Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-04-18
ECLI:NL:RBGEL:2025:3336
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
5,776 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team bewind
Zittingsplaats Zutphen
BM nummer 84393
Zaaknummer: 11658237 BH VERZ 25-6870
beschikking van de kantonrechter van 18 april 2025
op verzoek van
[rechthebbende] ,
wonende te [postcode en woonplaats] , [straat en huisnummer] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
hierna te noemen: rechthebbende of verzoeker,
over wiens goederen van 23 augustus 2014 tot en met 1 maart 2024 bewindvoerder was:
[voormalig bewindvoerder 2] ,
correspondentieadres: [postbus] , [postcode en plaats] ,
hierna te noemen: [voormalig bewindvoerder 2] ,
en over wiens goederen van 18 augustus 2012 tot en met 23 augustus 2014 bewindvoerder was:
[voormalig bewindvoerder 1] ,
correspondentieadres: [postbus] , [postcode en plaats] ,
hierna te noemen: [voormalig bewindvoerder 1] .
[voormalig bewindvoerder 2] en/of [voormalig bewindvoerder 1] worden hierna ook genoemd: de voormalig bewindvoerder.
Procesverloop
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 januari 2025 betreffende het schadeverzoek van rechthebbende (hierna ook de schadebeschikking);
- de e-mail van verzoeker houdende een verzoek tot herroeping met bijlagen, ontvangen op 16 april 2024;
Feiten
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 januari 2025 is beslist op een schadeverzoek van rechthebbende.
Het verzoek
Verzoeker verzoekt om herroeping ex artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Hij stelt dat sprake is van bedrog en het achterhouden van stukken van beslissende aard door de voormalig bewindvoerder in de schadevergoedingsprocedure.
Beoordeling
Wettelijk kader
In artikel 390 Rv is bepaald:
Een beschikking kan op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker (…) worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet.
In artikel 391 Rv is bepaald:
De artikelen 382 tot en met 384 en 386 tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing. Overigens wordt het verzoek tot herroeping behandeld op de wijze als in de derde titel is bepaald.
In artikel 382 Rv is bepaald:
Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:
a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of
c.de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
In artikel 382 lid 1 Rv is bepaald:
Het rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
In artikel 278 lid 2 Rv is onder meer bepaald:
Het verzoekschrift wordt ondertekend en ter griffie ingediend.
Niet ontvankelijk verzoek
Het verzoek van verzoeker is niet ondertekend en voldoet daarmee niet aan de eisen die aan indiening van een verzoekschrift worden gesteld. Dat is echter een herstelbare omissie.
Verzoeker stelt dat hij op 16 januari 2025 bekend is geworden met de omstandigheden die hem aanleiding hebben gegeven om het herroepingsverzoek te doen. Dat is weliswaar voordat de schadebeschikking is gewezen maar gelet op de omstandigheid dat rechthebbende toen niet meer op stukken kon reageren omdat beschikking zou worden gewezen, staat dit niet aan het verzoek in de weg.
Artikel 382 jo 391 Rv bepaalt echter dat het rechtsmiddel van herroeping moet geschieden nadat de beschikking waarvan herroeping verzocht wordt in kracht van gewijsde is gegaan. Verzoeker heeft weliswaar de keuze tussen beide rechtsingangen (hoger beroep of herroeping) maar moet wel het verlopen zijn van de termijn afwachten. Verzoeker stelt dat hij afstand doet van zijn recht op hoger beroep tegen de beschikking van 31 januari 2025. Hij miskent echter dat daarmee nog geen sprake is van kracht van gewijsde nu ook de voormalig bewindvoerder tegen die beschikking hoger beroep kan instellen.
Uit productie e bij het verzoek, pagina 3, blijkt dat de bewindvoerder het op grond van de schadebeschikking aan rechthebbende te betalen bedrag heeft betaald, immers rechthebbende schrijft daar dat hij dat bedrag op 5 februari 2025 heeft ontvangen. Aannemelijk is derhalve dat de voormalig bewindvoerder van het recht op hoger beroep geen gebruik zal maken maar van afstand van dat recht is niet gebleken. Het verzoek is dus te vroeg ingediend.
Derhalve is sprake van een niet-ontvankelijk verzoek.
Geen zitting
Nu het verzoek niet-ontvankelijk is, zal de kantonrechter zonder zitting beschikking wijzen.
