Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-26
ECLI:NL:RBGEL:2025:4324
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,944 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/331904-23
Datum uitspraak : 26 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 op Curaçao,
ingezetene van en gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] , [verblijfplaats] .
raadsman: mr. A.R. Maarsingh, advocaat in Deventer.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 december 2023 te Arnhem
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] op/tegen de benen en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt(waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 december 2023 te Arnhem, met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door hem op/tegen de benen en/of het hoofd, althans het lichaam, te trappen en/of te schoppen en/ofte slaan en/of te stompen (waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 december 2023 te Arnhem [slachtoffer] heeft mishandeld door hem op/tegen de benen en/of het hoofd te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen (waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of (terwijl die [slachtoffer] op degrond lag) hem meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te schoppen.
Beoordeling
Bekennende verdachte
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 8;
- een schriftelijk bescheid, te weten de geneeskundige verklaring, aanvullend procesdossier 1, p. 1-3;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2025.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 13 december 2023 te Arnhem
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] op/tegen de benen en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt(waarbij die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Primair:
poging tot zware mishandeling.
5De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, in lijn met de conclusies van de psycholoog en de psychiater, gesteld dat het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Hij heeft gevorderd dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens gesteld dat het bewezenverklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend.
Beoordeling
De rechtbank heeft kennis genomen van een pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 13 december 2024, opgemaakt door M. van der Burgh, GZ-psycholoog en T. Klaassen, psychiater. Zij beantwoorden de vraag of de schizofrenie en het cannabisgebruik van verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedden, bevestigend. Voorts concluderen zij het volgende:
“In de aanloop naar het ten laste gelegde (...) was betrokkene al langere tijd dakloos (...). Hij zou bovendien dagelijks alcohol en ook cannabis hebben gebruikt. Hij was betrokken bij vechtpartijen op straat, kreeg geen geld meer uitbetaald en gaf bij instanties aan hier stress van te hebben. In november werd betrokkene meermaals schreeuwend en geagiteerd op straat aangetroffen en was hij achterdochtig naar de gemeente. Er was sprake van een toenemende psychotische ontregeling.
Waar er in het begin van deze aanloop naar het ten laste gelegde nog van betrokkene zou kunnen worden verwacht bij instanties aan de bel te trekken omdat hij zorg nodig had, was dit bij verder vorderende psychotische ontregeling niet meer van hem te verwachten: hij raakte
immers steeds meer gedesorganiseerd en achterdochtig naar instanties. In de dagen voorafgaande aan het ten laste gelegde had hij naar zijn zeggen wisselend middelen gebruikt, had hij nauwelijks gegeten, geslapen en gedronken en beleefde hij (in zijn ervaring) enkele gebeurtenissen die pasten in zijn waan rondom het vermeende pedofiele netwerk in Arnhem.
Betrokkene was ongerust over het lot van de kinderen die in zijn beleving naar seks roken. Hij dacht dat ze seksueel waren misbruikt. De mensen van Handhaving grepen niet in toen hij ze op de (in zijn beleving) aanwezigheid van pedofielen wees. Bovendien kampte hij met een algemeen gevoel van onveiligheid rondom de politie in Arnhem en zag hij ook hen niet ingrijpen.
Ten tijde van het ten laste gelegde was betrokkene fors psychotisch ontregeld. Hij had daarbij ernstige oordeels- en kritiekstoornissen en was hij er vanuit zijn paranoïde waan van overtuigd dat de man die hij (indien bewezen) aanviel een pedofiel was. Hij vond dat hij deze man zelf moest aanpakken aangezien de officiële instanties dat niet deden. Door zijn psychose was hij niet in staat het waarheidsgehalte van zijn belevingen kritischer te bezien. Onderzoekers stellen dan ook dat betrokkenes handelen ten tijde van het ten laste gelegde dusdanig ernstig werd beïnvloed door de aanwezige psychopathologie dat er niet meer kan worden gesproken van keuzevrijheid in zijn handelen. Zij adviseren dan ook om betrokkene de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, niet toe te rekenen.”
