Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-04-18
ECLI:NL:RBGEL:2025:3026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,794 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1320
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser 1] , uit [plaats 1] (ZH) en [eiser 2] ¸ uit [plaats 2] (ZH), eisers
(gemachtigde: mr. Th.F. Roest),
en
de raad van de gemeente Harderwijk
(gemachtigde: mr. C.M.M. van Mil).
Samenvatting
1. Eisers zijn beiden gedeeltelijk eigenaar van het perceel kadastraal bekend als gemeente Harderwijk, sectie [sectie] nummer [nummer] . Op 20 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders dat perceel voorlopig aangewezen als grond waarop artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) van toepassing zijn. Reden voor aanwijzing is dat de gemeente het gebied [naam gebied] , waarvan het perceel onderdeel uitmaakt, wil herontwikkelen en daarbij een regierol wil vervullen.
1.1.
De raad heeft de aanwijzing bestendigd op grond van artikelen 2 en 4 van de Wvg, bij besluit van 1 juni 2023. Het eerdere collegebesluit is daarmee van rechtswege komen te vervallen.
1.2.
Eisers zijn het niet eens met het aanwijzingsbesluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het aanwijzingsbesluit niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 25 januari 2024 op het bezwaar van eisers is de raad bij het aanwijzingsbesluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De raad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben bij brief van 6 maart 2025 een nader stuk ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [persoon A] en [persoon B] namens de raad, en de gemachtigde van de raad.
Beoordeling
Voldoet het aanwijzingsbesluit aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
3. Eisers voeren aan dat zij hun perceel bij overeenkomst van 16 januari 2020 voor een bedrag van € 8.000.000,- hadden verkocht aan [naam bedrijf] Die partij is de door de gemeente beoogde partner in de ontwikkeling van het gebied [naam gebied] . Aanwijzing in de zin van de Wvg van het perceel was dus niet nodig. Eisers merken verder op dat de met [naam bedrijf] gesloten overeenkomst als gevolg van de vestiging het voorkeursrecht is ontbonden voordat het perceel is geleverd. De prijs van het perceel ligt daarom niet meer vast. Mogelijk leidt het voorkeursrecht daarmee juist tot prijsopdrijving, wat het doel van het besluit ondergraaft. Het besluit is daarom volgens eisers overbodig, onzorgvuldig, ondeugdelijk gemotiveerd en onevenredig.
3.1.
De rechtbank overweegt dat de vestiging van een voorkeursrecht een discretionaire bevoegdheid is van de raad. Oftewel: de raad heeft ruimte om te bepalen of hij van zijn bevoegdheid gebruik wil maken en de rechtbank toetst terughoudend of het college in redelijkheid tot de gemaakte afweging heeft kunnen komen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in eerdere uitspraken heeft overwogen, wilde de wetgever met de Wvg de positie van gemeenten bij de grondverwerving voor de verwezenlijking van het ruimtelijke beleid versterken. Dat effect wordt niet tenietgedaan als – zoals eisers stellen – een tussen [naam bedrijf] en eisers gesloten koopovereenkomst zou zijn ontbonden. Ook in dat geval kan namelijk door het voorkeursrecht speculatie worden tegengegaan, en kan de gemeente de regierol vervullen bij de herontwikkeling van het gebied [naam gebied] . Het perceel van eisers beslaat ongeveer 20% van dat gebied, en is dus belangrijk voor de herontwikkeling. Daarnaast had de raad ten tijde van het aanwijzingsbesluit geen inzicht in de betreffende overeenkomst of de daarin opgenomen voorwaarden, waaronder de prijs. Eisers hebben ook niet verzocht om ontheffing van de aanbiedingsplicht. Het aanwijzingsbesluit is dan ook niet overbodig, onzorgvuldig of ondeugdelijk gemotiveerd.
Verder hebben eisers niet onderbouwd dat de voor hen nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In dat kader wijst de rechtbank op uitspraken van de Afdeling, waarin wordt overwogen dat het vestigen van een voorkeursrecht slechts een betrekkelijk beperkte inbreuk op het eigendomsrecht is. De vestiging van het voorkeursrecht heeft namelijk niet tot gevolg dat eisers niet langer hun eigendomsrecht kunnen uitoefenen. Het gevolg is alleen dat zij bij het overgaan tot verkoop van het perceel eerst de gemeente in de gelegenheid moet stellen de grond te kopen. Verder heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang al afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren, zodat het financiële belang niet meer afzonderlijk in de afweging hoeft te worden betrokken. Van onevenredigheid is daarom geen sprake.
3.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het voorkeursrecht op het perceel van eisers blijft rusten. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Termaat, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijvoorbeeld ABRvS 8 april 2015 ECLI:NL:RVS:2015:1089.
Bijvoorbeeld ABRvS 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3871, r.o. 2.3.1.