Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-04-17
ECLI:NL:RBGEL:2025:3570
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,054 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:3570 text/xml public 2026-03-23T11:12:24 2025-05-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-04-17 05.002348.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:3570 text/html public 2026-03-18T15:13:05 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:3570 Rechtbank Gelderland , 17-04-2025 / 05.002348.25 Verduistering van een OV-chipkaart, waarvoor een ISD-maatregel is opgelegd. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.002348.25 Datum uitspraak : 1 mei 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] . Raadsman: mr. B.J. Schadd, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in de periode tussen 18 december 2024 en 3 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, een OV-chipkaart (met nummer [nummer] , op naam van [aangever] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in de periode tussen 18 december 2024 en 3 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk een OV-chipkaart (met nummer [nummer] , op naam van [aangever] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in de periode tussen 18 december 2024 en 3 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, een OV-chipkaart (met nummer [nummer] , op naam van [aangever] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2. hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in de periode tussen 18 december 2024 en 3 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland, een of meerdere reizen/reisproducten/reis trajecten (op factuur) en/of een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutel, door onrechtmatig gebruik te maken van een OV-chipkaart (met nummer [nummer] , op naam van [aangever] ); 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde Gelijk aan de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de OV-chipkaart van [aangever] heeft gestolen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 1, primair, aan hem tenlastegelegde. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1, subsidiair tenlastegelegde, verduistering. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van al hetgeen onder feit 1 aan hem ten laste is gelegd. De raadsman voert daartoe aan dat verdachte zich de OV-chipkaart niet wederrechtelijk heeft toegeëigend, noch dat hij wist dat deze van een misdrijf afkomstig was. Beoordeling door de rechtbank [aangever] heeft op 3 januari 2025 verklaard dat zij haar OV-chipkaart met nummer [nummer] kwijt was. [aangever] heeft een ‘student week vrij OV-kaart’. Zij heeft deze kaart voor het laatst gebruikt op 18 december 2024. Op www.ov-chipkaart.nl zag zij dat er in de periode van 27 december 2024 tot en met 31 december 2024 meerdere keren met haar OV-chipkaart was in- en uitgecheckt op stations in Arnhem. Laatstelijk is er ingecheckt, (dan wel, volgens het overzicht op pagina 26, uitgecheckt) op 31 december 2024 om 16:06 uur op Arnhem Centraal Station. Op 3 januari 2025 heeft de politie in de jaszak van verdachte een studenten OV-chipkaart op naam van [aangever] aangetroffen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de OV-chipkaart had gevonden. Hij verklaarde op dat moment dat de OV-chipkaart niet van hem was maar dat hij deze wel af en toe gebruikte om te reizen. De politie heeft camerabeelden van de incheckpoortjes op Arnhem Centraal Station van 31 december 2024 omstreeks 16:06 uur opgevraagd, bekeken en screenshots van gemaakt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de screenshots van de camerabeelden vergeleken met de foto die van verdachte is gemaakt na zijn aanhouding op 3 januari 2025. [verbalisant 1] zag dat de kleur van de cap van de pet, de kleur van de banden van de rugzak en de kleur van de spijkerbroek overeenkwamen. Ook had verdachte bij zijn aanhouding een zwarte capuchon over zijn pet heen en dat had de persoon op de camerabeelden ook. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de screenshots van de camerabeelden en de politiefoto van de aanhouding bekeken en verdachte herkend. [verbalisant 2] heeft hem voor het laatst gezien bij zijn aanhouding op 3 januari 2025. Hij herkende verdachte aan zijn postuur, kaaklijn, lippen, houding, loopje, kleding, petje en gehele uiterlijke kenmerken. Ter terechtzitting komt verdachte op zijn eerdere verklaring terug en verklaart hij dat hij de OV-chipkaart helemaal niet heeft gebruikt. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de eerdere verklaring van verdachte, temeer nu deze wordt ondersteund door de omstandigheid dat met de OV-chipkaart van [aangever] meerdere keren is in- en uitgecheckt op stations in [woonplaats] , de woonplaats van verdachte, terwijl zij deze zelf niet meer in haar bezit had. Bovendien is verdachte op de camerabeelden van 31 december 2024, op het tijdstip dat met de OV-chipkaart is in-/uitgecheckt, herkend. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 31 december 2024 met de OV-chipkaart bij de NS is in-/uitgecheckt, naar eigen zeggen deze OV-chipkaart vaker heeft gebruikt en dit wordt bevestigd door de vastgelegde reisbewegingen van de OV-chipkaart. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte de OV-chipkaart van [aangever] als vinder meermaals heeft gebruikte als ware deze van hemzelf. Door zo te handelen heeft verdachte zich deze OV-chipkaart wederrechtelijk toegeëigend. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering (onder feit 1, subsidiair aan hem tenlastegelegd). Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat treinreizen op geld waardeerbaar zijn en derhalve een goed zijn in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verdachte heeft deze goederen onder zijn bereik gebracht door middel van een valse sleutel. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal middels een valse sleutel.