Spoedbeschikking
Gelet het feit dat thans de termijn van hoger beroep nog niet is verstreken en uit het verzoek blijkt dat verzoeker meer grieven heeft tegen de gewezen beschikking dan enkel die waarop een herroepingsverzoek kan zien, ziet de kantonrechter aanleiding met spoed deze beschikking te wijzen. Uit de correspondentie met de voormalig bewindvoerder blijkt namelijk dat verzoeker wel degelijk hoger beroep overweegt of heeft overwogen.
Tevens zal de kantonrechter ten overvloede op de inhoudelijke grieven van verzoeker ingaan.
Inhoudelijk overwegingen ten overvloede
De regeling van herroeping
Herroeping is een buitengewoon rechtsmiddel dat tegen in kracht van gewijsde gegane beschikkingen kan worden aangewend, uitsluitend op drie gronden waaraan bij de eerste en derde herroepingsgrond steeds een verwijtbare gedraging van de wederpartij ten grondslag ligt. Bewuste oneerlijkheid vraagt om een (laatste) correctiemogelijkheid. In principe kent de wet een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Verzoeker kan de gewezen beschikking betwisten in hoger beroep. Bij gebreke daarvan is de uitspraak onherroepelijk en bindt deze de daarbij betrokken partijen (het beginsel van het gezag van gewijsde). Dit betekent dat het rechtsmiddel uitsluitend behoort open te staan als het werkelijk om ernstige inbreuken op de rechtvaardigheid gaat. Ook moet met de toelating van dit buitengewoon rechtsmiddel uiterst terughoudend worden omgegaan. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw ter discussie kunnen worden gesteld.
Bij de gronden van artikel 382 Rv gaat het er telkens om dat de feitelijke basis van de rechterlijke uitspraak althans de totstandkoming van de uitspraak als gevolg van een van de in die gronden omschreven feiten, in enig opzicht niet deugt. Een vordering tot herroeping heeft aldus tot grondslag het niet deugen van een feitelijke vaststelling of beoordeling in de uitspraak waartoe de rechter is gekomen, zich volgens het geldende procesrecht richtend op hetgeen partijen omtrent de feiten hebben aangevoerd.
In het onderhavige geval stelt verzoeker dat het verzoek berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd en op de omstandigheid dat hij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Verzwegen AVG verzoek van 1 oktober 2024
Uit het verzoekschrift blijkt dat het hem allereerst gaat om de omstandigheid dat de voormalig bewindvoerder de rechtbank er niet van op de hoogte heeft gesteld dat verzoeker AVG verzoeken bij hem had gedaan. Dat AVG verzoek was de kantonrechter echter bij het wijzen van de beschikking wel degelijk bekend, zoals ook blijkt uit de beschikking van 31 januari 2025 en het onderhavige verzoekschrift. Verzoeker heeft dat verzoek in de schadeprocedure namelijk zelf aan de orde gesteld.
In de schadebeschikking staat onder ‘verzoek en verweer’:
“Verder heeft verzoeker de kantonrechter geïnformeerd over een verzoek van hem aan [voormalig bewindvoerder] over het overleggen van stukken en een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Tevens heeft hij een daarmee samenhangende vordering ingediend. De kantonrechter heeft het verzoek het onderzoek hiervoor te heropenen afgewezen.”.
Het AVG verzoek hield onder meer in het verzoek van verzoeker aan de voormalig bewindvoerder om e-mails aan een mailadres van verzoeker te overleggen. Daarover staat in de schadebeschikking onder “(Deskundigen)onderzoek en overleggen stukken’:
“De kantonrechter zal in dat kader eveneens het verzoek afwijzen om [voormalig bewindvoerder] op te dragen alle correspondentie met een bepaald e-mailadres van verzoeker enerzijds en [voormalig bewindvoerder] anderzijds te verstrekken’.
Verder zag het op correspondentie over het CBR en het Alcoholslotprogramma en documenten waarin wordt erkend dat betaling aan het CBR is vergeten. Verzoeker heeft in de schadevergoedingsprocedure verzocht om die stukken/ stukken daarover in het geding te brengen omdat hij die zelf niet meer bezat.
Conclusie
De kantonrechter is van oordeel dat niet is gebleken van ernstige inbreuken op de rechtvaardigheid die als deze in de schadeprocedure bekend waren geweest tot een ander oordeel zouden hebben geleid. Het herroepingsverzoek is niet-ontvankelijk maar had op grond van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ook niet tot toewijzing van het herroepingsverzoek kunnen leiden.
Dictum
De kantonrechter
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het herroepingsverzoek.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2025.
Tegen deze beslissing kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Zie mr. drs. P.A. Fruytier in Groene serie vermogensrecht.
