Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-04-25
ECLI:NL:RBGEL:2025:3197
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,028 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/987
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de SVB om het pensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) te herzien naar een volledig pensioen met terugwerkende kracht vanaf juli 2021. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser had de SVB zijn AOW-pensioen moeten herzien met volledig terugwerkende kracht vanaf de datum van de toekenning, namelijk [datum] 2008. Wat eiser daartoe aanvoert, wordt door de rechtbank beoordeeld in deze uitspraak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht het AOW-pensioen van eiser heeft herzien vanaf juli 2021. Volgens de rechtbank is geen sprake van een fout van de SVB of van een derde op grond waarvan de SVB het AOW-pensioen van eiser met een verdergaande terugwerkende kracht had moeten herzien. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De SVB heeft het besluit om het AOW-pensioen van eiser te herzien naar een volledig pensioen met terugwerkende kracht vanaf juli 2021 genomen op 30 september 2022. Met het bestreden besluit van 5 januari 2023 op het bezwaar van eiser is de SVB hierbij gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft nadere vragen gesteld aan de SVB die op 13 december 2024 zijn beantwoord. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 tijdens een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. De SVB heeft, na een door eiser gedane aanvraag, bij besluit van 27 augustus 2008, aan hem met ingang van november 2008 een AOW-pensioen toegekend. Daarbij heeft de SVB beslist dat eisers AOW-pensioen gekort wordt met vier procent, omdat hij twee jaar niet verzekerd was voor de AOW. Hieraan heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiser in de periode van 17 september 1960 tot en met 19 september 1962 is verhuisd naar een niet EU/EER-land. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
3.1.
Op 14 augustus 2022 heeft eiser de SVB verzocht om zijn AOW-pensioen met ingang van [datum] 2008 te herzien naar een volledig AOW-pensioen. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de SVB zijn AOW-pensioen vanaf de ingangsdatum ten onrechte met vier procent heeft gekort. Eiser woonde immers in de periode van 17 september 1960 tot en met 19 september 1962 niet in Nederlands-Indië, zoals de SVB stelt, maar op Biak, Nieuw Guinea. Dit is een overzees grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Zijn vader werd als beroepsmilitair uitgezonden en het hele gezin is meegegaan. Eiser heeft ter onderbouwing (onder andere) zijn persoonskaart en de persoonskaart van zijn vader overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft de SVB besloten eisers AOW-pensioen vanaf juli 2021 te herzien door aan hem vanaf dan een volledig AOW-pensioen toe te kennen. Eiser was in de periode van 17 september 1960 tot en met 19 september 1962 wel verzekerd voor de AOW, omdat hij in die periode tijdelijk in Nederlands-Nieuw-Guinea was vanwege de werkzaamheden van zijn vader en hij daarna weer is teruggekomen naar Nederland. Hij bleef dus ingezetene in Nederland. Volgens de SVB is er geen sprake van een bijzonder geval om een terugwerkende kracht van vijf jaar toe te passen. Van een fout van de SVB is geen sprake. Eiser heeft pas bij zijn verzoek om herziening nieuwe informatie ingebracht. Dit had hij eerder kunnen doen.
Toetsingskader
3.2.
Eiser heeft met zijn verzoek om herziening verzocht om terug te komen van het besluit van 27 augustus 2008. De SVB heeft dit beoordeeld aan de hand van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent in dit geval, waarbij het gaat om een duuraanspraak, dat de bestuursrechter voor de periode vóór het verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die vóór dat besluit niet konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
3.3.
Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.
3.4.
De SVB voert, zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, het beleid om vast te stellen of het evident onredelijk is om zonder terugwerkende kracht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit. Volgens dit beleid is dit het geval als het besluit, gelet op wat in het herzieningsverzoek wordt aangevoerd, onmiskenbaar onjuist is. Voor de mate van terugwerkende kracht is van belang of de onjuistheid het gevolg is van:
- een fout van de SVB;
- een wijziging van het beleid van de SVB; of
- overige omstandigheden, zoals een fout van de belanghebbende of een derde.
