja in welke mate, deze is toe te rekenen aan een eventuele niet-economische activiteit. Een generieke, forfaitaire breuk voldoet geenszins aan de eisen van objectiviteit, evenredigheid en concrete onderbouwing, aldus belanghebbende.
Conclusie
21. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wessels, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Omvang per 31 december van het desbetreffende jaar.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4147.
Zie onder andere HvJ 26 mei 2005, C-465/03, ECLI:EU:C:2005:320 (Kretztechnik), r.o. 19.
Zie onder andere HvJ 29 oktober 2009, C-29/08, ECLI:EU:C:2009:665 (AB SKF), r.o. 57.
Zie onder andere HvJ 29 oktober 2009, C-29/08, ECLI:EU:C:2009:665 (AB SKF), r.o. 58.
HvJ 13 maart 2008, C-437/06, ECLI:EU:C:2008:166 (Securenta), r.o. 30.
HvJ 8 mei 2019, C-566/17, ECLI:EU:C:2019:390 (Związek Gmin Zagłębia Miedziowego w Polkowicach).
HvJ 13 maart 2008, C-437/06, ECLI:EU:C:2008:166 (Securenta), r.o. 37.
ECLI:NL:HR:2012:BU1929.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/8029, 23/8031, 23/8032 en 24/303
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 september 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2017, 2018, 2019 en 2020 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, waarbij ook belastingrente in rekening is gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende en, namens de inspecteur, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .
Feiten
1. Belanghebbende is een besloten vennootschap. De enig aandeelhouder van belanghebbende is Stichting Administratiekantoor aandelen [belanghebbende] . Bestuurder van deze stichting is de heer [persoon D] .
2. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit advieswerkzaamheden op declaratiebasis. Verder heeft belanghebbende enkele leningen verstrekt aan de bestuurder [persoon D] en aan familieleden van de bestuurder. De omzet uit de advieswerkzaamheden is als volgt.
2017
€ 336
2018
€ 5.706
2019
€ 7.424
2020
€ 2.422
3. Belanghebbende beschikte in de jaren 2017 - 2020 over een effectenportefeuille, tegen vergoeding beheerd door ING Bank N.V. en Rabobank. De omvang van de portefeuille is als volgt.
2017
€ 1.386.404
2018
€ 1.295.645
2019
€ 1.578.721
2020
€ 669.196
4. Belanghebbende heeft in de jaren 2017 tot en met 2020 alle aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek gebracht. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur de voorbelasting met betrekking tot het vermogensbeheer van de effectenportefeuille volledig gecorrigeerd en heeft hij de voorbelasting op de algemene kosten voor 50% gecorrigeerd. De correcties hebben geleid tot de volgende naheffingsaanslagen.
Jaar
Vermogensbeheer
Overige kosten (50%)
Aansluitingsberekening
Totaal
2017
€ 3.003
€ 449
€ 3.452
2018
€ 2.423
€ 228
€ 2.651
2019
€ 2.082
€ 355
€ 177
€ 2.347
2020
€ 1.173
€ 396
€ 40
€ 1.609
Totaal
€ 8.681
€ 1.428
€ 217
€ 10.059
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente terecht en naar de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. In geschil is of belanghebbende recht op aftrek heeft van alle voorbelasting die betrekking heeft op het vermogensbeheer van de effectenportefeuille en op de algemene kosten. Indien dit niet het geval is, is in geschil wat de omvang is van de aftrekbare voorbelasting die betrekking heeft op de algemene kosten.
7. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op aftrek van de voorbelasting die toerekenbaar is aan het vermogensbeheer van de effectenportefeuille?
8. Belanghebbende voert aan dat sprake is van een enkele prestatie voor de heffing van de omzetbelasting, te weten het verrichten van advieswerkzaamheden. Deze prestatie is belast met omzetbelasting, zodat belanghebbende volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft. Belanghebbende voert aan dat zijn situatie vergelijkbaar is met de situatie zoals die zich heeft voorgedaan in de zaak welke heeft geleid tot de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020. Verder voert belanghebbende aan dat belanghebbende het beheerde vermogen aanhoudt ten behoeve van haar toekomstige verplichtingen, waaronder het voldoen van uitkeringen uit de oudedagsvoorziening. Voorts stelt belanghebbende dat zij het vermogen aanhoudt om (actief) mee te kunnen participeren in ondernemingen, dan wel borg te kunnen staan voor een klant waarvoor zij adviesdiensten verricht.
9. De inspecteur stelt dat het enkele houden van effecten, die niet dienstbaar zijn aan de ondernemersactiviteiten, voor de omzetbelasting niet wordt gezien als een economische prestatie. De inspecteur heeft betwist dat effectenportefeuille een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk is van de adviesdiensten. De voorbelasting op kosten die ziet op de niet-economische prestaties is niet aftrekbaar. De kosten die de banken in rekening brengen voor het vermogensbeheer zijn rechtstreeks toerekenbaar aan de niet-economische prestaties en daardoor in het geheel niet aftrekbaar, aldus de inspecteur.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) brengt een ondernemer in aftrek - onder andere - de aan hem in rekening gebrachte voorbelasting, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op belanghebbende rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat en in hoeverre zij recht heeft op aftrek van voorbelasting.
11. Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) zijn het enkele houden en de enkele verkoop van aandelen niet te beschouwen als een economische activiteit in de zin van de Btw-richtlijn. De loutere financiële deelneming in andere ondernemingen is immers niet aan te merken als de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, nu het eventuele dividend dat de opbrengst is van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed en geen tegenprestatie is voor enige economische activiteit in de zin van dezelfde richtlijn.
12. Ook volgt uit de vaste jurisprudentie van het HvJ dat voorbelasting aftrekbaar is als er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de in de eerdere stadia verrichte handelingen en de handelingen in een later stadium waarvoor een recht op aftrek bestaat. Een ondernemer heeft daarnaast ook recht op aftrek van voorbelasting, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Er is in dat geval immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen dergelijke kosten en de gehele economische activiteit van de ondernemer.
13. De rechtbank zal, gelet op het door het HvJ gegeven toetsingskader, beoordelen of de door belanghebbende gehouden effectenportefeuille een prestatie vormt voor de heffing van de omzetbelasting - dat wil zeggen: een economische activiteit - en of de daaraan toerekenbare voorbelasting (volledig) aftrekbaar is. Zij overweegt hiertoe als volgt.
14. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende met de door haar aangehouden effectenportefeuille bedrijfsmatig heeft gehandeld in effecten, dan wel zich (in)direct en tegen vergoeding heeft gemengd in haar deelnemingen. De stelling van belanghebbende dat de effectenportefeuille wordt aangehouden voor de adviesdiensten, de toekomstige participaties of borgstellingen, heeft belanghebbende niet onderbouwd met enig objectief gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet aannemelijk dat deze effectenportefeuille een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk vormt van (toekomstige) belastbare activiteiten van belanghebbende. Hieruit volgt dat het houden en verkopen van - stukken behorende tot - de effectenportefeuille een niet-economische activiteit vormt voor de heffing van de omzetbelasting. Belanghebbende verricht dan zowel economische activiteiten als niet-economische activiteiten. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat de aan de effectenportefeuille toerekenbare voorbelasting niet aftrekbaar is. Belanghebbende kan deze voorbelasting evenwel toch in aftrek brengen, wanneer deze kosten onderdeel uitmaken van haar algemene kosten. Hiervoor is vereist dat deze kosten moeten zijn opgenomen in de prijs van de door belanghebbende verrichte adviesdiensten. Door belanghebbende is niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat zulks het geval is. De rechtbank stelt verder vast dat de kosten voor het vermogensbeheer in elk van de jaren in de periode 2017 tot en met 2020 significant hoger waren dan de opbrengsten voortvloeiende uit de advieswerkzaamheden. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de kosten voor het vermogensbeheer (volledig) zijn opgenomen in de prijs van de door belanghebbende verrichte adviesdiensten. Zonder een dergelijke opname is er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen dergelijke kosten en de gehele economische activiteit van de belanghebbende.
15. Het beroep van belanghebbende op de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020 kan haar evenmin baten. In die zaak stond vast dat er geen sprake was van activiteiten waarvoor aftrek van voorbelasting is uitgesloten. Dat staat in de onderhavige zaak juist niet vast, omdat in geschil is of het houden van de effectenportefeuille wordt beschouwd als een niet-economische activiteit. Dit verschil brengt mee dat een beroep op de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor belanghebbende niet kan resulteren in een volledig recht op aftrek van voorbelasting.
16. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van voorbelasting met betrekking tot het vermogensbeheer van de effectenportefeuille. Dat betekent dat de inspecteur terecht de voorbelasting heeft nageheven welke direct en rechtstreeks toerekenbaar is aan het aanhouden van de effectenportefeuille (zie kolom 2 van de tabel in punt 4.). Hierna zal de rechtbank beoordelen of de inspecteur terecht het percentage van 50% heeft gehanteerd voor de aftrek van voorbelasting op algemene kosten.
Heeft de inspecteur terecht 50% van de voorbelasting gecorrigeerd op de algemene kosten?
17. Belanghebbende stelt dat de inspecteur per kostenpost moet analyseren of, en zo ja in welke mate, deze is toe te rekenen aan een eventuele niet-economische activiteit. Een generieke, forfaitaire breuk voldoet geenszins aan de eisen van objectiviteit, evenredigheid en concrete onderbouwing, aldus belanghebbende.
Conclusie
21. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wessels, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Omvang per 31 december van het desbetreffende jaar.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4147.
Zie onder andere HvJ 26 mei 2005, C-465/03, ECLI:EU:C:2005:320 (Kretztechnik), r.o. 19.
Zie onder andere HvJ 29 oktober 2009, C-29/08, ECLI:EU:C:2009:665 (AB SKF), r.o. 57.
Zie onder andere HvJ 29 oktober 2009, C-29/08, ECLI:EU:C:2009:665 (AB SKF), r.o. 58.
HvJ 13 maart 2008, C-437/06, ECLI:EU:C:2008:166 (Securenta), r.o. 30.
HvJ 8 mei 2019, C-566/17, ECLI:EU:C:2019:390 (Związek Gmin Zagłębia Miedziowego w Polkowicach).
HvJ 13 maart 2008, C-437/06, ECLI:EU:C:2008:166 (Securenta), r.o. 37.
ECLI:NL:HR:2012:BU1929.