Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-04-08
ECLI:NL:RBGEL:2025:2745
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
21,013 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/104281-22
Datum uitspraak : 8 april 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officieren van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag 1] 1987 in [geboorteplaats] (Roemenië),
wonende aan de [adres 1] in ( [postcode] ) [woonplaats] .
Raadslieden: mr. J.B. Boone, advocaat in Wijk bij Duurstede, en mr. R. Zilver en mr. W.F.J. Kramer, advocaten in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
Inhoudsopgave
1. De inhoud van de tenlastelegging 3
2 De ontvankelijkheid van de officieren van justitie 4
2.1 Het standpunt van de verdediging 4
2.2 Het standpunt van de officieren van justitie 4
2.3 Beoordeling door de rechtbank 4
Overwegingen
3.1 Aanleiding van onderzoek Murray 5
3.2 Het standpunt van de officieren van justitie 6
3.3 Het standpunt van de verdediging 6
3.4 Beoordeling door de rechtbank 6
3.4.1 De bewijsmiddelen 6
3.4.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 7
3.4.2.1 Algemeen 7
3.4.2.2 Algemene opmerking inhoud gesprekken 8
3.4.2.3 Identificatie gebruikers PGP-accounts 8
3.4.2.4 Identificatie [naam 1] en [naam 2] 10
3.4.2.5 OVC-opnames autogarage [medeverdachte 1] 12
3.4.2.6 Boekhouding groep [naam 1] 12
3.4.2.7 De rol van [medeverdachte 1] 12
3.4.2.8 Feit 1 (cocaïne transacties) 13
3.4.2.8.1 10 kilogram cocaïne (zaaksdossier 04: Saint Tropez; transport 28 mei-1 juni 2020) 13
3.4.2.8.2 5 kilogram cocaïne (zaaksdossier 02, transactie 22 juni 2020) 14
3.4.2.8.3 Conclusie feit 1 14
3.4.2.9 Feit 2 (witwassen) 14
3.4.2.9.1 € 100.000 14
3.4.2.9.2 Meerdere pakketten met contante geldbedragen 14
3.4.2.9.3 Beoordelingskader witwassen 16
3.4.2.9.4 Toepassing van het beoordelingskader witwassen 17
3.4.2.9.5 Opzet 17
3.4.2.9.6 Medeplegen 18
3.4.2.9.7 Gewoontewitwassen 18
3.4.2.9.8 Conclusie feit 2 18
4 De bewezenverklaring 18
5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde 19
6 De strafbaarheid van de feiten 20
7 De strafbaarheid van de verdachte 20
Beoordeling
9.1 Het standpunt van de officieren van justitie 23
9.2 Het standpunt van de verdediging 23
9.3 De beoordeling door de rechtbank 23
10 De toegepaste wettelijke bepalingen 23
Dictum
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2020 tot en met 23 juni 2020 te [plaats 1] en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of Roemenië en/of Spanje en/of Frankrijk, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
(ongeveer) 10 kilogram cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne [ZD04 Saint Tropez, transport 28 mei-1 juni 2020, hoofdstuk 5.1] en/of
(ongeveer) 5 kilogram cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne [ZD02, transactie 22 juni 2020, paragraaf 17],
in elk geval (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2020 tot en met 28 maart 2023 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of Spanje en/of Italië en/of Frankrijk en/of Roemenië,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte,
(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
van (contante) geldbedragen waaronder:
een (contant) geldbedrag van (ongeveer) € 100.000, althans een of meer (grote) geldbedrag(en) [AH168], en/of
(ongeveer) 23 pakketten, bestaande uit een of meer (contante) geldbedrag(en), althans een of meer (grote) (contante) geldbedrag(en) [AH096], en/of
(ongeveer) 37 pakketten, bestaande uit een of meer (contante) geldbedrag(en), althans een of meer (grote) geldbedrag(en) [AH096], en/of
(ongeveer) 41 pakketten, bestaande uit een of meer (contante) geldbedrag(en), althans een of meer (grote) geldbedrag(en) [AH096/AH126],
(sub a)
(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en)was, en/of verborgen en/of verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had,
en/of
(sub b)
(telkens) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat die voornoemde (contante) geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
2De ontvankelijkheid van de officieren van justitie
2.1
Het standpunt van de verdediging
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk vanwege onrechtmatig handelen
De verdediging heeft aangevoerd dat onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie onrechtmatig is gehandeld, doordat ontlastende informatie buiten het dossier is gehouden. De verdediging doelt daarmee op informatie uit Frankrijk (vordering verlenging voorlopige hechtenis in de zaak van [naam 3] ) waaruit zou blijken dat ‘ [naam 1] ’ gebruik zou maken van het account [account 1] en dat hiermee een Nederlander van waarschijnlijk Arabische afkomst wordt bedoeld. Door het achterhouden van deze informatie is sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces, omdat waarheidsvinding naar de vraag wie met ‘ [naam 1] ’ wordt aangeduid niet mogelijk is. Dit vormverzuim is onherstelbaar, omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk is om het volledige Franse onderzoeksdossier [naam van onderzoek] te voegen. Het vormverzuim kan niet worden gecompenseerd, omdat de verzoeken tot het horen van de zogeheten tegencontacten zijn afgewezen.
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk vanwege willekeur
De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat op basis van willekeur is besloten welke verdachten in Nederland en welke verdachten in Frankrijk worden vervolgd. Bovendien is deze beslissing kennelijk genomen door de justitiële autoriteiten en heeft geen rechterlijke toetsing hiervan plaatsgevonden.
2.2
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat beide verweren moeten worden verworpen.
2.3
Beoordeling
Ontvankelijkheidsverweer inzake het al dan niet onrechtmatig handelen van het openbaar ministerie
De rechtbank oordeelt dat uit het overgelegde stuk in de zaak van [naam 3] niet zonder meer volgt dat in het Franse onderzoek [naam van onderzoek] naar voren is gekomen dat ‘ [naam 1] ’ een Nederlander van waarschijnlijk Arabische afkomst is en gebruik maakt van het account [account 1]. Uit het volledige stuk dat is overgelegd, volgt immers dat de Fransen er vanuit gaan dat met ‘ [naam 1] ’ verdachte [medeverdachte 1] wordt bedoeld. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte [medeverdachte 1] in het stuk telkens in verband wordt gebracht met de handel in cocaïne vanuit de garage aan de [adres 2] in [plaats 1] . Tot slot merkt de rechtbank op dat in alle andere verstrekte stukken van het onderzoeksteam van [naam van onderzoek] aan het onderzoeksteam van Murray kan worden opgemaakt dat het Franse onderzoeksteam concludeert dat ‘ [naam 1] ’ verdachte [medeverdachte 1] is.