Volledig
Beoordeling door de rechtbank Als eerder vastgesteld heeft verdachte meermaals de OV-chipkaart van [aangever] gebruikt om in- en uit te checken om per trein te kunnen reizen. Verdachte heeft dus weliswaar de OV-chipkaart van [aangever] als valse sleutel gebruikt om zijn vervoer per trein door de NS en/of Arriva onder zijn bereik te krijgen – en wellicht zo de NS dan wel Arriva bewogen voor hem deze diensten te leveren - maar dit heeft niet geleid tot enige aantasting van het vermogen van [aangever] of anderszins tot verlies van iets dat voor haar waarde had. [aangever] beschikte immers over een weekabonnement voor studenten. Het in- en uitchecken gebeurde steeds in weekdagen, zodat er bij haar niets in rekening werd gebracht. Er is aldus niet op factuur gereisd en ook kan niet worden vastgesteld dat er geldbedragen of op geld waardeerbare tegoeden zijn weggenomen door verdachte. De rechtbank oordeelt dat een treinreis met een (vooraf afgekocht dan wel in het kader van studiefinanciering verstrekt) onbeperkt openbaar vervoerabonnement, niet is te beschouwen als een weggenomen goed in de zin van artikel 310 Sr. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de onder feit 2 aan hem ten laste gelegde diefstal. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, subsidiair, tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in de periode tussen 18 december 2024 en 3 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland , opzettelijk een OV-chipkaart (met nummer [nummer] , op naam van [aangever] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1, subsidiair: Verduistering 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren zal worden opgelegd, zonder aftrek van voorarrest. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair voert de raadsman aan dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, maar een gevangenisstraf. Verdachte heeft al twee keer eerder tevergeefs een ISD-maatregel doorlopen. Hij is niet behandelbaar. Bovendien is de verduistering van de OV-chipkaart geen ISD-waardig feit. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is de laatste jaren veelvuldig veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Hij heeft zich nu weer schuldig gemaakt aan de verduistering van een OV-chipkaart. Dergelijke feiten bezorgen de samenleving als geheel en degenen die slachtoffer worden van verdachtes gedrag in het bijzonder ernstige overlast. Reclassering Leger des Heils heeft in haar rapport van 28 maart 2025 kort gezegd geadviseerd tot oplegging van de ISD-maatregel. De reclassering overweegt daartoe als volgt. Verdachte wilde niet met de reclassering in gesprek en daarom is er geen beeld van zijn huidige leefomstandigheden en kan de reclassering geen criminogene factoren duiden. Wel ziet zij in de beschikbare dossierinformatie de nodige zorgelijke signalen die duiden op dakloosheid, problematisch middelengebruik en financiële problemen. Sinds 2021 wenst verdachte al niet meer in gesprek te gaan met de reclassering en eerdere trajecten werden in het verleden veelal voortijdig negatief beëindigd. Ook heeft verdachte al twee keer eerder een ISD-maatregel doorlopen. De reclassering concludeert dat geen van deze interventies heeft kunnen leiden tot duurzame gedragsverandering en recidivevermindering. Ondanks de twijfels of een dergelijk kader dit keer wel tot deze duurzame gedragsverandering zal leiden, ziet zij momenteel geen andere mogelijkheden voor het inzetten van reclasseringsinterventies dan het opleggen van een derde ISD-maatregel. De ISD-maatregel kan worden opgelegd als aan een aantal voorwaarden is voldaan. De rechtbank stelt vast dat, zoals onder meer uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte van 10 april 2025 blijkt, wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 38m, eerste lid, onder 1° en 2°, Sr en de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers. Er moet naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal plegen. Daarom eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel, die strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive. Er is bij verdachte sprake van verslaving en/of andere problematiek. Omdat het plegen van strafbare feiten hiermee samenhangt, strekt de maatregel er ook toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek dan wel van die andere problematiek. De ISD-maatregel biedt de gelegenheid tot een gedegen plan van aanpak voor die problematiek. Dat de twee eerdere ISD-maatregelen niet tot het beëindigen van recidive bij verdachte hebben geleid, maakt niet dat een derde ISD-maatregel bij voorbaat niet succesvol of minder noodzakelijk zou (kunnen) zijn. De rechtbank zal de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. Om de behandelmogelijkheden in het kader van de op te leggen maatregel niet te doorkruisen, heeft de rechtbank bij het bepalen van deze duur geen rekening gehouden met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 321 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten; verklaart bewezen dat verdachte de het feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar . Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Veldhuizen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2025. mr. P. Verkroost is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025004612, gesloten op 5 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.