Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-22
ECLI:NL:RBGEL:2025:3968
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,882 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6701
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. E. Düsünceli),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college
(gemachtigde: [naam gemachtigde]).
Procesverloop
1. In het besluit van 11 april 2023 heeft het college het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 28 augustus 2020 tot en met 8 februari 2023 ingetrokken en een bedrag van € 35.496,55 aan kosten van bijstand van hem teruggevorderd en ingevorderd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 29 augustus 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het besluit van 11 april 2023 herroepen en beslist dat het recht op bijstand van eiser over de periode van 28 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021 en van 1 september 2021 tot en met 9 februari 2023 wordt ingetrokken en een bedrag van € 34.157,49 (€ 35.496,55 - € 1.339,06) wordt teruggevorderd.
1.2.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het college bij brief van 4 juli 2024 gevraagd om een aanvullende beoordeling en motivering.
1.4.
Het college heeft bij brief van 29 augustus 2024 verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep in afwachting van een nieuw besluit op bezwaar. Verder heeft het college nader onderzoek verricht naar de vraag of het recht op bijstand van eiser in de periode van 28 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021en van 1 september 2021 tot en met 9 februari 2023 schattenderwijs is vast te stellen en heeft bij brief van 23 oktober 2024 een verweerschrift ingediend.
1.5.
Eiser heeft hierop op 10 december 2024 gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het college is niet verschenen.
1.7.
In de tussenuitspraak van 5 maart 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.8.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen van 3 april 2025 (bestreden besluit 2). Daarbij heeft hij het bezwaar van eiser opnieuw gegrond verklaard, het besluit van 11 april 2023 herroepen en beslist dat:
a) het recht op bijstand van eiser over de maanden oktober 2020, december 2020, mei 2021, september 2021, oktober 2021, november 2021, december 2021, januari 2022, februari 2022, maart 2022, april 2022, mei 2022, juni 2022, juli 2022, augustus 2022, september 2022, oktober 2022, november 2022, december 2022, januari 2023 en februari 2023 niet kan worden vastgesteld en daarom over die maanden wordt ingetrokken;
b) het recht op bijstand van eiser over de maanden augustus 2020, september 2020, november 2020, januari 2021, februari 2021, maart 2021, april 2021, juni 2021 en juli 2021 wordt herzien aan de hand van de door eiser in die maanden ontvangen inkomsten;
c) een bedrag van € 25.046,62 (netto) aan kosten van bijstand wordt teruggevorderd.
1.9.
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.10.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser heeft gehandeld op Marktplaats en daar inkomsten uit gekregen heeft die relevant zijn voor zijn recht op bijstand, en dat eiser van die activiteiten en die inkomsten geen melding heeft gemaakt bij het college waardoor hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college voldoende aanknopingspunten heeft gehad om het recht op bijstand van eiser, in ieder geval voor een deel van de perioden in geding, schattenderwijs vast te stellen. In dit verband heeft de rechtbank overwogen:
“dat niet is gebleken dat het college niet in staat was om in ieder geval voor een deel van de in geding zijnde perioden per kalendermaand een goede en betrouwbare reconstructie te maken van de inkomsten van eiser uit de Marktplaatsactiviteiten, waarbij ervan wordt uitgegaan dat elke onduidelijkheid in deze, wegens schending van de inlichtingenverplichting, voor rekening van eiser komt, en dat deze inkomsten dus, in ieder geval voor een deel van de perioden in geding, schattenderwijs hadden kunnen worden vastgesteld. Daar waar die aanknopingspunten voor andere delen van de perioden in geding niet bestaan, omdat bij de advertenties geen vraagprijs is vermeld en anderszins door eiser geen concrete aanknopingspunten zijn aangedragen, kan het college volstaan met vast te stellen dat het recht op bijstand in die maand niet is vast te stellen.”
4. Het college heeft in bestreden besluit 2 het geconstateerde gebrek hersteld en daarmee, zo begrijpt de rechtbank, bestreden besluit 1 voor zover gewijzigd. Eiser heeft niet gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van bestreden besluit 1. Het college heeft in bestreden besluit 1 aan eiser een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De rechtbank gaat ervan uit dat deze beslissing met het bestreden besluit 2 (waarin deze toekenning niet is herhaald) niet is komen te vervallen. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk.
5. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit 2, omdat dit besluit niet volledig aan het beroep van eiser tegemoetkomt.
6. Eiser voert in de zienswijze ten eerste aan dat hij ten stelligste ontkent zijn inlichtingenverplichting te hebben geschonden. Deze beroepsgrond laat de rechtbank - onder verwijzing naar de inhoud van de tussenuitspraak en wat hiervoor onder punt 2 is vermeld - buiten beschouwing.
