Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-24
ECLI:NL:RBGEL:2025:3054
Civiel recht
Beschikking
2,888 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rekestnummer: C/05/443775 / HA RK 24-168
Beschikking van 24 januari 2025
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van 22 oktober 2024, met 6 bijlagen;
de oproepbrieven van 22 november 2024;
de mondelinge behandeling van 10 januari 2025, waar zijn verschenen:
verzoekster, bijgestaan door mr. Buijsrogge;
verweerder.
1.2.
Tenslotte is beschikking bepaald.
Geschil
2.1.
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 lid 1 Rv (zoals dat luidde ten tijde van het verzoek) zal bevelen. Verzoekster heeft aan haar verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Bij beschikking van 27 december 2023 is de echtscheiding van verzoekster en verweerder uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 januari 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Onderdeel van de beschikking is een op 8 december 2023 door verzoekster en verweerder ondertekend echtscheidingsconvenant. In dat convenant is onder meer een in [plaats] gelegen onroerende zaak aan verweerder toebedeeld. Verweerder zou deze onroerende zaak - die hij ondanks herhaaldelijk verzoek van verzoekster niet wilde laten taxeren en waarvan de waarde volgens verweerder zeker niet meer dan € 120.000,00 bedroeg - niet verkopen, in verband met zijn kinderalimentatieverplichtingen. Al snel bleek echter dat verweerder de onroerende zaak op 15 december 2023 voor € 243.500,00 heeft verkocht en geleverd aan derden. Verzoekster voelt zich ‘belazerd’ door verweerder, ook omdat hij andere gemaakte afspraken - waaronder ter zake van kinderalimentatie - niet is nagekomen. Verzoekster overweegt om tegen verweerder een bodemprocedure strekkende tot vernietiging van het echtscheidingsconvenant op grond van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden aanhangig te maken. Omdat verweerder geen openheid van zaken wil geven, heeft verzoekster belang bij een voorlopig getuigenverhoor. Dat verhoor ziet op de feiten en omstandigheden ten aanzien van de totstandkoming van de koopovereenkomst van de onroerende zaak. Verzoekster heeft als te horen getuigen zichzelf genoemd en een viertal personen dat betrokken is geweest bij de totstandkoming van de verkoopovereenkomst van de onroerende zaak.
2.2.
Verweerder verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Volgens verweerder maakt verzoekster misbruik van haar bevoegdheid. In het convenant - een vaststellingsovereenkomst - zijn immers, op verzoek van verzoekster, goede en duidelijke afspraken over de onroerende zaak gemaakt en hebben verzoekster en verweerder afstand gedaan van hun ontbindingsbevoegdheid. Daarna stond het verweerder geheel vrij om over het onroerend goed te beschikken. Verzoekster heeft geen enkel(e) bewijs of aanwijzing geleverd voor de/het door haar gestelde dwaling, bedrog of misleiding. Verzoekster werd bij de totstandkoming van het convenant bijgestaan door haar advocaat, zij had alle tijd en gelegenheid om het convenant kritisch te onderzoeken, waarna zij het convenant bewust heeft ondertekend. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd, heeft geen substantiële grondslag en kwalificeert als een fishing expedition, zodat verzoekster geen gerechtvaardigd belang heeft. Omdat er evenmin sprake is van een bodemprocedure en het verzoek tot onnodige vertraging en kosten leidt, is het verzoek in strijd met de goede procesorde. Het verzoek moet ook worden afgewezen om verdere escalatie te voorkomen en om het mediationtraject - dat bijdraagt aan opheldering en een oplossing - een kans te geven. Het voorlopig getuigenverhoor is dus niet nodig, aldus verweerder.
2.3.
Op de stellingen van verzoekster en verweerder zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
Beoordeling
3.1.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank het volgende voorop. Een voorlopig getuigenverhoor strekt onder meer ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen. Het voorlopig getuigenverhoor strekt er zodoende toe om, op betrekkelijk eenvoudige wijze en binnen afzienbare tijd, bewijs te verkrijgen van de feiten en stellingen die verzoekster aan haar vordering(en) in de eventuele bodemprocedure ten grondslag wil leggen.
3.2.
Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is in beginsel toewijsbaar, tenzij het verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen vereisten, het verzoek strijdig is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), of het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopige getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). Bij de beoordeling van het verzoek mag niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de getuigenverhoren en op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure.
3.3.
Met zijn stelling dat verzoekster misbruik van haar bevoegdheid maakt, gaat verweerder eraan voorbij dat de eventuele bodemprocedure niet ziet op ontbinding, maar op vernietiging van het convenant op grond van wilsgebreken. Met zijn stelling dat verzoekster nog geen enkel bewijs (voor die wilsgebreken) heeft geleverd, gaat verweerder eraan voorbij dat een voorlopig getuigenverhoor juist ziet op het vergaren van mogelijk bestaand, maar nog niet beschikbaar bewijs. Op het al dan niet bestaan van een of meer wilsgebreken kan en mag in deze procedure niet vooruit worden gelopen. Voldoende duidelijk is dat en waarom de in het verzoek genoemde personen over de door verzoekster gestelde feiten en omstandigheden zouden kunnen verklaren en zij heeft daarmee voor de mogelijke bewijsvergaring voldoende concrete aanknopingspunten gegeven. Daarbij komt dat verweerder de door verzoekster gestelde bewijspositie van verzoekster in de eventuele bodemprocedure niet heeft weersproken.
3.4.
Niet gesteld of gebleken is dat verzoekster al een bodemprocedure tegen verweerder had kunnen of moeten aanspannen of dat zij dat voor een bepaald moment moet doen, zodat van de door verweerder gestelde onnodige vertraging geen sprake is. Dat nog geen sprake is van een bodemprocedure kan verzoekster in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet worden tegengeworpen. Of er daadwerkelijk een bodemprocedure volgt, moet worden afgewacht.
3.5.
Wat de door verweerder gestelde onnodige kosten betreft, geldt dat de omstandigheid dat een voorlopig getuigenverhoor in meerdere opzichten belastend kan zijn voor betrokkenen, niet dermate zwaarwegend is dat het verzoek daarop moet afstuiten. Bovendien geldt dat deze procedure mogelijk een (naar verwachting voor verzoekster en verweerder niet minder belastende) bodemprocedure voorkomt. Het voorlopig getuigenverhoor vindt bovendien niet plaats buiten verweerder om. Ook hij kan daarin - bijvoorbeeld door het bevragen van getuigen - een actieve bijdrage leveren aan het proces van waarheidsvinding.
3.6.
Verweerder heeft zijn stelling, dat sprake is van een fishing expedition, tegenover de gemotiveerde stellingen van verzoekster onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daar verder niet op in zal gaan. Dit geldt ook voor de stelling van verweerder dat een voorlopig getuigenverhoor leidt tot verdere escalatie. In dit verband heeft verweerder gesteld (eerst) het mediationtraject een kans te willen geven. Hij heeft echter niet de stelling van verzoekster - dat het mediationtraject slechts ziet op nakoming van de overeengekomen zorgregeling en momenteel stilligt - weersproken.
3.7.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarvoor een voorlopig getuigenverhoor zich bij uitstek leent. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. Verzoekster heeft bij haar verzoek een rechtens te respecteren belang en de verweren van verweerder bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen. Dit betekent dat het verzoek toewijsbaar is.
3.8.
Nog los van de omstandigheid dat niet om een proceskostenveroordeling is verzocht en dat verzoekster en verweerder ex-echtgenoten zijn, is er in deze procedure geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3.9.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 45 minuten duurt (voor de eerste getuige wordt rekening gehouden met 60 minuten). De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.
3.10.
Verzoekster en verweerder moeten er op voorbereid zijn dat de rechter na afloop van de getuigenverhoren een mondelinge behandeling op diezelfde zitting kan bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, gelegenheid te geven stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of verzoekster en verweerder het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.
Dictum
De rechtbank
4.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
4.2.
benoemt mr. N. van der Meer Mohr tot rechter-commissaris,
4.3.
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Arnhem aan de Walburgstraat 2 - 4,
4.4.
bepaalt dat verzoekster binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van verzoekster en haar advocaat en van verweerder in de maanden februari 2025 tot en met mei 2025 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
4.5.
bepaalt dat verzoekster uiterlijk op 7 februari 2025 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan verweerder moet doen toekomen,
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025.