De rechtbank heeft dan ook geen enkele twijfel over de betrouwbaarheid van de mededeling van de Franse autoriteiten dat alle belastende en ontlastende informatie uit het onderzoek [naam van onderzoek] aan het Nederlandse onderzoeksteam is overgelegd. Er is dan ook niet onrechtmatig gehandeld, zodat het verweer wordt verworpen.
Ontvankelijkheidsverweer inzake het verbod op willekeur
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur.
De argumenten die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, zien niet op de vraag of het openbaar ministerie überhaupt tot een vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen in de zaken van verdachten. De verdediging voert enkel aan dat de verdeling van de verdachten tussen Nederland en Frankrijk op basis van willekeur is genomen. Ook overigens blijkt niet dat sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een vervolging die onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de rechtbank onbevoegd is en dat verdachte in Frankrijk had moeten worden vervolgd, gaat ook dat verweer niet op. De rechtbank is op grond van artikel 2 Sv bevoegd kennis te nemen van deze zaak. Van een dubbele vervolging in Nederland en Frankrijk van verdachten is evenmin gebleken. Het verweer wordt verworpen.
Overwegingen
3.1
Aanleiding van onderzoek Murray
In Frankrijk werd door de Franse autoriteiten een onderzoek gedaan naar de handel in verdovende middelen. Dit onderzoek werd uitgevoerd onder de naam [naam van onderzoek] . De Franse autoriteiten onderzochten daarbij een organisatie die voornamelijk bestaat uit Nederlanders, die zich bezig houden met het vervoer en verkopen van verdovende middelen en het vervoeren van geld. In onderzoek [naam van onderzoek] is [medeverdachte 2] als verdachte van (onder andere) het koerieren van geld en/of drugs aangemerkt. Naar aanleiding van dit onderzoek in Frankrijk werd door de autoriteiten van Nederland en Frankrijk een Joint Investigation Team geformeerd, waarvan de overeenkomst eind maart 2022 werd ondertekend. Naar aanleiding van informatie die Nederland vervolgens ontving uit Frankrijk, TCI-informatie en restinformatie uit het onderzoek Hemel werd onderzoek Murray opgestart, met onder andere [medeverdachte 1] als verdachte van de handel in verdovende middelen en het witwassen van de daaruit verkregen gelden. Omdat [medeverdachte 1] ook onderwerp van onderzoek was in het FIOD-onderzoek Clifford is informatie uitgewisseld met dat onderzoek.
Het onderzoeksteam Murray heeft onderzoek gedaan naar het netwerk rond [medeverdachte 1] . Dit netwerk wordt in het onderzoek aangeduid als ‘groep [naam 1] ’ of ‘groep [medeverdachte 1] ’. [medeverdachte 1] werd in het onderzoek aangemerkt als de centrale figuur van dit netwerk. De autogarage van [medeverdachte 1] , gevestigd op zijn woonadres aan de [adres 2] in [plaats 1] , werd in het onderzoek gezien als de plaats waarvandaan de in-, door- en uitvoer van verdovende middelen en geld naar nationale en internationale bestemmingen zou plaatsvinden. Naast [medeverdachte 1] werden in onderzoek Murray (voor zover hier van belang) [verdachte] (hierna: [verdachte] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) als verdachte aangemerkt. Het onderzoek Murray heeft zich toegelegd op de vermoedelijke strafbare feiten die zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2020 tot en met 28 maart 2023.
3.2
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Het bewijs volgt volgens hen uit de inhoud van de chats van het EncroChat-account en de twee SkyECC-accounts die aan verdachte kunnen worden toegeschreven in combinatie met de berichten van de accounts die horen bij de ‘groep [naam 1] ’ en de individuele accounts van de in het buitenland vervolgde verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] . Daarnaast zijn de gesprekken die middels OVC-apparatuur zijn opgenomen in de auto van [medeverdachte 2] en in de autogarage van medeverdachte [medeverdachte 1] relevant voor het bewijs, evenals de peilbakengegevens verkregen van de auto van [medeverdachte 2] . Verder is redengevend het dactyloscopisch spoor van verdachte dat is aangetroffen op een van de zakken geld van de in totaal ruim 1 miljoen euro aangetroffen contanten aan de [adres 3] in [plaats 1] . Tot slot is ook in de woning van verdachte in Roemenië een groot geldbedrag aangetroffen en zijn zowel in de cryptocommunicatie als in de woning van verdachte kasboeken en administratie aangetroffen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 2, het witwassen, aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat het - in de berichten en OVC-gesprekken - om geld ging. De verdediging voert daartoe aan dat de politie niet op basis van geluiden die op de OVC te horen zouden zijn, kan vaststellen wat de inhoud is van de pakketten die ingeladen worden. Verder komt het woord geld niet voor in de berichten. Om die reden moet vrijspraak volgen. Ook voor de handel in cocaïne is volgens de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, zodat zij ook daarvan dient te worden vrijgesproken.
3.4
Beoordeling
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten bewezen op basis van de gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank is echter van oordeel dat een aantal onderdelen van de tenlastelegging niet kunnen worden bewezen. Ten aanzien van die onderdelen zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt als volgt.
3.4.1
De bewijsmiddelen
Met het oog op de leesbaarheid van het vonnis zijn de bewijsmiddelen niet op deze plaats opgenomen, maar als bijlage I aangehecht. De bewijsmiddelen dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd.
Ten aanzien van de bewijsmiddelen geldt dat zij steeds worden gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
3.4.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
3.4.2.1 Algemeen
In maart 2023 hebben politie en het openbaar miniserie onderzoek Murray zogenaamd ‘laten klappen’. Op de internationale actiedag op 28 maart 2023 vonden er in onderzoek Murray en [naam van onderzoek] in Nederland, Frankrijk, Spanje en Roemenië meerdere aanhoudingen plaats en werden er doorzoekingen verricht in woningen, bedrijfspanden en voertuigen. De bevindingen zijn voor zover relevant opgenomen in de bewijsmiddelen. De rechtbank concludeert hieruit het volgende.
