Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-01
ECLI:NL:RBGEL:2025:4513
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/6534, ARN 23/6572 en ARN 23/6697
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
ARN 23/6534: [eiser 1] en [eiser 1], uit [plaats] , eisers 1
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1])
zaak ARN 23/6572:
[eiser 2]
, uit [plaats] , eiser 2
(gemachtigde: mr. M. de Buck-Hartman)
ARN 23/6697:
[eiser 3]
, uit [plaats] , eiser 3
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2])
gezamenlijk ook te noemen: eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde
(gemachtigden: [naam gemachtigde 3] en [naam gemachtigde 4]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. drs. M. Woestenenk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning met bedrijfsruimte aan de [locatie] in [plaats] (kadastraal bekend als [perceel]) ten behoeve van een combinatie van wonen en werken bij een mondzorgpraktijk. Eisers zijn het niet eens met deze door het college verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college op goede gronden de omgevingsvergunning in stand heeft gelaten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eisers tegen het herstelbesluit van 11 september 2024 ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk en hun beroepen zijn ongegrond. Hun beroepen tegen het oorspronkelijke besluit van 4 september 2023 zijn niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 22 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om de woning met bedrijfsruimte te kunnen bouwen. Het college heeft op 15 september 2022 in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning verleend en op 14 februari 2023 een besluit op bezwaar genomen waartegen beroep is ingesteld. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 april 2023 (ARN 23/796 en 23/1647) is onder meer het besluit op bezwaar vernietigd.
2.1.
Vervolgens heeft het college op 4 september 2023 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Met dit besluit heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten met wijziging van de grondslag van de omgevingsvergunning. Het college heeft gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 13.6 van de planregels in samenhang met bijlage 1 van het geldende bestemmingsplan. Ook heeft het college bij dit besluit een aanvullende ruimtelijke onderbouwing, een parkeerbijlage en een inrichtingsplan gevoegd.
2.2.
Hangende het beroep heeft het college op 11 september 2024 het besluit op bezwaar gewijzigd. Het college heeft de motivering over het parkeren en de verkeersintensiteit aangevuld en de parkeerbijlage laten vervallen, het inrichtingsplan vervangen door een nieuwe versie, een bijlage toegevoegd over de invulling van de bedrijvigheid en twee nieuwe voorschriften toegevoegd. De nieuwe voorschriften schrijven voor dat de mondzorgpraktijk maximaal twee behandelkamers heeft en maximaal een 40- urige werkweek verdeeld over de werkdagen maandag tot en met zaterdag tussen 8.00-20.00 uur is toegestaan.
2.3.
Eisers hebben aanvullende beroepsgronden ingediend tegen dit besluit van 11 september 2024.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 1 en hun gemachtigde, eiser 2 en zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college, en vergunninghouder en zijn gemachtigde.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden de omgevingsvergunning in stand heeft gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het herstelbesluit van 11 september 2024 is een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb. Nu dat besluit niet geheel aan het beroep tegemoet komt, hebben eisers belang bij het herstelbesluit van 11 september 2024 en heeft het beroep daarop mede betrekking.
Planologisch kader
5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Bedrijven- en sportterreinen [plaats] ’. Het perceel is bestemd voor ‘Wonen – Plus’ en ‘Tuin’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’. De voor ' Wonen - Plus ' aangewezen percelen zijn bestemd voor wonen, in combinatie met bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1) in de categorieën 1 tot en met 2. Er kan met toepassing van artikel 13.6 van de planregels worden afgeweken voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die niet zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten maar die gelet op de aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten. De omgevingsvergunning wordt dan enkel verleend als belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden niet in onevenredige mate worden geschaad, de verkeerssituatie niet in onevenredige mate negatief wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur. De strook met de bestemming ‘Tuin’ is aangewezen als een specifieke vorm van tuin waarin parkeren is uitgesloten.
Heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?
6. Eisers hebben beroepsgronden ingediend die zien op het afwegingskader van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 13.6 van het bestemmingsplan. Deze beroepsgronden kunnen in drie subvragen worden vervat, te weten:
A. Heeft het college kunnen besluiten dat een mondzorgpraktijk een gelijkwaardige bedrijfsactiviteit als bedoeld in bijlage 1 van het bestemmingsplan is?
B. Heeft het college kunnen besluiten dat de belangen van gebruikers/eigenaren van omliggende gronden niet onevenredig worden geschaad?
