Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-27
ECLI:NL:RBGEL:2025:4334
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,748 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-193597-23
Datum uitspraak : 27 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
raadsvrouw: mr. E.A.M. Brugman, advocaat in Berghem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Nijmegen aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het jukbeen/jukbeenoog, heeft toegebracht door met een al dan niet tot vuist gebalde hand in/op/tegen het gezicht/gelaat van die [aangeefster] te slaan/stompen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Nijmegen [aangeefster] heeft mishandeld door met een al dan niet tot vuist gebalde hand in/op/tegen het gezicht/gelaat van die [aangeefster] te slaan/stompen.
2De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat op grond van de verklaringen en overige bewijsmiddelen in het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die aangeefster heeft geslagen.
Overwegingen
Op 27 juli 2023 heeft [aangeefster] (hierna aangeefster) aangifte gedaan van mishandeling. Ze heeft verklaard dat zij op zondag 17 juli 2023 omstreeks 01:00 uur in de Nieuwe Marktstraat in Nijmegen was. Samen met een vriend, [getuige] , zat zij in de auto te wachten op iemand. Ze zag dat een jongen tegen de geparkeerde scoot-mobiel van [getuige] trapte. Toen [getuige] uitstapte om hier iets van te zeggen, stapte zij ook uit en ging naast hem staan. Ze hoorde een van de jongens een grote bek hebben tegen [getuige] . Ze stond er alleen bij en luisterde. Ze zag in een oogwenk een geheven arm met gebalde vuist vanuit rechts op haar afkomen. Daarna voelde ze een keiharde klap op haar rechter jukbeen. Het werd zwart voor haar ogen en ze zag sterretjes. Ook hoorde ze dat er iets knapte. Ze verklaarde dat de jongen die rechts naast haar stond degene was die haar had geslagen en dat dit dezelfde jongen was als die tegen de scoot-mobiel trapte. Ze verklaart dat het zou gaan om een man met kort, opgeschoren blond haar in een donkergrijs t-shirt en een ovaal tasje schuin over de borst.
Aangeefster heeft hierdoor een gebroken jukbeen opgelopen waarvoor ze in het ziekenhuis moest worden behandeld.
Verdachte verklaart ter zitting dat hij die avond op de Nieuwe Marktstraat was samen met twee vrienden. Deze vrienden kregen plotseling ruzie met een man met een kaal hoofd en hij is er naartoe gelopen om te proberen de situatie te sussen. Daarna is tussen hem, zijn vrienden en de man een worsteling ontstaan. Daarna is hij weggegaan. Hij ontkent aangeefster te hebben geslagen en zegt haar helemaal niet te hebben gezien.
De vriend van aangeefster, [getuige] , is ook gehoord als getuige (hierna: [getuige] ). [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat aangeefster in haar gezicht was geslagen door een van de jongens uit de groep waarmee hij in gevecht was geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit niet zonder meer dat [getuige] heeft gezien wie haar precies heeft geslagen, noch dat het verdachte is geweest die haar heeft geslagen. In dat verband constateert de rechtbank ook dat [getuige] in het geheel niet verklaart dat aangeefster naast hem is komen staan nadat hij de jongens aansprak op het vernielen van de scoot-mobiel en zij op dat moment is geslagen. Uit de verklaring van [getuige] blijkt ook niet op welk (ander) moment hij zag dat aangeefster was geslagen.
Daarnaast bevinden zich in het dossier getuigenverklaringen van personen die de vechtpartij hebben gezien en hierover bij de politie hebben verklaard. Deze verklaringen bieden echter geen ondersteuning voor de verklaring van aangeefster aangezien niemand van de getuigen verklaart te hebben gezien dat aangeefster werd geslagen noch door wie zij werd geslagen.
Uit het dossier komen weliswaar aanwijzingen naar voren dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de vechtpartij met [getuige] , maar dat is op zich onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte bij het tenlastegelegde feit betrokken is geweest.
De rechtbank overweegt op grond van het bovenstaande dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om wettig en overtuigend bewezen te achten dat het verdachte is geweest die aangeefster heeft geslagen en haar letsel heeft toegebracht. Enkel de verklaring van aangeefster is onvoldoende om te komen tot het wettelijk vereiste bewijsminimum voor een wettig en overtuigende bewezenverklaring.
Verdachte zal daarom zowel van het primaire als het subsidiaire tenlastegelegde worden
vrijgesproken.
Beoordeling
De benadeelde partij [aangeefster] heeft zich in het strafproces gevoegd en in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 409,74 aan materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2025.
Mr. R.M.H. Pennings is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.