Op meerdere locaties zijn zeer grote contante geldbedragen aangetroffen: in een verborgen ruimte in de auto van [medeverdachte 2] , ongeveer € 675.000); in een afgesloten salontafel in een door [medeverdachte 1] gehuurd appartement aan de [adres 3] in [plaats 1] , € 1.067.600,-; en in het appartement van [verdachte] in Roemenië, € 75.000,-.
In meerdere voertuigen zijn verborgen ruimtes aangetroffen, namelijk in de auto’s van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en in meerdere aangetroffen auto’s aan de [adres 2] in [plaats 1] (een Mercedes Sprinter op naam van [naam 4] met kenteken [kenteken 1] ), een Mercedes E-classe op naam van [naam 5] én een Mercedes Vito op naam van [autohandel] ( [kenteken 2] ). De verborgen ruimtes zijn volgens de verbalisanten achteraf en zeer professioneel ingebouwd.
Het geld in de auto van [medeverdachte 2] en het geld in de salontafel aan de [adres 3] in [plaats 1] bevonden zich in sporttassen. Deze sporttassen zijn soortgelijk. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] worden tijdens observaties op meerdere momenten gezien met sporttassen lopend van de [adres 3] naar [adres 2] in [plaats 1] .
In de kofferbak van de auto waarvan [medeverdachte 2] gebruik maakte toen hij op 27 maart 2023 aangehouden, zat een Google-telefoon waarop hij berichten ontving voor zijn illegale werk (de rechtbank begrijpt: PGP-berichten). Bij [medeverdachte 5] in de auto is tijdens een verkeerscontrole op 1 februari 2021 een PGP-telefoon aangetroffen. Hierna zal worden vastgesteld dat de verdachten van onderzoek Murray gebruik maakten van versleutelde communicatiediensten, waarvoor PGP-telefoons worden gebruikt. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] volgt dat hij van ‘de organisatie’ een PGP-telefoon heeft ontvangen om met hen te communiceren over de door hem uit te voeren transporten. Het is een feit van algemene bekendheid dat PGP-telefoons (een telefoon waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd) veelvuldig worden gebruikt in het criminele milieu.
Het geld in de salontafel aan de [adres 3] in [plaats 1] , gehuurd door [medeverdachte 1] , bestond - naast bundels geldpakketten in sporttassen - uit 1 Euromunten verpakt in plastic zakjes. Een vingerafdruk op een van de plastic zakjes komt overeen met een vingerafdruk van [verdachte] .
In meerdere woningen – namelijk van [medeverdachte 5] in [plaats 2] , van [verdachte] in Roemenië en van [medeverdachte 6] in Spanje – zijn kaartjes aangetroffen met daarop een boekhouding (kasboeknotities). De namen en bedragen op de kaartjes komen overeen met de inhoud van verstuurde PGP-berichten. In de woning van [medeverdachte 5] aan de [adres 4] in [plaats 2] verbleef [verdachte] als zij in Nederland was. Ook in de auto van [medeverdachte 5] zijn op 1 februari 2021 soortgelijke kaartjes met daarop een boekhouding aangetroffen, tezamen met de hiervoor genoemde PGP-telefoon.
In de woning van [medeverdachte 1] in [plaats 1] en de woning van [medeverdachte 5] in [plaats 2] zijn geldtelmachines aangetroffen. Het serienummer van de geldtelmachine aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] komt terug in chats van [account 2] , dat hierna zal worden geïdentificeerd als het account van de groep [naam 1] . Een van de geldtelmachines in de woning van [medeverdachte 5] komt overeen qua merk en type met de machine aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] .
De rechtbank acht verder het volgende, hetgeen zij uit de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage I afleidt, van belang.
- Uit de verklaring van [medeverdachte 2] volgt dat ‘de organisatie’ waar hij voor werkte, al 6 à 7 jaar in bedrijf is, dat hij de in zijn auto aangetroffen vier sporttassen (met Engelse ponden) moest (af)leveren en dat er bij de levering van tassen werd gewerkt met zogenaamde tokens.
[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben al meer dan 10 jaar een liefdesrelatie.
[verdachte] verblijft in Nederland in een woning in eigendom van [medeverdachte 5] gelegen aan de [adres 4] in [plaats 2] .
[medeverdachte 3] is de schoonzoon van [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 5] is sinds 1 september 2020 in dienst van [autohandel]
[medeverdachte 5] wordt ‘ [medeverdachte 5] ’ genoemd en heeft verder de volgende bijnamen: ‘Tally’/ ‘Taalli’ en ‘Rasta’.
[medeverdachte 6] wordt ‘Scooter’ genoemd.
[medeverdachte 2] wordt ‘Franse pik’ genoemd.
[medeverdachte 4] heeft de bijnaam ‘Jottum’.
3.4.2.2 Algemene opmerking inhoud gesprekken
In het dossier bevindt zich een groot aantal chatgesprekken die zijn gevoerd door de verdachten (zoals hierna zal worden vastgesteld). De rechtbank is zich bewust van het feit dat deze chats niet volledig zijn. Een groot aantal van de berichten is eenzijdig ontsleuteld. Bovendien ontbreken er chats. Het is niet bekend hoeveel chats er ontbreken. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat behoedzaamheid moet worden betracht bij het duiden van de betekenis en strekking van de inhoud van de gesprekken. De onvolledigheid betekent echter niet dat op basis van de chats in zijn geheel geen vaststellingen kunnen worden gedaan. Voor zover de rechtbank op basis van de chats bepaalde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, zal zij dit bij de hierna te bespreken feiten uiteen zetten.
3.4.2.3 Identificatie gebruikers PGP-accounts
Aan verdachten van onderzoek Murray worden een of meerde accounts van EncroChat en SkyECC door de politie toegeschreven in zogenaamde identificatie-processenverbaal en aanvullingen daarop. De identificaties volgen onder meer uit de inhoud van de chatberichten, maar ook uit aangestraalde zendmasten, vluchtgegevens, observaties, OVC-opnames, taps, verkregen gegevens uit privételefoons, een verkeerscontrole en andere identificerende gegevens.
