Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-30
ECLI:NL:RBGEL:2025:4444
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,131 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/533
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser 1] ;
[eiser 2] ;
[eiser 3] ;
[eiser 4] , en
[eiser 5]
,
allen uit [plaats 1] , gezamenlijk eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [plaats 2]
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een mast voor telecommunicatie op het perceel [perceel] , nabij het adres [locatie 1] in [plaats 1] . Met de beslissing op bezwaar van 19 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft op 27 juni 2023 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend. Met de beslissing op bezwaar van 19 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, [persoon A] namens de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij heeft op 10 mei 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een mast voor telecommunicatiedoeleinden op het perceel [perceel] , nabij [locatie 1] in [plaats 1] .
3.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Landelijk gebied; Veegplan 2020-2B” en de grond heeft de bestemming “Sport” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologische verwachting 3”.
3.2.
Het bouwplan is in strijd met de regels van het bestemmingsplan. Op de gronden met de bestemming “Sport” is een mast voor telecommunicatiedoeleinden niet toegestaan. Het college heeft daarom onderzocht of de omgevingsvergunning kan worden verleend door af te wijken van het bestemmingsplan met toepassing van de kruimelgevallenregeling en de Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van 27 maart 2018 (beleidsregels). Dat kan als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college is tot de conclusie gekomen dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en heeft de omgevingsvergunning op 27 juni 2023 aan de derde-partij verleend.
3.3.
In de beslissing op bezwaar van 19 december 2023 zijn de bezwaren van eisers tegen het verlenen van de omgevingsvergunning ongegrond verklaard en heeft het college de omgevingsvergunning, onder aanvulling van een voorschrift, in stand gelaten.
Wijze van beoordelen
4. Voordat de rechtbank ingaat op de beroepsgronden, benadrukt de rechtbank dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Bestaande antennedrager
5. Eisers betogen dat onvoldoende is aangetoond dat de bestaande antennedrager op het gebouw van [coöperatie] aan de [locatie 2] in [plaats 1] onvoldoende dekkingsgraad biedt. Bovendien wordt door derde-partij verondersteld dat de mast niet op de huidige locatie kan blijven wegens contractuele wijzigingen met de eigenaar van het gebouw. Volgens eisers moet de derde-partij zich meer inspannen om tot een overeenkomst te komen met de eigenaar van [coöperatie] .
5.1.
Het college heeft de aanvraag van de derde-partij getoetst aan de beleidsregels. Het college is tot de conclusie gekomen dat de aanvraag voldoet aan de beleidsregels en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De bestaande antennedrager op het dak van het pand aan de [locatie 2] wordt verwijderd en wordt op een andere locatie vervangen door de aangevraagde en vergunde mast. Door het plaatsen van een eigen mast in de omgeving creëert de derde-partij zelf hoogte en daarmee een hogere dekking dan bij de huidige locatie. In de ruimtelijke onderbouwing is hier nader op ingegaan. Uit de aanvraag van de derde-partij valt volgens het college af te leiden dat in de overeenkomst tussen de derde-partij en [coöperatie] een opzegtermijn van drie maanden is opgenomen. Deze termijn is te kort om een nieuwe mast op een andere locatie te plaatsen. Hierdoor bestaat volgens het college het risico dat er een gat in de dekking ontstaat.
5.2.
De derde-partij heeft op de zitting toegelicht dat [coöperatie] de overeenkomst heeft opgezegd. Er zijn onderhandelingen geweest over een nieuwe overeenkomst, maar hieruit volgde dat [coöperatie] alleen de overeenkomst wilde verlengen als er een opzegtermijn van drie maanden overeen wordt gekomen. Dat is volgens de derde-partij te onzeker.
5.3.