7. Eiser komt verder op tegen de beslissing van het college dat zijn recht op bijstand over de maanden oktober 2020, december 2020, mei 2021, september 2021, oktober 2021, november 2021, december 2021, januari 2022, februari 2022, maart 2022, april 2022, mei 2022, juni 2022, juli 2022, augustus 2022, september 2022, oktober 2022, november 2022, december 2022, januari 2023 en februari 2023 ten onrechte niet schattenderwijs is vastgesteld. Daartoe had het college volgens eiser wel kunnen en moeten overgaan, omdat het enkele feit dat er geen vraagprijs bekend was voor de door hem in deze maanden op Marktplaats aangeboden goederen onvoldoende is. Het college had eiser moeten uitnodigen om samen het overzicht van Marktplaats te doorlopen om zo een deugdelijke schatting te kunnen maken. Op deze manier had wellicht de mogelijkheid kunnen ontstaan om de vraagprijs te bepalen aangezien het om vergelijkbare producten gaat die door eiser zijn verhandeld.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank stelt voorop dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het in eerste instantie aan eiser is om aanknopingspunten aan te dragen voor de vraag of hij desondanks in de in punt 7 genoemde maanden recht had op (aanvullende) bijstand. De rechtbank wijst nog maar eens op wat is overwogen in punt 8.1. van de tussenuitspraak. Uit het dossier volgt dat de rapporteur eiser heeft uitgenodigd dergelijke aanknopingspunten te verstrekken. Dat is nogmaals gedaan naar aanleiding van de brief van de rechtbank van 4 juli 2024 (zie punt 1.3. hiervoor). Bij beide keren heeft eiser deze aanknopingspunten niet verstrekt, zodat het college naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft aangenomen dat het recht op bijstand niet is vast te stellen in de betreffende maanden omdat bij bepaalde advertenties in die maanden geen bedragen zijn vermeld. Zoals de rechtbank in punt 8.5. van de tussenuitspraak al heeft overwogen kan het college, gelet op het toetsingskader zoals dat volgt uit de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), worden gevolgd dat voor die advertenties niet duidelijk is geworden hoeveel eiser daarmee schattenderwijs heeft verdiend. De rechtbank komt in deze einduitspraak niet terug op dit oordeel. Evenmin komt de rechtbank terug op het oordeel (ook al gegeven in punt 8.5. van de tussenuitspraak) dat elke onduidelijkheid in deze - wegens schending van de inlichtingenverplichting - voor rekening van eiser komt. Tegen de beslissing van het college (zoals genoemd in punt 1.8. onder b) heeft eiser geen gronden ingediend. Evenmin heeft eiser de berekening van de hoogte van het terug te vorderen bedrag (zie 1.8. onder c) bestreden.
8. Zoals in punt 9. van de tussenuitspraak is aangegeven, zal de rechtbank zich nog uitspreken over eisers beroepsgrond dat de besluitvorming van het college in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ook wordt hieronder de vraag of het college aanleiding had moeten zien om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering beoordeeld.
9. Eisers stelling dat de besluitvorming van het college in strijd is met het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
9.1.
Eiser tracht met deze beroepsgrond te bereiken dat de artikelen 54, derde lid, eerste volzin, en 58, eerste lid, van de Pw in verband met het evenredigheidsbeginsel in zijn geval niet moeten worden toegepast. Toepassing van deze bepaling kan echter alleen achterwege blijven als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat er namelijk aan in de weg dat de bestuursrechter toetst of die bepaling strijd met het evenredigheidsbeginsel oplevert, omdat de Pw een wet in formele zin is. In dit geval is het de uitdrukkelijke bedoeling geweest van de wetgever dat het recht op bijstand wordt ingetrokken dan wel herzien als door een schending van de inlichtingenverplichting te veel bijstand is verleend en de wetgever heeft rekening gehouden met de gevolgen daarvan. Eiser heeft desgevraagd ter zitting geen bijzondere omstandigheden aangedragen die niet of niet ten volle door de wetgever zijn verdisconteerd in de afweging bij de invoering van voornoemde artikelen. Daarom worden deze bepalingen niet wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing gelaten.
10. Met betrekking tot de dringende redenen heeft eiser naar voren gebracht dat hij een verstandelijke beperking heeft en in dat verband een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg. Eiser had niet begrepen dat hij zijn activiteiten op Marktplaats moest melden en is daar door het college ook niet op gewezen. Eiser wijst in dit verband ook nog op het giftenbeleid van het college. Hem treft dus geen verwijt in deze. Eiser meent verder dat hij ernstig is getroffen door de besluitvorming van het college, met name op psychisch gebied wat volgens hem sociaal niet aanvaardbaar is.
Conclusie
11. Uit wat in punt 4 is overwogen volgt dat het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk is. Omdat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld in bestreden besluit 2, eiser zich hierover heeft kunnen uitlaten en dat besluit de rechterlijke toets kan doorstaan, verklaart de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond.
11.1.
Omdat het college tijdens de beroepsprocedure het bestreden besluit 1 heeft gewijzigd met het bestreden besluit 2, waarmee (deels) aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
11.2.
Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt in beroep. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Aan de hand van het toetsingskader uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, onder meer de uitspraak van 14 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1313.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw.
Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
Volgens de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.