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van de psycholoog en de psychiater met betrekking tot de toerekening worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing. Op basis van hun rapport concludeert ook de rechtbank dat het bewezenverklaarde feit de verdachte als gevolg van de bij hem geconstateerde stoornissen niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ten aanzien van het bewezenverklaarde ontslaan van alle rechtsvervolging.
Overwegingen
Nu de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, kan hem voor het bewezen verklaarde feit geen straf worden opgelegd. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of een maatregel aan de verdachte kan worden opgelegd en zo ja, welke.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege, wordt opgelegd, waarbij de duur van de terbeschikkingstelling niet in tijd is beperkt. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en aan verdachte tevens de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft tegen oplegging van een tbs-maatregel gepleit. Oplegging van een zorgmachtiging biedt voldoende waarborgen voor de beteugeling van verdachte.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Het slachtoffer is op straat uit het niets meerdere malen geslagen en geschopt op zijn hoofd en lichaam. Verdachte heeft daarbij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer buitengewoon dreigend zijn geweest en gevoelens van onveiligheid hebben opgeroepen. Ook brengen dit soort feiten, waarin iemand willekeurig wordt aangevallen, gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving met zich. Het slachtoffer heeft naast de opgelopen verwondingen als gevolg van het feit ook slaapklachten, daaraan gerelateerde gedragsproblemen en klachten van duizeligheid en oorsuizen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte d.d. 3 september 2024 blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaar meermalen is veroordeeld voor geweldsfeiten.
Pro Justitia rapportage
Op 13 december 2024 is een pro Justitia rapport over verdachte opgemaakt door GZ-psycholoog M. van der Burgh en psychiater T. Klaassen. De deskundigen adviseren verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Zij hebben daartoe als volgt gerapporteerd:
“Er is bij betrokkene sprake van schizofrenie, een (ook met schizofrenie samenhangende) stoornis in het gebruik van middelen en mogelijk ook nog ontwikkelingsproblematiek en/of persoonlijkheidsproblematiek. Er is daaruit voortvloeiend een hoog recidiverisico. Om het recidiverisico te verlagen dient op de eerste plaats de psychose te worden behandeld met medicatie.
Een combinatie van structuur, een gezonde daginvulling, abstinentie van middelen en psychologische interventies gericht op psychoses kan daarnaast helpend zijn om de psychose te verminderen. Daarmee is het risico op recidief geweld echter nog niet geweken. Ook met een goede behandeling blijft betrokkene gevoelig voor het ontwikkelen van psychoses. Abstinentie van alcohol en middelen is een verdere voorwaarde voor het voorkomen van psychoses en geweld. Hiervoor zal een verslavingsbehandeling nodig zijn. Tot slot zullen risicofactoren vanuit vermoedelijk aanwezige ontwikkelingsproblematiek en/of persoonlijkheidsproblematiek moeten worden behandeld. Hierbij kan nadere gedetailleerde diagnostiek in een toestand waarin betrokkene zowel drugsvrij als psychosevrij is, helpend zijn. Al met al dient de behandeling langdurig en intensief te zijn, waarbij het met name van belang is dat de behandeling veel structuur en stabiliteit biedt. Dit is alleen in een klinische setting mogelijk.
Onderzoekers hebben zorgvuldig stilgestaan bij de verschillende kaders waarin een dergelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden. Betrokkene zegt enerzijds zich aan voorwaarden te willen committeren; anderzijds geeft hij ook aan dat hij wil blijven blowen en niet open te staan voor medicatiegebruik. Daarnaast hebben onderzoekers gekeken naar het verloop van eerder opgelegde interventies in een voorwaardelijk kader. Aan de bijzondere voorwaarden opgelegd door de Kinderrechter in 2003 heeft betrokkene zich goed kunnen houden. Over het voldoen aan de bijzondere voorwaarden in 2008 hebben onderzoekers geen informatie. Echter, de opgelegde bijzondere voorwaarden in 2011, na de mishandeling van een hulpverlener, zijn niet van de grond gekomen. Ook na het mishandelen van moeder in 2015 is betrokkene de opgelegde meldplicht onvoldoende nagekomen. Eveneens hield betrokkene zich niet aan het in 2023 opgelegde contactverbod.