Feiten
7De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de eis van de officieren van justitie buiten alle proporties is, gelet op opgelegde straffen in andere zaken. Bij het bepalen van de straf wordt verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het geweldselement in deze zaak volledig ontbreekt. De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar op te leggen waarvan 2 jaar voorwaardelijk met aftrek van voorarrest.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Zij heeft samen met anderen 10 blokken cocaïne (naar het buitenland), een hoeveelheid waarvan mag worden aangenomen dat dit ongeveer 10 kg betreft, vervoerd, verkocht en/of aanwezig gehad.
Door het handelen van verdachte wordt de handel in verdovende middelen in stand gehouden en kan zij mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne zwaar verslavend is en schadelijk voor de volksgezondheid van de gebruikers van deze drug.
Van de georganiseerde drugshandel gaat in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Boven- en onderwereld raken steeds meer met elkaar vermengd. Niet alleen worden grote sommen crimineel geld geïnvesteerd in legale activiteiten en goederen, maar worden ook medewerkers van bijvoorbeeld op zichzelf bonafide bedrijven en zelfs van opsporingsinstanties omgekocht en ingezet voor de handel in drugs. Verdachte heeft met haar handelen bijgedragen aan die georganiseerde drugshandel en de geschetste schadelijke effecten van die handel, waardoor deze mede in stand blijft.
Daarnaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag van 100.000,- in contanten van een onbekende valuta en daarnaast nog 101 pakketten met een onbekende hoeveelheid contant geld.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren. Criminelen konden hun contante geld bij de organisatie waar verdachte toe behoorde brengen. De organisatie zorgde vervolgens voor het vervoer van die contante bedragen naar andere plekken en landen, waar het vervolgens weer kon worden opgehaald. In sommige gevallen werden valuta omgewisseld in andere valuta. De organisatie kreeg vervolgens een provisie per transactie. Door deze manier van witwassen kunnen ook andere vormen van zeer ernstige criminaliteit zoals (georganiseerde) drugshandel, wapenhandel, corruptie, fraude en terrorisme worden gefinancierd. Dit maakt dat de criminele wereld in stand wordt gehouden en andere stafbare feiten mogelijk worden gemaakt. Verdachte dient zich bewust te zijn dat zijn handelen veel verder reikt dan alleen het verplaatsen van geld. Witwassen op deze enorme schaal vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende en corrumperende werking op de samenleving.
Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Deze feiten zijn door verdachte gepleegd in georganiseerd verband, waarbij zij een uitvoerende rol vervulde. Verdachte heeft niet alleen een rol op de achtergrond gespeeld binnen de organisatie. Zij hield zich naast de communicatie tussen de leden van de organisatie bezig met de boekhouding. Uit het dossier blijkt dat verdachte veel langer als boekhoudster betrokken is geweest bij de groep [naam 1] dan enkel in de periode van de bewezenverklaarde feiten. Ook vergezelde verdachte meermaals een koerier van de organisatie bij het ophalen van geld in het buitenland. Er was sprake van een hoge organisatiegraad bij de internationale drugshandel en de geldtransacties en -transporten. Verdachte heeft daaraan een essentiële bijdrage geleverd.
Verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve effecten niets aangetrokken. Zij heeft zich - naar mag worden aangenomen - enkel laten leiden door haar eigen financiële gewin.
Feiten
Landelijke Oriëntatiepunten Straftoemeting
Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het uitvoeren van 10 kilogram harddrugs een gevangenisstraf van 48 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt genomen. Indien dit feit wordt gepleegd in georganiseerd verband wordt een gevangenisstraf van 60 maanden als uitgangspunt genomen.
Hoewel hier geen sprake is van witwassen in een frauduleuze context, ziet de rechtbank ook voor het witwassen aanleiding om aan te sluiten bij de LOVS-oriëntatiepunten. Verdachte en haar mededaders hebben met het witwassen op grote schaal criminele activiteiten gefaciliteerd. In het geval van verdachte gaat het om witwassen van een groot geldbedrag. Op basis van de LOVS-oriëntatiepunten zou ook voor het witwassen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zijn.
De op te leggen straf
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank niet alleen gekeken naar de voor de verschillende verdachten bewezenverklaarde hoeveelheden cocaïne en witgewassen geldbedragen, maar ook naar wat ieders rol is geweest binnen de organisatie. Uit het dossier volgt dat [verdachte] over een langere periode dan de periode waarop de bewezenverklaarde feiten zien, de boekhouding heeft verzorgd voor de organisatie. Daarnaast was zij enkele malen de tussenpersoon in de communicatie met [medeverdachte 1] en voerde zij geldtransporten uit. De rechtbank heeft verder gekeken naar straffen die worden opgelegd in vergelijkbare zaken. Tot slot heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf gekeken naar de zaken van de medeverdachten. Daarbij komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] in de organisatie een kleinere rol had dan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en dat haar rol groter was dan die van [medeverdachte 4] , die enkel als geldkoerier optrad.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren dient te worden opgelegd. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging voert daarvoor aan dat uit de recente conclusie van de Advocaat-Generaal (A-G) bij de Hoge Raad volgt dat het enkele opleggen van een vrijheidsbenemende sanctie bij vonnis, onvoldoende is voor het opheffen van de schorsing van de voorlopig hechtenis (ECLI:NL:PHR:2025:267). Daarbij komt dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis gehouden aan alle gestelde (bijzondere) voorwaarden.
Subsidiair verzoekt de verdediging de voorlopige hechtenis van verdachte opnieuw te schorsen, al dan niet onder voldoening van een borgsom.
Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de voorlopige hechtenis van verdachte in stand moet blijven en verzet zich tegen een schorsing.
De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte geschorst tot aan de
einduitspraak, waardoor de voorlopige hechtenis bij het wijzen van dit vonnis automatisch weer herleeft.
De recidivegrond is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd aanwezig. De rechtbank is verder van oordeel dat met deze veroordeling en de opgelegde straf de grond van het vluchtgevaar herleeft. Verdachte heeft geen binding met Nederland. Zij beheerst de Nederlandse taal slechts in beperkte mate, heeft geen gezin, slechts een beperkt sociaal netwerk en geen duurzame arbeidsrelatie in Nederland. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de criminele organisatie waar verdachte deel van uitmaakte, gelet op de bewezenverklaringen en de luxe levensstijl van de verdachten, een aanzienlijk vermogen tot zijn beschikking moet hebben of hebben gehad. Nu, naar mag worden aangenomen, slechts een beperkte hoeveelheid van dit vermogen in beslag is genomen, heeft verdachte voldoende middelen om enige tijd onder de radar te blijven. De rechtbank ziet op basis van beide genoemde gronden, daarom geen aanleiding de voorlopige hechtenis op te heffen.
