Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-02-03
ECLI:NL:RBGEL:2025:3508
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,880 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/446343 / FZ RK 25-128
Datum uitspraak: 3 februari 2025
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[naam betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. I. Vreeken te Zutphen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2025. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mw. [naam 1] , de mentor en tevens bewindvoerder van betrokkene;
- mw. [naam 2] , de casemanager dementie van betrokkene verbonden aan Sensire.
2Wat vaststaat
2.1.
Voor betrokkene is mentorschap ingesteld.
3Het verzoek
3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor de duur van zes maanden te verlenen.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank zal het verzoek aanhouden voor de duur van acht weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen of er geen minder bezwarende alternatieven bestaan voor een opname die hetzelfde beoogde effect hebben.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er op zichzelf nog mogelijkheden bestaan om de zorg in de thuissituatie op te schalen, maar dat dit tot voor kort niet gefinancierd kon worden. Betrokkene heeft op dit moment een Wlz indicatie; de VV-05 met EKT-regeling (125%). De casemanager heeft toegelicht dat zij tegen het plafond van de indicatie zit en geen extra zorg kan inkopen. De situatie is op dit moment dat HomeInstead de thuiszorg voor betrokkene levert en dat een andere partij huishoudelijke hulp verricht bij betrokkene thuis. Uit de stukken blijkt dat (een deel van) het ernstig nadeel voortkomt uit de agitatie en achterdocht die betrokkene vertoont als gevolg van de wanen die hij ervaart. De huisarts zou graag willen onderzoeken wat ambulante medicamenteuze behandeling (met antipsychotica) hieraan kan veranderen. Tot voor kort was het niet mogelijk om een partij in te kopen die betrokkene kan begeleiden bij de medicatie toediening, waardoor de huisarts in samenspraak met casemanager had besloten om niet over te gaan tot een dergelijke behandeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de mentor (tevens bewindvoerder) naar voren gebracht dat betrokkene door een erfenis sinds kort meer financiële ruimte heeft. De mentor heeft daarom voorgesteld om te onderzoeken of er een private partij is die de begeleiding voor betrokkene bij de behandeling met medicatie kan oppakken.
4.3.
De rechtbank acht het passend en noodzakelijk om een termijn te bieden waarin de casemanager en de mentor in samenspraak met de huisarts onderzoeken of:
een dergelijke partij beschikbaar is (op korte termijn);
er een financieringsconstructie gevonden kan worden om een dergelijke partij (privé) in te kopen voor de zorg voor betrokkene;
betrokkene meewerkt aan de extra huisbezoeken die het voornoemde teweeg zal brengen.
4.4.
De rechtbank constateert dat de advocaat van betrokkene heeft verzocht om het verzoek (direct) af te wijzen. De advocaat heeft aangegeven dat over acht weken een situatie zou kunnen ontstaan dat de behandeling met medicatie positief verloopt, maar dat deze nog niet het optimale resultaat heeft. De advocaat legt uit dat het soms maanden kan duren voor behandeling met antipsychotica het maximale effect geeft.
De rechtbank benadrukt dat het mede gezien het feit dat de bovengenoemde constructie ter zitting is voorgesteld, in de rede ligt om eerst te bezien of de gewenste behandeling met medicatie überhaupt van de grond komt alvorens de rechtbank zich uitlaat over de doelmatigheid daarvan en de vraag of het mogelijk dreigende ernstig nadeel op die manier voldoende kan worden afgewend.
4.5.
De rechtbank verzoekt de casemanager dementie en/of de mentor om uiterlijk 10 maart 2025 het CIZ te informeren over het verloop van de afgelopen periode, de actuele stand van zaken en de vraag of zij het verzoek handhaaft of intrekt en of er behoefte is aan een mondelinge behandeling, waarna het CIZ uiterlijk op 17 maart 2025 de rechtbank en de advocaat van betrokkene dient te informeren.
4.6.
De rechtbank verzoekt de advocaat van betrokkene om uiterlijk op 20 maart 2025 te reageren op het bericht van het CIZ, een standpunt in te nemen namens betrokkene en zich eveneens uit te laten over eventuele behoefte aan een mondelinge behandeling.
4.7.
De rechtbank zal uiterlijk op 24 maart 2025 beslissen of zij zich op dat moment in staat acht om over te gaan tot een beslissing over het aangehouden verzoek of dat zij hiervoor uiterlijk op 28 maart 2025 een mondelinge behandeling plant en de belanghebbenden daarvoor uitnodigt.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
houdt het verzoek aan voor de duur van acht weken (tot 31 maart 2025);
5.2.
verzoekt het CIZ om uiterlijk op 17 maart 2025 (namens de casemanager dementie en/of de mentor) de rechtbank, de advocaat van betrokkene, de casemanager dementie en de mentor van betrokkene te informeren over het verloop van de afgelopen periode, de actuele stand van zaken en de vraag of zij het verzoek handhaaft of intrekt en of er behoefte is aan een mondelinge behandeling;
5.3.
verzoekt de advocaat van betrokkene om uiterlijk op 20 maart 2025 te reageren op het bericht van het CIZ en zich daarbij eveneens uit te laten over eventuele behoefte aan een mondelinge behandeling.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2025 door mr. E.J. Swiers, rechter, in aanwezigheid van T. Akasbi, griffier en op schrift gesteld op 17 februari 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.