Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-25
ECLI:NL:RBGEL:2025:2891
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,802 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/120194-24
Datum uitspraak : 25 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonend aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft
gesticht, althans een ontploffing teweeg heeft gebracht door
rondom, in en op een caravan een brandbare vloeistof te sprenkelen en/of te gieten en/of
(vervolgens) een explosief/vuurwerk aan te steken met een aansteker, althans in aanraking te brengen met open vuur en/of
dat aangestoken explosief/vuurwerk in/ in de richting van die caravan te gooien en/of alwaar dat explosief/vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht, althans open vuur in aanraking te brengen met één of meerdere brandbare stof(fen), terwijl daarvan
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten dhr. [slachtoffer] en/of zijn hond te duchten was
gemeen gevaar voor goederen, te weten een caravan en/of het wegdek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair:
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een caravan, immers heeft die ander toen aldaar open vuur en/of een brandend voorwerp in aanraking gebracht met voornoemde caravan, ten gevolge waarvan voornoemde caravan is uitgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de omgeving bevindende goederen en een persoon te duchten was,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door die caravan, met een door hem, verdachte, bestuurde auto naar voornoemde locatie, te brengen, aldaar in de auto te wachten terwijl die ander de caravan loskoppelt en vervolgens in de door hem bestuurde auto de plek van de brandstichting te verlaten;
2.
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk
het wegdek, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de gemeente
Zaltbommel, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd
en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 9 december 2023 is op de kruising van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] in [plaats] een caravan in brand gestoken door een groep jongens. Een man die zijn hond uitliet is daarbij gewond geraakt. De caravan is tot op het chassis afgebrand en het wegdek was dusdanig beschadigd dat dit vervangen moest worden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat verdachte alleen een faciliterende rol heeft gehad, in die zin dat hij met zijn auto en de caravan naar de plaats is gereden waar de caravan in brand is gezet. Hij heeft de rechtbank gevraagd verdachte vrij te spreken van het primair onder 1 ten laste gelegde medeplegen. Volgens de raadsman is sprake van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid, waarbij is opgemerkt dat die medeplichtigheid alleen ziet op het gevaar voor goederen en niet op het gevaar voor de man met het hondje omdat dit gevaar niet voorzienbaar was. Tot slot heeft de raadsman de rechtbank gevraagd verdachte vrij te spreken van de onder 2 ten laste gelegde vernieling, omdat verdachte zelf geen handelingen heeft verricht die tot de vernieling hebben geleid.
Beoordeling
FEIT 1
Brandstichting
Door verbalisant [verbalisant] zijn camerabeelden uitgekeken die getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) heeft gemaakt. Direct bij de start van het filmpje ziet de verbalisant vanaf de kruising een witte bestelauto wegrijden en uit beeld verdwijnen op de [straatnaam 3] . Ook is op de beelden te zien dat op de kruising een grote caravan staat. Verbalisant ziet twee personen (NN1 en NN2) in beeld. Er komt een derde persoon (NN3) achter de caravan vandaan. Er komt een persoon aanlopen, waarvan verbalisant weet dat dit aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is met zijn hond. Ondertussen lijkt uit de geopende deur van de caravan nog een persoon te komen (NN4). NN4 buigt voorover ter hoogte van de geopende caravandeur en verbalisant ziet dat NN4 een wit ogende jerrycan vastheeft en deze naar voren en achteren zwaait, terwijl verbalisant ziet dat er een vloeistof uitstroomt. [slachtoffer] loopt in de richting van de geopende deur met zijn hond. Ondertussen is NN4 uit beeld verdwenen. Verbalisant ziet bij NN1 voor zijn lichaam ter hoogte van zijn handen iets oplichten met een rode gloed. [slachtoffer] staat direct achter NN1 op het moment dat NN1 een voorwerp dat lijkt op een brandend stuk vuurwerk in de caravan gooit. Het volgende moment licht het gehele beeld op en hoort verbalisant iemand vloeken en een hond piepen.
