Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-20
ECLI:NL:RBGEL:2025:3844
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,931 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/448914 / FA RK 25-905
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.H. Staring te Arnhem.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 17 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2025. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam 1] , masterpsycholoog verbonden aan [de instelling] ;
[naam 2] , arts verbonden aan [de instelling] .
2Wat vaststaat
2.1.
Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [de instelling] . De burgemeester van [plaats] heeft de crisismaatregel op 15 maart 2025 genomen.
3Het verzoek
3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor de duur van drie weken te verlenen.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank wijst het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
De rechtbank heeft niet het vermoeden dat een aanzienlijk risico op ernstig nadeel bestaat door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. De rechtbank leest in de stukken dat betrokkene bekend is met een stoornis in het gebruik van middelen en daarnaast agressie- en impulsregulatieproblematiek, mogelijk in het kader van een persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast kan volgens de onafhankelijk psychiater differentiaal diagnostisch gedacht worden aan een verstandelijke beperking.
4.3.
De rechtbank constateert dat onweersproken is gesteld dat betrokkene zijn stoornis in het gebruik van middelen in remmissie is. Betrokkene heeft gemotiveerd toegelicht dat hij door zijn tijd in de PI al langere tijd abstinent is, bovendien is hij gezien de strafrechtelijke bijzondere voorwaarden gemotiveerd om geen middelen te gebruiken. De zorgverleners hebben aangegeven dat de aanleiding voor de crisissituatie ziet op het gedrag dat voortkomt uit de persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank kan gezien het voorgaande niet vaststellen dat de alcoholproblematiek een psychische stoornis is als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
4.4.
Over de persoonlijkheidsproblematiek overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt dat een persoonlijkheidsstoornis op zichzelf geen stoornis is in de zin van de Wvggz. Een persoonlijkheidsstoornis is alleen aan te duiden als psychische stoornis als die gepaard gaat met een andere stoornis of wanneer de stoornis dermate ernstig is dat daardoor het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze voorwaarde niet voldaan. De rechtbank constateert dat daarmee niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg.
4.5.
De rechtbank begrijpt uit de toelichtingen tijdens de mondelinge behandeling dat er een situatie is ontstaan waarin [de instelling] en betrokkene, ongepland en ongewenst, aan elkaar verbonden zijn. Betrokkene is bij zijn invrijheidsstelling verteld dat een voorwaarde daarvoor zou zijn dat hij zich laat opnemen in [een verslavingskliniek] of een soortgelijke zorginstelling. Betrokkene is op dit moment opgenomen in [een andere instelling] .
4.6.
De rechtbank constateert dat door de wachtlijstproblematiek binnen de GGZ betrokkene terecht is gekomen in een omgeving waar hij zich moeilijk kan handhaven. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij door medebewoners, vanuit hun problematiek, getreiterd en beledigd wordt en dat hij het gezien zijn eigen karakter lastig vindt om hier niet op te reageren. De zorgverleners hebben dit beaamd en spreken van een onwenselijke situatie. Tegelijkertijd hebben de zorgverleners geen zicht op een spoedige overplaatsing en zou beëindiging van de plaatsing in [de huidige instelling] waarschijnlijk betekenen dat betrokkene opnieuw gedetineerd wordt. De zorgverleners hebben benadrukt dat de machtiging niet zo zeer nodig is in het kader van (medicamenteuze) behandeling, maar voor waarborging van de veiligheid van medebewoners en personeel op bepaalde momenten. Betrokkene heeft een fysiek incident en meerdere verbale incidenten gehad met medebewoners. Ook zijn de zorgverleners tijdens deze voorvallen bedreigd. De zorgverleners erkennen dat betrokkene op dit moment meewerkend is, zich goed laat begeleiden en meedoet aan het dagprogramma. Echter, willen de zorgverleners een mogelijkheid hebben om betrokkene in te sluiten indien de agressie toeneemt. De zorgverleners benadrukken dat voor de opname an sich het kader van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht toereikend is.
4.7.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de zorgverleners de kaders van verplichte zorg achter de hand willen hebben, is de rechtbank gezien het bovenstaande niet in staat om een dergelijke machtiging te verlenen. Daarbij merkt de rechtbank op dat een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel niet zal worden ingezet voor behandeling en duurzame afwending van mogelijk dreigend ernstig nadeel. Daarvoor is een overplaatsing naar [een verslavingskliniek] noodzakelijk. De rechtbank geeft partijen daarom mee om in gesprek te blijven over een zo spoedig mogelijke overplaatsing van betrokkene. Daarnaast wijst de rechtbank betrokkene erop dat de ontstane situatie niet van de één op de andere dag verholpen zal zijn en dat het ook in zijn belang is om zich voor de resterende periode te verhouden tot het verblijf bij [de huidige instelling] .
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025 door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van T. Akasbi, griffier en op schrift gesteld op 3 april 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.