Het feit dat betrokkene zich na 2011 niet aan het toezicht heeft gehouden in combinatie met betrokkenes geringe ziekte-inzicht en geringe motivatie voor behandeling, maakt dat onderzoekers inschatten dat een behandeling in een voorwaardelijk kader niet haalbaar is.
In verband met het hoge recidiverisico en de noodzakelijke behandelduur- en intensiteit schatten onderzoekers in dat een succesvolle behandeling in het kader van een zorgmachtiging niet haalbaar is. Onderzoekers zien dan ook geen andere mogelijkheid om een behandeling te adviseren in het kader van een tbs met dwangverpleging. Mocht door de uiteindelijke kwalificatie van het ten laste gelegde het opleggen van een tbs met dwangverpleging niet mogelijk zijn, dan rest alleen nog de optie van een zorgmachtiging met een gedwongen klinische opname. Vanuit gedragskundig oogpunt is dit kader echter door de korte duur, de daarmee samenhangende instabiliteit van het traject en het feit dat deze maatregel uitgevoerd moet worden binnen instellingen met een lager beveiligingsniveau niet passend.”
Reclasseringsadvies
Op 28 januari 2025 is ten behoeve van verdachte een reclasseringsrapport opgemaakt door reclasseringsmedewerker M. Slikker van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
De reclassering rapporteert dat verdachte in het verleden vaker werd veroordeeld wegens geweldsdelicten, ook jegens voor hem onbekende personen, waardoor er inmiddels gesproken kan worden van een delictpatroon. De reclassering is van mening dat er sprake is van een zeer zorgelijke ontwikkeling. De delicten waarvan verdachte wordt verdacht, worden steeds ernstiger van aard. Zowel de kans op recidive als het risico op letsel wordt als hoog ingeschat. Dit geldt eveneens voor het risico op onttrekking aan voorwaarden. De reclassering conformeert zich aan het gegeven advies vanuit het Pieter Baan Centrum.
Tbs-maatregel
De rechtbank neemt zoals hiervoor al weergegeven de conclusies uit het pro Justitia rapport over en stelt gelet daarop vast dat tijdens het begaan van het feit bij verdachte zowel sprake was van schizofrenie als van een stoornis in het gebruik van cannabis. Aan het eerste vereiste voor het opleggen van een tbs-maatregel is daarmee voldaan.
De rechtbank stelt verder vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is.
Met betrekking tot de vraag of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist, overweegt de rechtbank als volgt.
De onderzoekers merken in hun rapportage op dat klinisch gezien het risico op geweld als hoog wordt ingeschat. Onderzoekers zien een schizofrene man die, ondanks dat hij binnen de structuur van detentiesetting en de langer durende abstinentie van middelen minder psychotisch is, nog steeds wanen heeft en gedesorganiseerd denkt en spreekt. Er is geen sprake van inzicht in zijn psychiatrische ziekten en geen inzicht in het risico van middelengebruik op het in stand houden en onderhouden van zijn psychoses. Hij zou graag weer cannabis willen gaan gebruiken en zegt dat weer te doen als hij uit detentie komt. Verdachte staat bovendien niet open voor het gebruik van medicatie. Wat onderzoekers daarnaast zorgelijk achten, is dat de geweldsdelicten waar verdachte in het verleden voor is veroordeeld ontstonden binnen conflictsituaties met mensen. In 2023 heeft hij echter, het tenlastegelegde meegenomen, tweemaal plotseling op straat onbekenden aangevallen. Het risicotaxatie-instrument dat het risico op geweld onderzoekt, onderschrijft de klinische inschatting van onderzoekers.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 305,61 aan materiële schade en € 4.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de civiele vordering heeft de verdediging geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft het materiële gedeelte volledig kan worden toegewezen tot het bedrag van € 305,61.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de poging tot zware mishandeling heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van een hersenschudding, een gebroken wijsvinger en klachten van duizeligheid en oorsuizen opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 4.000,- vaststellen.