C. Heeft het college kunnen besluiten dat de verkeerssituatie niet onevenredig negatief wordt beïnvloed, waaronder de infrastructuur?
Hierna gaat de rechtbank in op deze drie subvragen.
A. Gelijkwaardige bedrijfsactiviteit
6.1.
Eisers betogen dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 13.6 van de planregels omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom een mondzorgpraktijk gelijkwaardig is aan de categorie 1 en 2 bedrijfsactiviteiten van de Staat van Bedrijfsactiviteiten van bijlage 1 van het bestemmingsplan. Geen van de toegestane activiteiten heeft betrekking op gezondheidszorg. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.
6.2.
Vast staat dat een mondzorgpraktijk niet is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1) van het bestemmingsplan en dat het college met de afwijkingsmogelijkheid de omgevingsvergunning heeft verleend. Daarnaast is niet in geschil is dat een mondzorgpraktijk een milieucategorie I-bedrijf in de zin van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering is. Ook staat vast dat de Staat van Bedrijfsactiviteiten - bijlage 1 van de planregels - een grote verscheidenheid aan activiteiten toestaat zoals persoonlijke dienstverlening. Tijdens de zitting is toegelicht dat bijvoorbeeld een kapsalon zich vrij kan vestigen binnen deze bestemming. In de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van het besluit op bezwaar van 4 september 2023 is aangegeven dat in een gemengd gebied zoals hier aan de orde een mondzorgpraktijk qua aard, omvang en impact vergelijkbaar is met de activiteiten die in bijlage 1 van de planregels zijn neergelegd. Bij een dergelijke functie moet een afstand van 10 meter tot gevoelige functies op het gebied tot geluid worden aangehouden maar aangezien het een gemengd gebied betreft is de afstand 0 meter. Er zijn voor een mondzorgpraktijk geen richtafstanden voor andere milieu aspecten zoals geur, stof en gevaar. Verder betreft het een zogeheten A-inrichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit waarvoor geen melding behoeft te worden gedaan. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een gelijkwaardig bedrijf in vorenbedoelde zin. De beroepsgrond slaagt niet.
B. Belangenafweging (sub b van artikel 13.6.1 planregels)
6.3.
Eisers 1 betogen dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar geluidhinder van parkeeroverlast en het geluid van de tandartsboor voor omwonenden. Zij vrezen overlast, ook van dichtslaande autoportieren. Hun belangen worden door het bouwplan daarom onevenredig geschaad.
6.4.
Binnen de bestemming ‘Wonen – Plus’ is een verscheidenheid van bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. Dat betekent dat binnen een gebied met functies zoals hier aan de orde eisers 1 rekening dienen te houden met het feit dat zij een vorm van bedrijvigheid met onder andere bijbehorend geluid naast hun perceel moeten dulden. Zoals onder overweging 6.2 is aangegeven is de richtafstand met betrekking tot geluid in dit geval 0 meter. Niet valt in de zien dat het college gehouden zou zijn onderzoek te doen naar het geluid van in dit geval de tandartsboor, het parkeren en dichtslaande autoportieren. Het college heeft, gelet op de beperkte ruimtelijke effecten, dan ook kunnen beslissen dat de belangen van eisers 1 door het vestigen van de mondzorgpraktijk niet onevenredig worden geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
C. Infrastructuur (sub c van artikel 13.6.1 planregels)
6.5.
Eisers 1, 2 en 3 betogen dat de beslissing op bezwaar onzorgvuldig is gemotiveerd omdat er geen deugdelijk verkeersonderzoek is gedaan. Om een goede afweging te kunnen maken had het college het aantal verkeersbewegingen moeten onderzoeken. De [locatie] is een smalle doodlopende weg en er mag niet worden geparkeerd aan die weg.
Ter onderbouwing voeren eisers 1 aan dat het college niet is uitgegaan van realistische verkeersintensiteit (onder de 350 auto’s per dag). Uitgaande van consulten van 10 minuten is dat 6 patiënten per uur die allen met de auto komen vanwege de ligging, dus een toestroom van 2x 48 auto’s per etmaal, dus extra belasting van 200 auto’s per dag.
Eiser 2 voert aan dat het college is voorbij gegaan aan de werkbare uren van zes dagen per week en onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van onevenredige verkeersbelasting. Controlebezoek is 10 minuten gebitsbehandeling 20 minuten, dus 7-12 patiënten per uur in twee kamers. Dat betekent een extra stroom auto’s van ruim 178-240 per dag. Dat is onevenredige verkeersdruk op een smalle weg.