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team bewind
Zittingsplaats Zutphen
BM nummer 84393
Zaaknummer: 11658237 BH VERZ 25-6870
beschikking van de kantonrechter van 18 april 2025
op verzoek van
[rechthebbende] ,
wonende te [postcode en woonplaats] , [straat en huisnummer] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
hierna te noemen: rechthebbende of verzoeker,
over wiens goederen van 23 augustus 2014 tot en met 1 maart 2024 bewindvoerder was:
[voormalig bewindvoerder 2] ,
correspondentieadres: [postbus] , [postcode en plaats] ,
hierna te noemen: [voormalig bewindvoerder 2] ,
en over wiens goederen van 18 augustus 2012 tot en met 23 augustus 2014 bewindvoerder was:
[voormalig bewindvoerder 1] ,
correspondentieadres: [postbus] , [postcode en plaats] ,
hierna te noemen: [voormalig bewindvoerder 1] .
[voormalig bewindvoerder 2] en/of [voormalig bewindvoerder 1] worden hierna ook genoemd: de voormalig bewindvoerder.
Procesverloop
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 januari 2025 betreffende het schadeverzoek van rechthebbende (hierna ook de schadebeschikking);
- de e-mail van verzoeker houdende een verzoek tot herroeping met bijlagen, ontvangen op 16 april 2024;
Feiten
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 januari 2025 is beslist op een schadeverzoek van rechthebbende.
Het verzoek
Verzoeker verzoekt om herroeping ex artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Hij stelt dat sprake is van bedrog en het achterhouden van stukken van beslissende aard door de voormalig bewindvoerder in de schadevergoedingsprocedure.
Beoordeling
Wettelijk kader
In artikel 390 Rv is bepaald:
Een beschikking kan op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker (…) worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet.
In artikel 391 Rv is bepaald:
De artikelen 382 tot en met 384 en 386 tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing. Overigens wordt het verzoek tot herroeping behandeld op de wijze als in de derde titel is bepaald.
In artikel 382 Rv is bepaald:
Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:
a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,
b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of
c.de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
In artikel 382 lid 1 Rv is bepaald:
Het rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
In artikel 278 lid 2 Rv is onder meer bepaald:
Het verzoekschrift wordt ondertekend en ter griffie ingediend.
Niet ontvankelijk verzoek
Het verzoek van verzoeker is niet ondertekend en voldoet daarmee niet aan de eisen die aan indiening van een verzoekschrift worden gesteld. Dat is echter een herstelbare omissie.
Verzoeker stelt dat hij op 16 januari 2025 bekend is geworden met de omstandigheden die hem aanleiding hebben gegeven om het herroepingsverzoek te doen. Dat is weliswaar voordat de schadebeschikking is gewezen maar gelet op de omstandigheid dat rechthebbende toen niet meer op stukken kon reageren omdat beschikking zou worden gewezen, staat dit niet aan het verzoek in de weg.
Artikel 382 jo 391 Rv bepaalt echter dat het rechtsmiddel van herroeping moet geschieden nadat de beschikking waarvan herroeping verzocht wordt in kracht van gewijsde is gegaan. Verzoeker heeft weliswaar de keuze tussen beide rechtsingangen (hoger beroep of herroeping) maar moet wel het verlopen zijn van de termijn afwachten. Verzoeker stelt dat hij afstand doet van zijn recht op hoger beroep tegen de beschikking van 31 januari 2025. Hij miskent echter dat daarmee nog geen sprake is van kracht van gewijsde nu ook de voormalig bewindvoerder tegen die beschikking hoger beroep kan instellen.
Uit productie e bij het verzoek, pagina 3, blijkt dat de bewindvoerder het op grond van de schadebeschikking aan rechthebbende te betalen bedrag heeft betaald, immers rechthebbende schrijft daar dat hij dat bedrag op 5 februari 2025 heeft ontvangen. Aannemelijk is derhalve dat de voormalig bewindvoerder van het recht op hoger beroep geen gebruik zal maken maar van afstand van dat recht is niet gebleken. Het verzoek is dus te vroeg ingediend.
Derhalve is sprake van een niet-ontvankelijk verzoek.
Geen zitting
Nu het verzoek niet-ontvankelijk is, zal de kantonrechter zonder zitting beschikking wijzen.