Ook het subsidiaire verzoek tot (hernieuwde) schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. Het persoonlijk belang tot schorsing van de voorlopige hechtenis was er eerder in gelegen dat verdachte haar proces, dat lang heeft geduurd, in vrijheid kon afwachten. Dit belang wordt door de rechtbank na dit veroordelend vonnis anders gewogen. De persoonlijke belangen die specifiek voor verdachte zijn aangevoerd, zoals het behoud van haar baan, wegen in deze fase naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet op tegen het genoemde strafvorderlijk belang. De conclusie is dat het verzoek tot hernieuwde schorsing wordt afgewezen. Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij het uitspreken van het vonnis op 8 april 2025 eindigt en verdachte weer gedetineerd komt te zitten.
Beoordeling
Er rust strafvorderlijk beslag op de volgende voorwerpen:
o een geldbedrag van € 14.255,-;
o een Rolex met briljanten op de wijzerplaat;
o een vordering/contant geld € 75.000,-;
o 29 flessen whisky;
o vijf biljetten van € 200,- (totaal € 1.000,-);
o 80 biljetten van € 50,- (totaal € 4.000,-);
o één zilver/gouden Rolex horloge;
o een zilveren/diamanten Rolex;
o een google pixel telefoon.
9.1
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen worden geretourneerd aan de beslagene.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
9.3
Beoordeling
De rechtbank zal de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Nu er ook conservatoir beslag ligt op de voorwerpen (met uitzondering van de Google Pixel telefoon), zullen de voorwerpen feitelijk niet aan verdachte worden teruggegeven.
10De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
ten aanzien van het beslag:
gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan verdachte:
o een geldbedrag van € 14.255,-;
o een Rolex met briljanten op de wijzerplaat;
o een vordering/contant geld € 75.000,-;
o 29 flessen whisky;
o vijf biljetten van € 200,- (totaal € 1.000,-);
o 80 biljetten van € 50,- (totaal € 4.000,-);
o één zilver/gouden Rolex horloge;
o een zilveren/diamanten Rolex;
o een google pixel telefoon.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. M.J. Wasmann en mr. M.G.E. ter Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 april 2025.
mr. M.J. Wasmann en mr. M.G.E. ter Hart zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Pretty Good Privacy
Beoordeling
De rechtbank hecht er belang aan op te merken dat het bij een identificatie van een bepaald account niet noodzakelijk is dat iedere identificerende omstandigheid op zichzelf dusdanig redengevend is dat op basis hiervan identificatie plaats kan vinden. De identificerende feiten en omstandigheden dienen in onderling verband en samenhang te worden bezien. Op basis daarvan, stelt de rechtbank de identificatie van de gebruikers (voor zover relevant) van de EncroChat- en SkyECC-accounts in de desbetreffende periode(s) als volgt vast:
EncroChat
Account
Bijnaam
Gebruiker
Periode
[account 3]
[naam 1]
[naam 2]
Farmer
Garage
Werker [naam 1] [naam 6]
[naam 1] schn.zoon Farmer new Schoonzoon 2
linkerhand [naam 1]
wsl holland
tractor
Groep [naam 1]
[medeverdachte 3]
27 januari 2020 t/m 4 maart 2020 en 8 maart 2020 t/m 8 juni 2020
[account 4]
, jottumke, jottum new, wisselar, jottum, jottum wissel, wissel nl
[medeverdachte 4]
27 maart 2020 t/m 28 april 2020
[account 5]
, Partner, Rumena, bossibitchi
[verdachte]
8 april 2020 t/m 3 juni 2020
[account 6]
Lazylovecub, [account 6] , talli, tali, tally n
[medeverdachte 5]
[account 7]
(…)moneyexchange (…)
[medeverdachte 6]
25-03-2020 t/m
12-06-2020
[account 8]
, manaco, fr pik,
french pik newnew, partner,
franseleuterfr
[medeverdachte 2]
15-01-2020 t/m 15-07-2020
SkyECC
Account
Bijnaam
Gebruiker
Periode
[account 2]
Farmer, Farmer new, [account 9] ,
[account 2]
Groep [naam 1]
[medeverdachte 3]
[medeverdachte 5]
14 juni t/m 1 september 2020 en 20 t/m 29 september 2020
1 t/m 19 september 2020 en 29 september t/m 22 december 2020
[account 9]
Faf, Fnb, Farmer
Groep [naam 1]
[medeverdachte 3]
[medeverdachte 5]
28 december 2020 t/m 20 januari 2021
22 december 2020 t/m 26 december 2020
20 januari 2021 t/m 8 maart 2021
[account 10]
Kkk, Tarzan, [naam 1]
Groep [naam 1]
Gebruiker is niet nader geïdentificeerd.
13 juni 2020 t/m 8 juli 2020
[account 11]
Jottum Wissel nl
[medeverdachte 4]
16 juni 2020 t/m 5 oktober 2020
[account 12]
Taally, Taalli, Pinto-Pakistan amsterdam.
[medeverdachte 5]
2 maart 2020 t/m 9 maart 2021
[account 13]
Crispymate
[verdachte]
13 juni 2020 t/m 19 augustus 2020
Beoordeling
[account 14]
123, Sky, Sonia
[verdachte]
9 juli 2020 t/m 13 november 2020
[account 15]
Scooter??MoneyExchange, Scooter@oneyExchange@Marbella, Nw Sky [account 16] , Exchange NO1BC711491
[medeverdachte 6]
4 december 2019 t/m 14 januari 2021
[account 16]
Cupertino, Scooter,
ScooterMoneyExchange
[medeverdachte 6]
11-12-2020 t/m 08-03-
2021
3.4.2.4 Identificatie [naam 1] en [naam 2]
Identificatie ‘ [naam 1] ’
De SkyECC-accounts [account 2] , [account 9] en [account 10] worden, zoals bij de bespreking van de feiten zal blijken, gebruikt voor het plegen van criminele activiteiten. Het account [account 10] is een contact van [account 2] . De accounts [account 2] en [account 10] zijn een korte periode in juni/juli 2020 gelijktijdig in gebruik geweest. De accounts [account 2] , [account 9] en [account 10] maken gebruik van dezelfde bijnamen, namelijk ‘ [naam 1] ’ en/of ‘Farmer’. In de chatberichten wordt ‘ [naam 1] ’ door derden wisselaar genoemd. ‘ [naam 1] ’ is een wisselaar en je kan bij hem ‘papieren’ droppen. ‘ [naam 1] ’ is een machtige man (een ‘man met power’).