Verdachte (hierna ook: [verdachte] ) heeft verklaard dat hij werd gevraagd om de caravan naar het kruispunt te rijden. Hij heeft de caravan ergens opgehaald en deze vervolgens naar het kruispunt gebracht waar de caravan in brand werd gestoken. Verdachte wist vooraf dat de caravan in brand zou worden gestoken en dat er een paar autobanden en wat hout in de caravan lagen.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ’s middags van [medeverdachte 2] hoorde dat zij dit gingen doen. [medeverdachte 1] was die avond bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [verdachte] (verdachte) was degene die de auto reed. [medeverdachte 1] stond rechts van de caravan bij die man (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ). Hij ging filmen toen die jongen het vuurwerk aandeed en in de caravan gooide.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij heeft meegeholpen met de caravan. Hij wist niet ver van tevoren dat die in de fik zou gaan. Hij heeft er benzine overheen gegooid. [medeverdachte 3] is de persoon die in het filmpje met een jerrycan een vloeistof in en op de caravan gooit.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij erbij was. Hij wist van tevoren al dat de caravan in de fik zou worden gezet. Hij is samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] vertrokken vanaf zijn huis. Hij heeft de caravan van de auto afgekoppeld.
Namens de gemeente Zaltbommel heeft de heer [aangever] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat als gevolg van de brand het wegdek dermate beschadigd is geraakt dat het vervangen dient te worden.
Gevaar
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn auto is weggereden zodra de caravan van zijn auto was afgehaald. Op dat moment was [slachtoffer] nog niet in de buurt van de caravan. De rechtbank is van oordeel dat het, mede gelet op het tijdstip en de locatie, voor verdachte niet voorzienbaar was of had moeten zijn dat [slachtoffer] met zijn hond in de buurt van de caravan zou komen. Het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en het gevaar voor schade aan de hond kan verdachte daarom niet worden verweten. De rechtbank spreekt verdachte vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Naar het oordeel van de rechtbank was wel sprake van gemeen gevaar voor goederen. Het wegdek was door de brand dermate beschadigd dat dit vervangen moest worden.
Omdat het gemeen gevaar voor goederen zich dient uit te strekken tot andere goederen dan het goed waarin brand wordt gesticht, zal de rechtbank het onderdeel dat gemeen gevaar voor de caravan bestond niet bewezen verklaren.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] en één of mogelijk nog meer andere jongens. Zij overweegt in dit verband als volgt.
[verdachte] heeft de caravan met zijn auto naar het kruispunt gereden. Hij wist dat de caravan zou worden aangestoken en dat er autobanden en hout in de caravan lagen. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn samen ook naar de betreffende kruising gegaan, terwijl zij wisten van het plan om de caravan in brand te steken. Op het kruispunt heeft [medeverdachte 2] de caravan losgekoppeld van de auto van [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft benzine in de caravan gegooid. Iemand anders, NN1, heeft vervolgens vuurwerk in de caravan gegooid en [medeverdachte 1] heeft dit alles gefilmd.
Gelet op het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank anders dan de verdediging van oordeel dat verdachte mede schuldig is aan de brandstichting. Zonder de bijdrage van verdachte zou de caravan immers niet op het kruispunt terecht zijn gekomen. Dat verdachte heeft aangevoerd dat iemand anders de caravan naar het kruispunt zou hebben gereden als hij dit niet had gedaan, maakt dit niet anders. Verdachte heeft welbewust deelgenomen aan de brandstichting en daaraan ook een wezenlijke bijdrage geleverd, zodat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair onder 1 ten laste gelegde feit.
FEIT 2
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de primair onder 1 ten laste gelegde brandstichting. Uit de aangifte van de gemeente Zaltbommel volgt dat het wegdek door de brandstichting beschadigd is geraakt en vervangen moest worden. De rechtbank komt daarom ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, althans een ontploffing teweeg heeft gebracht door
- rondom, in en op een caravan een brandbare vloeistof te sprenkelen en/of te gieten en/of
- ( vervolgens) een explosief/vuurwerk aan te steken met een aansteker, althans in aanraking te brengen met open vuur en/of
- dat aangestoken explosief/vuurwerk in/ in de richting van die caravan te gooien en/of alwaar dat explosief/vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht, althans open vuur in aanraking te brengen met één of meerdere brandbare stof(fen), terwijl daarvan
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten dhr. [slachtoffer] en/of zijn hond te duchten was
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een caravan en/of het wegdek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk het wegdek, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de gemeente Zaltbommel, in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Feiten
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
5De strafbaarheid van de feiten
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie is van mening dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht van de op te leggen straf kan worden afgetrokken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank erop gewezen dat het goed gaat met verdachte. Hij is ZZP’er in de wegenbouw en heeft geen relevante justitiële documentatie.
Beoordeling
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
- het uittreksel justitiële documentatie van 3 februari 2025 (het strafblad),
- de slotovereenkomst mediation van 19 februari 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte heeft een blanco strafblad.