Uit artikel 4.3.5. onder a van de beleidsregels volgt dat een omgevingsvergunning voor een antenne-installatie verleend kan worden als er aan de in de beleidsregels gestelde voorwaarden wordt voldaan. Als eerste voorwaarde is gesteld dat: aanvrager – ter voldoening aan het uitgangspunt dat het aantal masten, ter beperking van negatieve ruimtelijke- en landschappelijke effecten, tot een minimum beperkt blijft – afdoende met een schriftelijke rapportage aantoont en onderbouwd dàt en waaròm de plaatsing van de gewenste antenne(s)/apparatuur niet mogelijk is op achtereenvolgens een bestaande (andere) antennedrager, een bestaand gebouw of ander bouwwerk en een bestaande infrastructurele voorziening in de omgeving.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bij de aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing blijkt dat plaatsing op een bestaand gebouw niet mogelijk is. Het college heeft de aanvraag kunnen beoordelen tegen de achtergrond van de opzegging van de overeenkomst en de daaropvolgende onderhandelingen die niet tot een nieuwe overeenkomst hebben geleid. De alternatieve plek is om die reden niet beschikbaar. Ook is aangetoond dat plaatsing op een ander bestaand gebouw of ander bouwwerk niet mogelijk is. De aanvraag voldoet daarom aan de voorwaarde van de beleidsregels. De beroepsgrond slaagt niet.
Noodzaak van de mast
6. Eisers betogen dat de noodzaak van de mast niet is aangetoond. Er wordt door de derde-partij verondersteld dat de huidige dekkingsgraad minder dan 98% is. Volgens eisers moet de dekkingsgraad worden vastgesteld door de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI). Nu de RDI ten onrechte niet is betrokken bij de besluitvorming ontbreekt er volgens eisers objectieve en betrouwbare informatie over de daadwerkelijke dekkingsgraad in de omgeving.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit de beleidsregels niet volgt dat er sprake moet zijn van een absolute noodzaak voor het plaatsen van een mast op de gekozen locatie. Uit de beleidsregel volgt dat afdoende moet worden ‘aangetoond en onderbouwd’ waarom de gewenste antenne niet op een bestaande antennedrager, een bestaand gebouw of een infrastructurele voorziening kan worden geplaatst. In zoverre moet de behoefte worden onderbouwd door de aanvrager. Als dit afdoende is gedaan, mag het college daar van uit gaan. De beleidsregels schrijven daarnaast niet voor dat de RDI betrokken moet worden bij de besluitvorming. Ook is er geen (andere) regel of voorschrift dat bepaalt dat het college zelf onderzoek moet doen naar de noodzaak van de mast. De derde-partij heeft bij de aanvraag een ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Uit de onderbouwing en de reactie op het bezwaar blijkt dat er noodzaak voor de mast bestaat voor de derde-partij om aan haar licentieverplichting te voldoen. Eisers hebben niet onderbouwd waarom deze informatie onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.
Bescherming van de das
7. Eisers maken zich zorgen over de mogelijke schade aan de natuurlijke habitat van dassen als gevolg van de plaatsing van de mast. Het college heeft bij de beslissing op bezwaar een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat er een Quickscan flora en fauna moet worden aangeleverd voordat er gestart kan worden met de bouwwerkzaamheden. Volgens eisers is dit te onzeker. Ook is het onduidelijk wie de Quickscan uitvoert en wat de kaders en richtlijnen daarvoor zijn. Op de zitting hebben eisers aangegeven dat er niet alleen sprake gaat zijn van bouwwerkzaamheden, maar ook van andere grondwerkzaamheden ten behoeve van het doortrekken van kabels. Ook dit heeft invloed op de natuurlijke habitat van dassen. Volgens eisers biedt de omgevingsvergunning dan ook onvoldoende waarborg ter bescherming van dassen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een mast voor telecommunicatie in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Er zijn ook geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De aanvraag ziet op de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan zoals opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Bestemmingsplan “Landelijk gebied; Veegplan 2020-2B”, artikel 17.
Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo in samenhang met artikel 4, vijfde lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Met toepassing van de kruimelgevallenregeling kan worden afgeweken van het bestemmingsplan, voor zover het betreft “een antenne installatie, mits niet hoger dan 40 meter”.
[website]
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:1136.
Dit volgt uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:283.
ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.66 en 10.67.