Spoedbeschikking
Gelet het feit dat thans de termijn van hoger beroep nog niet is verstreken en uit het verzoek blijkt dat verzoeker meer grieven heeft tegen de gewezen beschikking dan enkel die waarop een herroepingsverzoek kan zien, ziet de kantonrechter aanleiding met spoed deze beschikking te wijzen. Uit de correspondentie met de voormalig bewindvoerder blijkt namelijk dat verzoeker wel degelijk hoger beroep overweegt of heeft overwogen.
Tevens zal de kantonrechter ten overvloede op de inhoudelijke grieven van verzoeker ingaan.
Inhoudelijk overwegingen ten overvloede
De regeling van herroeping
Herroeping is een buitengewoon rechtsmiddel dat tegen in kracht van gewijsde gegane beschikkingen kan worden aangewend, uitsluitend op drie gronden waaraan bij de eerste en derde herroepingsgrond steeds een verwijtbare gedraging van de wederpartij ten grondslag ligt. Bewuste oneerlijkheid vraagt om een (laatste) correctiemogelijkheid. In principe kent de wet een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Verzoeker kan de gewezen beschikking betwisten in hoger beroep. Bij gebreke daarvan is de uitspraak onherroepelijk en bindt deze de daarbij betrokken partijen (het beginsel van het gezag van gewijsde). Dit betekent dat het rechtsmiddel uitsluitend behoort open te staan als het werkelijk om ernstige inbreuken op de rechtvaardigheid gaat. Ook moet met de toelating van dit buitengewoon rechtsmiddel uiterst terughoudend worden omgegaan. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw ter discussie kunnen worden gesteld.
Bij de gronden van artikel 382 Rv gaat het er telkens om dat de feitelijke basis van de rechterlijke uitspraak althans de totstandkoming van de uitspraak als gevolg van een van de in die gronden omschreven feiten, in enig opzicht niet deugt. Een vordering tot herroeping heeft aldus tot grondslag het niet deugen van een feitelijke vaststelling of beoordeling in de uitspraak waartoe de rechter is gekomen, zich volgens het geldende procesrecht richtend op hetgeen partijen omtrent de feiten hebben aangevoerd.
In het onderhavige geval stelt verzoeker dat het verzoek berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd en op de omstandigheid dat hij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
Verzwegen AVG verzoek van 1 oktober 2024
Uit het verzoekschrift blijkt dat het hem allereerst gaat om de omstandigheid dat de voormalig bewindvoerder de rechtbank er niet van op de hoogte heeft gesteld dat verzoeker AVG verzoeken bij hem had gedaan. Dat AVG verzoek was de kantonrechter echter bij het wijzen van de beschikking wel degelijk bekend, zoals ook blijkt uit de beschikking van 31 januari 2025 en het onderhavige verzoekschrift. Verzoeker heeft dat verzoek in de schadeprocedure namelijk zelf aan de orde gesteld.
In de schadebeschikking staat onder ‘verzoek en verweer’:
“Verder heeft verzoeker de kantonrechter geïnformeerd over een verzoek van hem aan [voormalig bewindvoerder] over het overleggen van stukken en een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Tevens heeft hij een daarmee samenhangende vordering ingediend. De kantonrechter heeft het verzoek het onderzoek hiervoor te heropenen afgewezen.”.
Het AVG verzoek hield onder meer in het verzoek van verzoeker aan de voormalig bewindvoerder om e-mails aan een mailadres van verzoeker te overleggen. Daarover staat in de schadebeschikking onder “(Deskundigen)onderzoek en overleggen stukken’:
“De kantonrechter zal in dat kader eveneens het verzoek afwijzen om [voormalig bewindvoerder] op te dragen alle correspondentie met een bepaald e-mailadres van verzoeker enerzijds en [voormalig bewindvoerder] anderzijds te verstrekken’.
Verder zag het op correspondentie over het CBR en het Alcoholslotprogramma en documenten waarin wordt erkend dat betaling aan het CBR is vergeten. Verzoeker heeft in de schadevergoedingsprocedure verzocht om die stukken/ stukken daarover in het geding te brengen omdat hij die zelf niet meer bezat.
Conclusie
De kantonrechter is van oordeel dat niet is gebleken van ernstige inbreuken op de rechtvaardigheid die als deze in de schadeprocedure bekend waren geweest tot een ander oordeel zouden hebben geleid. Het herroepingsverzoek is niet-ontvankelijk maar had op grond van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ook niet tot toewijzing van het herroepingsverzoek kunnen leiden.
Dictum
De kantonrechter
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het herroepingsverzoek.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2025.
Tegen deze beslissing kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Zie mr. drs. P.A. Fruytier in Groene serie vermogensrecht.