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de accounts [account 2] , [account 9] en [account 10] geen vaste gebruiker hadden, maar in gebruik waren bij een of meerdere personen behorende tot een crimineel netwerk (groep [naam 1] ) waarvan ‘ [naam 1] ’ op de achtergrond de bepalende persoon is die de leiding heeft. Er wordt door de accounts gesproken over ‘ons’ of ‘we’, hetgeen duidt op gebruik door een groep. [naam 1] is echter degene die steeds beslist/goedkeuring geeft. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat ‘ [naam 1] ’ zelf geen actieve gebruiker is (geweest) van de accounts.
De rechtbank dient de vraagt te beantwoorden wie met ‘ [naam 1] ’ wordt bedoeld. Zij neemt daarbij het volgende in aanmerking. De cryptotelefoons worden een groot deel van de periode dat de accounts actief zijn, gebruikt in de omgeving van de [adres 2] in [plaats 1] . Dit betreft het woonadres van [medeverdachte 1] en tevens is daar zijn autogarage gevestigd. Uit de aangestraalde zendmasten volgt dat de gebruiker(s) zich hebben opgehouden in de directe omgeving van het bedrijf (en woonhuis) van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] in [plaats 1] . De hiervoor geïdentificeerde gebruikers [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] zijn directe vertrouwelingen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] is zijn schoonzoon en [medeverdachte 5] staat op de loonlijst van zijn autogarage. [account 2] was de hele periode in Nederland met uitzondering van 31 juli 2020 t/m 15 augustus 2020. In die periode straalde de telefoon aan in Spanje. In diezelfde periode zaten volgens de vluchtgegevens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] met hun partners in Spanje. Verder neemt de rechtbank identificerende gegevens uit de chatberichten het volgende in aanmerking.
‘ [naam 1] ’ is woonachtig op de [adres 2] in [plaats 1] . [medeverdachte 1] is de enige man die op dat adres staat ingeschreven.
De woning van ‘ [naam 1] ’ wordt met foto’s gedeeld. De woning op de foto komt overeen met de woning van [medeverdachte 1] .
‘ [naam 1] ’ woont in een kleine boerderij met een kleine garage er tegen aan. De autogarage van [medeverdachte 1] is naast de woning gevestigd.
‘ [naam 1] ’ is een Hollandse man. [medeverdachte 1] is Nederlands.
‘ [naam 1] ’ is oude man 60+. [medeverdachte 1] is geboren op [geboortedag 2] 1959 en dus ten tijde van het bericht op 25 augustus 2020 ouder dan 60 jaar.
Op 6 oktober 2020 stuurt [account 2] dat [naam 1] zelf weg is, maar dat hij iets heeft klaar liggen voor het tegencontact dat kan worden opgehaald. [medeverdachte 1] bevindt zich volgens de vluchtgegevens op dat moment in (de omgeving van) Malaga (Spanje).
De rechtbank concludeert dat ‘ [naam 1] ’ [medeverdachte 1] is.
Dat in de Nederlandse vertaling van het verzoek tot verlenging van de voorlopige hechtenis van [naam 3] , zoals overgelegd door de verdediging, de zinsnede “Daarnaast was er [naam 1] , « [account 1] », een Nederlander waarschijnlijk van Arabische afkomst die vanaf Nederland toezicht hield op de leveringen van verdovende middelen, evenals op het overdragen van geld.”, staat opgenomen, maakt vorenstaande conclusie niet anders. Gelet op de overige inhoud van het overlegde stuk en de overige informatie uit het onderzoek [naam van onderzoek] beschouwt de rechtbank deze opmerking als abusievelijk onjuist getrokken conclusie door de degene die het verzoek tot verlenging van de voorlopige hechtenis van [naam 3] heeft opgemaakt.
Identificatie ‘ [naam 2] ’
De rechtbank stelt op grond van de volgende feiten en omstandigheden vast dat ‘ [naam 2] ’ [medeverdachte 1] is.
[naam 7] kreeg regelmatig opdracht van [naam 8] om geld op te halen bij of weg te brengen naar ‘ [naam 2] ’. Uit de bakengegevens van zijn auto volgt dat [naam 7] vervolgens naar het adres [adres 2] te [plaats 1] reed.
Er is een peilbaken geplaatst onder de auto waarin [naam 7] reed. Uit de bakengegevens volgt dat [naam 7] meerdere malen een ‘fix’ had in de directe omgeving van dan wel op het adres [adres 2] te [plaats 1] .
[naam 8] had meermalen contact met het EncroChat-account [account 3] . Uit de metadata van EncroChat volgt dat [account 3] onder andere de nickname ‘ [naam 2] ’ had.
In de Exclu-berichten worden volgens de verbalisant de volgende details over ‘ [naam 2] ’ gedeeld:
o ‘ [naam 2] ’ werd soms ook ‘ [naam 1] ’ genoemd.
o Rond 2 november 2022 zou de jongste dochter van ‘ [naam 2] ’ een zwaar ongeluk hebben gehad, vermoedelijk in Spanje. Deze dochter zou in coma hebben gelegen. Uit een tapgesprek van 1 november 2022 volgt volgens de politie dat een dochter van [medeverdachte 1] een zwaar motorongeluk in Spanje heeft gehad en op de IC ligt.
o ‘ [naam 2] ’ zou vanaf 1 december 2022 een week weg zijn geweest. Uit vluchtgegevens volgt dat [medeverdachte 1] van 1 tot en met 7 december 2022 met [verdachte] naar Malaga is gevlogen.
3.4.2.5 OVC-opnames autogarage [medeverdachte 1]
De rechtbank neemt het algemene beeld over dat verbalisanten hebben afgeleid uit de OVC-gesprekken, tevens opgenomen in de bewijsbijlage, welke gesprekken zijn opgenomen in het garagebedrijf van [medeverdachte 1] aan de [adres 2] in [plaats 1] , te weten dat er met en door [medeverdachte 1] regelmatig werd gesproken over de handel in drugs en over ondergronds bankieren.