Volgens het beleid is sprake van een onjuist besluit als gevolg van een fout van de SVB als de SVB op basis van de gegevens die op de datum van dat besluit beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van de SVB beschikbaar zouden zijn geweest, de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. De SVB verhoogt het AOW-pensioen in dergelijke gevallen met volledige terugwerkende kracht, echter tot een maximum van vijf jaar. De SVB berekent de terugwerkende kracht vanaf het moment waarop zij het verzoek om herziening heeft ontvangen.
In overige gevallen waarin sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit, zoals een fout van de belanghebbende of een derde, verhoogt de SVB de uitkering met een terugwerkende kracht van een jaar vanaf het moment waarop zij het herzieningsverzoek heeft ontvangen.
De SVB verhoogt het ouderdomspensioen met volledige terugwerkende kracht, tot een maximum van vijf jaar, als zich een bijzonder geval voordoet waarin het van hardheid zou getuigen om de terugwerkende kracht tot een jaar te beperken. De SVB past hiervoor de regels toe van SB1070, SB1071, SB1072 en SB1073 over terugwerkende kracht van meer dan een jaar.
Dit beleid is opgenomen in beleidsregel SB1076. Dit beleid heeft eerder niet op bezwaren van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gestuit. Eiser betwist de redelijkheid van het beleid ook niet.
Had de SVB het AOW-pensioen van eiser moeten herzien met een verdergaande terugwerkende kracht dan juli 2021?
4. Eiser voert aan dat de SVB zijn AOW-pensioen had moeten herzien met volledig terugwerkende kracht, dus vanaf de ingangsdatum van zijn pensioen. Eiser stelt dat hij er pas veel later achter is gekomen dat zijn AOW-pensioen met vier procent werd gekort. Eiser lag toen in scheiding en het valt hem niet te verwijten dat hij het toekenningsbesluit niet goed heeft gelezen. Ook heeft eiser bewezen dat de korting vanaf de aanvangsdatum van zijn AOW-pensioen ten onrechte is toegepast. Daarmee heeft hij voldaan aan de voorwaarde van de SVB om te bewijzen dat hij in de in de periode van 17 september 1960 tot en met 19 september 1962 verzekerd was voor de AOW. De SVB heeft eiser toegezegd in dat geval zijn AOW-pensioen te herzien. Met de vaststelling door de SVB, is ook bevestigd dat de SVB een fout heeft gemaakt. Als de SVB destijds al een deugdelijk onderzoek had uitgevoerd (raadplegen van eisers gemeentelijke persoonskaart), was meteen al een volledig AOW-pensioen toegekend. Daarbij heeft eiser er op gewezen dat hij op zijn aanvraagformulier het vooringevulde verblijf in Duitsland heeft doorgestreept om daarmee aan te geven dat hij altijd in Nederland heeft gewoond. Ter zitting heeft eiser dit aangevuld en aangevoerd dat in ieder geval sprake is van een fout van een derde die voor rekening van de SVB komt. Eiser was in de periode van 17 september 1960 tot en met 19 september 1962 minderjarig en zijn vader werkte als militair voor de overheid. Overheidsinstanties moeten hun registratie, waaronder waar iemand woont, op orde hebben. Als duidelijk was geregistreerd dat eisers vader met zijn gezin tijdelijk in Nieuw-Guinea had gewoond, was zijn AOW-pensioen van aanvang af juist (volledig) toegekend. In ieder geval had de informatie van eisers minderjarigheid en dat zijn vader als militair werd uitgezonden en eiser dus met hem meeging naar Nederlands Nieuw-Guinea ertoe moeten leiden dat de SVB destijds al had beoordeeld of wel sprake was van ingezetenschap en er niet zomaar van uit moeten gaan dat dit ingezetenschap verloren was gegaan, dan wel had de SVB hierover destijds al navraag moeten doen. Hoe dan ook moet het probleem niet bij eiser worden neergelegd.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de SVB het AOW-pensioen van eiser terecht heeft herzien vanaf juli 2021. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2338.
Zie de uitspraak van de CRvB van 2 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2072.