De ernst van de feiten
Verdachte was samen met anderen betrokken bij een brandstichting in een caravan op de openbare weg, waarbij een explosie is ontstaan en een man en zijn hond gewond zijn geraakt. De man heeft tweedegraads brandwonden opgelopen en de vacht van de hond was verschroeid. Dat de verwondingen relatief zijn meegevallen en dat de medeverdachten niet gewond zijn geraakt is een groot geluk. Het had veel erger kunnen aflopen.
In het dossier heeft de wijkagent toegelicht dat vooral in de dorpskernen van de gemeente Zaltbommel in de periode rond de jaarwisseling brandstichtingen met autobanden, autowrakken of caravans en het afsteken van illegaal vuurwerk aan de orde van de dag zijn. Dit lijkt van generatie op generatie doorgegeven te worden. Sommige inwoners ervaren dit als een traditie en onderdeel van hun cultuur. Door de brandstichtingen en explosies ontstaat grote materiële schade. Mensen zijn bang om iets te melden. De wijkagent ziet dat er veel maatschappelijke onrust is ontstaan door het incident met de caravan, wat gevoelens van angst, onrecht en verbijstering teweeg heeft gebracht. Door ook brand te stichten heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van deze zogenaamde ‘traditie’.
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat het niet de bedoeling was dat er iemand gewond zou raken bij de brand. Tijdens de zitting heeft hij hieraan toegevoegd dat iedereen erg is geschrokken van het gevolg van de brandstichting en dat het afgelopen jaar rond oud en nieuw rustig is gebleven in het dorp.
De rechtbank houdt er bij het bepalen van de straf in strafverminderende zin rekening mee dat verdachte, samen met medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , tijdens mediation in gesprek is gegaan met [slachtoffer] . Uit de slotovereenkomst komt naar voren dat dit een positief gesprek was. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat de bewezenverklaarde feiten al eind 2023 zijn gepleegd, verdachte geen strafblad heeft en hij een schadevergoeding heeft betaald aan de gemeente Zaltbommel.
Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van één gedraging die twee strafbare feiten oplevert (eendaadse samenloop).
Dit alles maakt dat de rechtbank uitkomt op een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist. Bovendien legt de rechtbank aan verdachte een lagere werkstraf op dan aan de medeverdachten, omdat de rechtbank in het geval van verdachte niet komt tot een bewezenverklaring van het gevaar voor personen.
Ondanks dat een lagere werkstraf wordt opgelegd dan is geëist door de officier van justitie, benadrukt de rechtbank dat een brandstichting als deze zeer gevaarlijk is en een zogenaamde ‘traditie’ in stand houdt die voor veel maatschappelijke onrust zorgt. De ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit maakt daarom dat de rechtbank van oordeel is dat aan verdachte naast de werkstraf ook een serieuze voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.
Alles afwegende legt de rechtbank een werkstraf van 80 uur aan verdachte op, te vervangen door 40 dagen vervangende hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, moet van de werkstraf worden afgetrokken.
Beoordeling
De benadeelde partij gemeente Zaltbommel heeft in verband met het onder 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 3.022,10 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de schade door verdachte en zijn medeverdachten inmiddels is betaald.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Beoordeling
Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij en de medeverdachten inmiddels een schadevergoeding aan de gemeente Zaltbommel hebben betaald. De gemeente Zaltbommel was op de zitting niet aanwezig en heeft niet kunnen reageren. Daarom kan de rechtbank niet nagaan in hoeverre de vordering van de gemeente Zaltbommel inmiddels is voldaan. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De gemeente Zaltbommel kan de vordering indien gewenst nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:
A. een taakstraf, te weten een werkstraf van 80 uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uur in mindering wordt gebracht;
een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;
bepaalt dat van die gevangenisstraf 1 maand niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
verklaart de benadeelde partij gemeente Zaltbommel niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (kinderrechter en voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. D.S.M. Bak, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 maart 2025.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024016539, gesloten op 4 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , p. 107-108.
Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer] , p. 18.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 44-46 en proces-verbaal aangifte gemeente Zaltbommel, p. 29-30.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 90-91.
Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 199 en 200 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 11 maart 2025.
Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 139 en 140.
Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 3] , p. 174 en 175.
Proces-verbaal verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 2] , p. 215 en 216.
Proces-verbaal aangifte gemeente Zaltbommel, p. 29-30.
De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 11 maart 2025.