Beoordeling
In de bewijsbijlage zijn meerdere gesprekken opgenomen, waaruit dit beeld naar voren is gekomen.
3.4.2.6 Boekhouding groep [naam 1]
In het voorgaande is vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker van de accounts [account 5] , [account 13] en [account 14] is geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de woningen/appartementen waar [verdachte] verbleef (Roemenië, Marbella (Spanje) en in [plaats 2] ), administratiekaartjes zijn aangetroffen die overeenkomen dan wel soortgelijk zijn aan de kaartjes die zijn verzonden door de accounts in gebruik bij [verdachte] . De rechtbank gaat er gelet op de inhoud van de kaartjes en de inhoud van de PGP-berichten vanuit dat op de kaartjes werd bijgehouden welke bedragen zijn afgegeven en van wie deze afkomstig zijn. Het bevat een beginsaldo van contant geld, (veelal) vermeerderd met de contanten die koeriers afleveren, verminderd met de afdracht van contante gelden aan klanten en dat resulteert in een nieuw saldo van de voorraad geld. De kaartjes werden gedeeld met [medeverdachte 6] , die zich in Spanje bevond, en met ‘groep [naam 1] ’, die zich in Nederland bevond. De rechtbank gaat ervan uit dat de kaartjes een administratie van de voorraad contant geld in Spanje zijn en dat met “SPP” ‘Spaanse pot’ wordt aangeduid, die beheerd wordt door [medeverdachte 6] .
3.4.2.7 De rol van [medeverdachte 1]
De rechtbank leidt uit de volgende feiten en omstandigheden en onder verwijzing naar bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage af dat [medeverdachte 1] aan de leiding stond van een organisatie die aangeduid werd als de ‘groep [naam 1] ’ en dat hij degene was die de besluiten nam.
De autogarage van [medeverdachte 1] was de centrale plek waarvandaan de handel in verdovende middelen en geldtransporten werden uitgevoerd.
De PGP-accounts die in gebruik zijn bij de organisatie hebben als bijnaam ‘ [naam 1] ’ of ‘farmer’. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, wordt met [naam 1] [medeverdachte 1] bedoeld.
Uit de verschillende berichten leidt de rechtbank af dat aan ‘ [naam 1] ’, ofwel [medeverdachte 1] , vaak toestemming moet wordt gevraagd voor het verrichten van een geldtransactie of een transactie met betrekking tot de handel in cocaïne. Zie onder andere de SkyECC-berichten van 11 juli 2020 van [medeverdachte 6] aan het account van groep [naam 1] ‘ik zie [naam 1] zo maat en vraag ik of dat goed of is al accoord’. En tussen dezelfde accounts op 14 juli 2020 ‘laat je straks weten als [naam 1] er is maat’. En op 3 september 2020 tussen [medeverdachte 2] en het account van groep [naam 1] ‘doe maar via scooter, [naam 1] is met scooter’.
Ook zijn er EncroChat-berichten waaruit volgt dat [naam 1] degene is die de beslissingen neemt. Een voorbeeld zijn de berichten van 19 mei 2020 tussen [verdachte] en [naam 9] waarin [naam 9] vraagt ‘kun je de [naam 1] vragen wanneer ik het geld van mijn schoonzoon kan ophalen’. En de berichten van 26 mei 2020 tussen [account 3] (het account van groep [naam 1] ) en [account 1] , waarin [account 3] schrijft ‘ik zal het morgenmiddag gelijk doorgeven aan [naam 1] ’ en de volgende middag ‘ [naam 1] zegt ook ok’.
In berichten tussen anderen waarin wordt gesproken over [naam 1] , wordt hij de wisselaar genoemd en op 22 mei 2020 zegt gebruiker van [account 17] tegen gebruiker [account 18] over hem ‘hoe power die man is en hoe eerlijk’.
- In het OVC-gesprek op 9 februari 2023 tussen [medeverdachte 1] en een onbekende man vraagt de onbekende man aan [medeverdachte 1] hoe je handel moet opbouwen. [medeverdachte 1] legt vervolgens uitgebreid uit hoe je vanaf het begin de handel moet opbouwen. [medeverdachte 1] benoemt daar onder andere dat hij het eerste en het laatste woord heeft en beschrijft de handel telkens in de ‘ik’-vorm. Dat doet hij in meer gesprekken, bijvoorbeeld ook in de OVC-gesprekken tussen Fouad en [medeverdachte 1] op 21 maart 2023. In dat gesprek beschrijft [medeverdachte 1] ook hoeveel ‘hij’ aan de handel over houdt.
3.4.2.8 Feit 1 (cocaïne transacties)
Verdachte wordt onder feit 1 kort gezegd verweten dat zij samen met anderen telkens een bepaalde hoeveelheid cocaïne heeft vervoerd en/of verkocht etc. dan wel aanwezig heeft gehad. De rechtbank zal in het navolgende de ten laste gelegde transporten bespreken.
10 kilogram cocaïne (zaaksdossier 04: Saint Tropez; transport 28 mei-1 juni 2020)
De rechtbank leidt ten eerste uit de chatberichten tussen [medeverdachte 2] en de gebruiker [naam 10] af, dat deze [naam 10] 10 stuks wil afnemen van [medeverdachte 1] . [naam 10] wordt door [medeverdachte 2] vervolgens Captain genoemd.