Eiser 3 voert aan dat [locatie] (te) smal is voor de verkeersintensiteit. Om elkaar te passeren moeten auto’s door de berm rijden.
6.6.
De bestemming met diverse toegestane bedrijvigheid staat al een verhoogde mate van verkeersbewegingen toe ten opzichte van een situatie van alleen een woonbestemming. De rechtbank stelt vast dat het college de verkeersintensiteit heeft laten berekenen door de verkeerskundige van de gemeente. Deze verkeerskundige heeft zich gebaseerd op de landelijke mobiliteitsstandaarden van CROW en heeft op grond daarvan geconcludeerd dat bij twee behandelkamers de maximale verkeersgeneratie op een werkdag van acht uur 73 (bedoeld zal zijn 72) voertuigen per etmaal – negen voertuigen per uur - is. Het college heeft van deze landelijke normering kunnen uitgaan en niet is gebleken dat de berekening niet correct tot stand is gekomen.
Conclusie
9. De beroepen van eisers tegen het herstelbesluit van 11 september 2024 zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. In verband hiermede komt aan het oorspronkelijke besluit van 4 september 2023 geen betekenis meer toe. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van dit beroep, oordeelt de rechtbank dat eisers in zoverre geen procesbelang meer hebben. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen van eisers tegen het besluit van 4 september 2023 niet-ontvankelijk.
Proceskosten
10. Omdat het college een herstelbesluit op 11 september 2024 heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding het college op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eisers. Eisers krijgen ieder het griffierecht van € 184,- vergoed. Daarnaast krijgen eisers hun proceskosten vergoed. Voor eisers 1 en eiser 2 stelt de rechtbank deze kosten vast op een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen tijdens de zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). Voor eiser 3 stelt de rechtbank deze kosten vast op een bedrag van € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen van eisers tegen het besluit van 4 september 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart de beroepen van eisers tegen het besluit van 11 september 2024 ongegrond;
gelast het college om aan eisers 1 het betaalde griffierecht van € 184,- en de proceskosten van € 1.814,- te vergoeden;
gelast het college om aan eiser 2 het betaalde griffierecht van € 184,- en de proceskosten van € 1.814,- te vergoeden;
gelast het college om aan eiser 3 het betaalde griffierecht van € 184,- en de proceskosten van € 907,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestemmingsplan ‘Bedrijven- en sportterreinen [plaats] ’
13.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen – Plus' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen, in combinatie met bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten zoals genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1) in de categorieën 1 tot en met 2;
productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;
dienstverlening gericht op kennisoverdracht en praktijken voor counseling en/of coaching, met uitzondering van onderwijsinstellingen en gezondheidscentra;
nutsvoorzieningen;
tuinen en erven;
groen en groenvoorzieningen;
parkeervoorzieningen;
waterhuishoudkundige voorzieningen
met de daarbijbehorende:
gebouwen, waaronder woningen;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
met dien verstande dat de gronden mede zijn bestemd voor landschappelijke inpassing.
(…)
13.5
Specifieke gebruiksregels
een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen dient vergezeld te gaan van een inrichtingsplan dat gericht is op een kwalitatief hoogwaardige inpassing van de bebouwing in het omringende landschap en de stedenbouwkundige kwaliteit conform het Stedenbouwkundig ontwerp en beeldkwaliteitsplan [naam];
(…)
13.6
Afwijken van de gebruiksregels
Bij een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van:
a. het bepaalde in lid 13.1 onder a ten behoeve van het toestaan en gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die niet zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1) maar gelet op de aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 1), met dien verstande dat:
1. de in lid 13.1 onder a genoemde milieucategorieën niet kunnen worden verhoogd;
2. risicovolle inrichtingen niet zijn toegestaan;
3. vuurwerkbedrijven niet zijn toegestaan;
4. geluidzoneringsplichtige inrichtingen niet zijn toegestaan;
5. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 niet zijn toegestaan.
13.6.1
Afwegingskader
Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid 13.6, wordt slechts verleend indien:
de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie;
belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden niet in onevenredige mate worden geschaad;
de verkeerssituatie niet in onevenredige mate negatief wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur.
De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zowel op het verzoek om voorlopige voorziening als op het beroep beslist.
Zie artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
Zie de bijlage voor de relevante artikelen van het bestemmingsplan.