De wettelijke rente
Verdachte is vanaf 13 december 2023 wettelijke rente over de toegewezen bedragen van € 305,61 (materiële schade) en € 4.000,00 (immateriële schade) verschuldigd.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen van € 305,61 (materiële schade) en € 4.000,00 (immateriële schade) aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
8De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 305,61 aan materiële schade en € 4.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 4.305,61 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 53 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. M.M. Klaasen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.H. Boshuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2025.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023572835, gesloten op 14 december 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Beoordeling
Op de historische items (factoren uit de voorgeschiedenis van betrokkene die op groepsniveau in verband worden gebracht met een hoger recidiverisico) komt bij verdachte een veelheid aan risicofactoren voor geweld naar voren: er is in het verleden sprake geweest van gewelddadig gedrag, antisociaal gedrag, problemen in intieme en niet-intieme relaties, middelengebruik, traumatische ervaringen, psychoses en er zijn problemen geweest rondom de respons op toezicht. Ook de klinische items (recente problemen op het gebied van bekende risicofactoren voor geweld) wijzen op een zorgelijk beeld: zo is er bij betrokkene nauwelijks inzicht in de stoornis, het risico op gewelddadig gedrag of de noodzaak van behandeling. Er is nog steeds sprake van een psychose en er is sprake van cognitieve en affectieve instabiliteit. De items wat betreft toekomstige problemen met risicomanagement duiden eveneens op een veelheid aan te verwachten problemen, zoals (bij terugkeer in de
samenleving zonder behandeling/toezicht) onvoldoende passende ondersteuning, dakloosheid, een gebrek aan een steunend netwerk en het niet/beperkt willen meewerken aan behandeling. Uit de SAPROF, een instrument dat beschermende factoren inventariseert, blijkt dat beschermende factoren afwezig zijn. Dat alles samengenomen maakt dat onderzoekers het algemene risico op geweld als hoog inschatten. Zij merken daarbij op dat dit risico vooral hoog is in situaties waarin betrokkene weinig structuur heeft en alcohol en drugs gebruikt.
Gelet op voornoemde conclusies van de onderzoekers, die de rechtbank overneemt, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van een tbs-maatregel eist.
Zoals hiervoor al overwogen, komen de onderzoekers tot de conclusie dat er geen andere mogelijkheid is om een behandeling te adviseren dan in het kader van een tbs met dwangverpleging. Bij de vraag binnen welk kader behandeling dient plaats te vinden, hebben onderzoekers de verschillende mogelijkheden afgewogen en weloverwogen gemotiveerd waarom een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege de enige mogelijkheid is.
De rechtbank acht gelet daarop de optie van een zorgmachtiging, zoals door de verdediging is bepleit, niet haalbaar. Ten aanzien van de optie van een zorgmachtiging is immers door onderzoekers specifiek gemotiveerd dat zij deze maatregel niet passend vinden vanwege de korte duur van de maatregel, de daarmee samenhangende instabiliteit van het traject en het feit dat deze maatregel moet worden uitgevoerd binnen instellingen met een lager beveiligingsniveau.
Gezien de ernst en de aard van het bewezenverklaarde feit, het hoge recidiverisico en gelet op de verwachte behandelduur- en intensiteit is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege noodzakelijk is. De rechtbank zal deze dan ook aan verdachte opleggen.
Duur van tbs-maatregel
Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook niet in duur gemaximeerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank legt aan verdachte de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op. Voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van die maatregel bestaat, anders dan voor de tbs-maatregel met voorwaarden, geen wettelijke grondslag. De rechtbank zal de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege dan ook niet dadelijk uitvoerbaar verklaren.
38z-maatregel
Gelet op het feit dat de rechtbank aan verdachte een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege oplegt die in duur bovendien niet gemaximeerd is, zie de rechtbank onvoldoende aanleiding daarnaast aan verdachte nog de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.