Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-16
ECLI:NL:RBGEL:2025:357
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/108960-23
Datum uitspraak : 16 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1948 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] , [postcode] , in [woonplaats] .
Raadsman: mr. F.E.J. Janzing, advocaat in Wijchen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op/in of omstreeks de periode van 12 november 2015 tot en met 28 oktober 2019,
te Horssen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een schilderij met daarop afgebeeld “Heilige Maria van onbevlekte ontvangenis – heilige Eligius - heilige Catharina – Stephanus”, althans een kunstwerk dan wel religieus voorwerp, en/of
- een schilderij met daarop afgebeeld “God de Vader – apostel Petrus, Apostel Johannes – heilige Ignatius” althans een kunstwerk dan wel religieus voorwerp, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
2De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde opzetheling wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 60 uren.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van opzetheling omdat verdachte niet wist dat de schilderijen afkomstig waren van misdrijf en er ook geen sprake is van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat de schilderijen van misdrijf afkomstig waren.
De verdediging heeft ten aanzien van de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde schuldheling aangevoerd dat dit is verjaard. [bedrijf] (hierna te noemen: [bedrijf] ) heeft de schilderijen in november 2015 verworven en op 18 december 2017 zijn ze strafvorderlijk in beslag genomen. Na de datum van inbeslagname is de verjaringstermijn gaan lopen en op 19 december 2023 is het feit daarom verjaard.
Indien het beroep op verjaring wordt verworpen heeft de verdediging vrijspraak bepleit van schuldheling. Verdachte heeft niet aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld.
Overwegingen
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende relevante feiten en omstandigheden vast.
In mei 2002 zijn (onder meer) de schilderijen ‘heilige Maria van onbevlekte ontvangenis - heilige Eligius - heilige Catharina - heilige Stephanus’ (hierna te noemen: het Madonna-schilderij) en ‘God de vader - apostel Petrus - apostel Johannes -heilige Ignatius’ (hierna te noemen: het Petrus-schilderij) gestolen uit de abdij [abdij] in Italië.
In 2015 zijn de schilderijen in Nederland terechtgekomen via medeverdachte [medeverdachte 1] , die ze op verzoek van een kennis ter verkoop heeft aangeboden aan Notarishuis [notarishuis] (hierna te noemen: Notarishuis).
Medeverdachte [medeverdachte 2] (van Notarishuis) heeft de schilderijen doen ophalen bij medeverdachte [medeverdachte 1] en ze aangeboden op een veiling van Notarishuis in november 2015. De schilderijen waren voorzien van de begeleidende tekst: “Italiaanse school (18e eeuw) Altaarstuk met Heilige, draak, cupido’s en figuren, toogvormig doek – 258 x 126 cm, € 800 - € 1.200” en “Italiaanse school (18e eeuw) Altaarstuk met Heilige, Petrus, engelen en figuren, toogvormig doek – 258 x 126 cm, € 800 - € 1.200”.
Medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna te noemen: [medeverdachte 3] ; net als verdachte vertegenwoordiger van [bedrijf] ;) heeft bij Notarishuis de schilderijen op verzoek van verdachte, zijn vader, bekeken op een kijkdag en ze vervolgens gekocht. Verdachte en [medeverdachte 3] hebben voorafgaand aan de aanschaf van de schilderijen geen onderzoek verricht en hebben Notarishuis geen nadere vragen gesteld over de herkomst of de inbrenger van de schilderijen.
Verdachte heeft verklaard dat hij ervan uitging dat de stukken uit België kwamen, omdat dit soort voorwerpen van Italiaanse herkomst niet legaal de grens over komt.
Verjaring gestuit
Vanwege de hierna te bespreken vrijspraak voor de opzetheling dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van verjaring van de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde schuldheling. Voor schuldheling geldt een verjaringstermijn van zes jaren. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot overname van de strafvervolging op 16 oktober 2019, de daarop volgende inbeslagname van de schilderijen op 28 oktober 2019 en de acceptatie van de overname op 6 januari 2020 kwalificeert als een daad van vervolging, waarmee de verjaring is gestuit. Het beroep van de verdediging op verjaring van de schuldheling faalt.
Vrijspraak opzet- en schuldheling
De rechtbank oordeelt dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte wist dan wel had moeten vermoeden dat de schilderijen van misdrijf afkomstig waren.
Voor een bewezenverklaring van opzetheling is vereist dat de pleger wetenschap had van de criminele herkomst van het goed bij het verkrijgen of voorhanden krijgen ervan. Voor die wetenschap is voorwaardelijk opzet voldoende: de pleger moet de aanmerkelijke kans dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, bewust hebben aanvaard.
Verdachte heeft met zijn bedrijf [bedrijf] , de schilderijen gekocht bij een erkend veilinghuis (Notarishuis), wat voor de koper, als uitgangspunt, de verwachting rechtvaardigt dat de (legitieme) herkomst was geverifieerd. Dat in Italië veel wordt gestolen uit kloosters en kerken en dat ook Italiaanse kunst die zich nu daadwerkelijk in Italië bevindt niet mag worden geëxporteerd, betekent niet dat verdachte – gelet op de omschrijving ‘Italiaanse school’ – (voorwaardelijk) opzet had op de criminele herkomst van de stukken. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair ten laste gelegde opzetheling.
Evenmin betekent het dat hij grovelijk dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.
Voor een bewezenverklaring van schuldheling is vereist dat verdachte op het moment van verkrijging van de schilderijen ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ dat de schilderijen van misdrijf afkomstig waren. Er moet sprake zijn van ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’. Daarvan is sprake indien de pleger bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed, had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Het tekortschieten in de onderzoeksplicht moet uit de bewijsmiddelen zijn af te leiden. De politie heeft na overleg met de Italiaanse autoriteiten de schilderijen gevonden op pagina 459 van de Italiaanse website voor gestolen kunst. Een onderzoek naar de mogelijke criminele herkomst was blijkens het dossier weliswaar mogelijk, maar de mogelijkheden waren hiervoor voor de handelaar, zeker in 2015, beperkt. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verdachte weliswaar geen nader onderzoek heeft verricht of vragen heeft gesteld aan de verkopende partij, de wettelijke toets van ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’ niet wordt gehaald. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de ten laste gelegde schuldheling.
De omstandigheid dat verder geen onderzoek is gedaan naar documentatie, oorsprong, de provenance en de inbrenger van de schilderijen en daarmee mogelijk niet is voldaan aan de vereiste zorgvuldigheid bij verkrijging als bedoeld in 3:87a BW, en er mogelijk geen beroep gedaan kan worden op de bescherming bij verkrijging te goeder trouw in het civiel recht , doet daar – temeer nu daarvoor andere criteria gelden – niet aan af.
Beoordeling
[benadeelde] heeft zich namens de abdij als benadeelde partij gevoegd in het strafproces, en vordert een ‘te kwantificeren’ (verder niet geconcretiseerd) bedrag aan materiële en/of immateriële schade voor (het verlies van) “twee olieverfschilderijen op doek”.
Overweging van de rechtbank
Nu verdachte wordt vrijgesproken is de benadeelde partij al om die reden niet-ontvankelijk in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] , optredend namens de abdij, niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 januari 2024.
Mr. Van Veldhuizen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.