Uit de berichten van 1 en 2 mei 2020 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , leidt de rechtbank af dat door [medeverdachte 2] eerst aan [medeverdachte 1] gevraagd moet worden of captain 10 stuks kan afnemen. [medeverdachte 3] (die is op dat moment de gebruiker van [account 3] ), laat namelijk weten dat [medeverdachte 1] bij Roemeen (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) is. Daarop neemt [medeverdachte 2] contact op met [verdachte] en vraagt: “are you with your lover”. Vervolgens wordt via het account dat [verdachte] in gebruik heeft toestemming gegeven aan [medeverdachte 2] voor de transactie met Captain. [medeverdachte 2] kan zelf een afspraak maken met Captain voor de levering. De rechtbank maakt daaruit op dat akkoord is gevraagd aan en gegeven door [medeverdachte 1] . Op 26 mei 2020 zegt [medeverdachte 2] tegen [naam 10] dat [medeverdachte 1] contact wil met hem en dat [medeverdachte 2] op 28 mei 2020 bij [medeverdachte 1] zal zijn. Uit de daaropvolgende berichten van 28 mei 2020 van [medeverdachte 3] aan [naam 10] volgt dat de 10 stuks de stempel Pitbull hebben en € 30.000,- per stuk kosten. Het betreft ‘Colo’. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de term “colo” in de handel van verdovende middelen gebruikt wordt om cocaïne uit Colombia aan te duiden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2021:14242 en ECLI:NL:RBAMS:2022:7082). De prijs van 1 blok cocaïne ligt in 2020 rond € 30.000,-. [naam 10] gaat akkoord met de pitbulls.
Uit de chatberichten leidt de rechtbank verder af dat [medeverdachte 2] als koerier voor groep [medeverdachte 1] die 10 stuks heeft geëxporteerd vanuit [plaats 1] (Nederland) naar Saint Tropez (Frankrijk). [medeverdachte 2] stuurt namelijk op 26 mei 2020 aan [medeverdachte 3] : “ik kom de 28. Moet rijden naar Captain in St Tropez”. Na uitstel door [naam 10] levert [medeverdachte 2] op 1 juni 2020 en krijgt hij € 199.400,. Aan [verdachte] stuurt [medeverdachte 2] : “I went to captain , all good , he gave me 199400” samen met een afbeelding van Eurobankbiljetten.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen 10 stuks cocaïne heeft verkocht, uitgevoerd en geleverd. [verdachte] heeft daarbij opgetreden als tussenpersoon in de communicatie tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] heeft daarbij opgetreden als tussenpersoon in de communicatie tussen [naam 10] /Captain en [medeverdachte 1] , bij het sluiten van de deal en daarnaast in het contact met [medeverdachte 2] . Daarmee zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] alle drie een belangrijke schakel en is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen.
Beoordeling
Hoewel ook hier weer aannemelijk is dat een stuk cocaïne 1 kilo bevat, zal de rechtbank niet 10 kilo bewezen verklaren, omdat dit niet kan worden vastgesteld op basis van het dossier.
5 kilogram cocaïne (zaaksdossier 02, transactie 22 juni 2020)
In het dossier bevindt zich een bericht van [account 13] , in gebruik bij [verdachte] , waarin zij [medeverdachte 6] instrueert om aan [naam 11] 5 stuks Zeptek af te geven als hij met hem contact opneemt. Hoewel op basis van het dossier kan worden aangenomen dat er wordt gesproken over 5 blokken cocaïne met de stempel Zeptek, is de rechtbank van oordeel dat dit enkele bericht onvoldoende is om vast te stellen dat verdachte (al dan niet samen met anderen) op 22 juni 2020 ook daadwerkelijk cocaïne heeft vervoerd, verkocht, afgeleverd, uitgevoerd en/of aanwezig gehad. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
3.4.2.8.3 Conclusie feit 1
De rechtbank acht gelet op vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen 10 stuks cocaïne heeft verkocht, uitgevoerd en geleverd. Voor het overige wordt verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken.
3.4.2.9 Feit 2 (witwassen)
Verdachte wordt onder feit 2 verweten dat zij samen met anderen geldbedragen heeft witgewassen en daar een gewoonte van heeft gemaakt. De rechtbank zal eerst de betrokkenheid van verdachte per geldtransactie bespreken en daarna ingaan op de vraag of sprake is van (gewoonte)witwassen.
€ 100.000
De rechtbank leidt uit de eenzijdige berichten van [verdachte] aan het account van de groep [naam 1] van 8 juli en 10 en 17 augustus 2020 af dat [verdachte] een geldbedrag van in totaal 99k, de rechtbank begrijpt 99.000, heeft ontvangen ‘from the boy’ en dat zij binnen twee dagen (de rechtbank begrijpt uiterlijk op 19 augustus 2020) de rest, ofwel nog 1000 zal ontvangen. [verdachte] telt het geld zelf en geeft de bedragen door aan het account van de groep [naam 1] . Uit het feit dat het geld wordt geteld, volgt dat het gaat om contante geldbedragen. De rechtbank stelt vast dat een groot geldbedrag (100.000) van een onbekende valuta is verworven en voorhanden gehad. De berichten dienen te worden gezien in het licht van het feit dat [verdachte] als boekhouder voor groep [naam 1] optreedt. Uit de communicatie blijkt immers dat zij verantwoording aflegt over de in- en uitgaven.
3.4.2.9.2 Meerdere pakketten met contante geldbedragen
De rechtbank zal de transporten van 29 juni t/m 4 juli 2022, 8 t/m 11 oktober 2022 en 17 t/m 21 februari 2023 samen bespreken. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af.
23 pakketten (transport 29 juni t/m 4 juli 2022)
[medeverdachte 2] is op 29 juni 2022 naar Italië gereisd in het bijzijn van [naam 12] . In Genua hebben zij [verdachte] opgehaald en zijn vervolgens naar Sardinië gereisd. Buiten aanwezigheid van [naam 12] om, werd door [medeverdachte 2] en [verdachte] op 1 juli 2020 iets opgehaald bij de villa van familie [naam 13] aan de [adres 5] in [plaats 3] in Sardinië, Italië. Uit de opgenomen gesprekken blijkt dat er wordt geteld en is te horen “drieëntwintig pakketten”. Ook blijkt dat [naam 12] gestrest is, omdat het voor haar de eerste keer is. Te horen is verder op de opgenomen gesprekken dat [verdachte] zegt: “wij komen alleen maar ophalen en brengen niets”. [medeverdachte 2] is vanuit Italië naar de autogarage van [medeverdachte 1] in Nederland gereden, waar hij op 3 juli 2020 arriveerde. Daar wordt er weer geteld. [medeverdachte 2] noemt ‘23’ tegen [medeverdachte 1] . Ook is er geritsel in een shopperbag te horen.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat er 23 pakketten zijn verworven en voorhanden gehad.
37 pakketten (transport van 7 t/m 11 oktober 2022)
Uit de opgenomen gesprekken leidt de rechtbank af dat [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] naar Italië is gevlogen. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat [medeverdachte 2] op 7 oktober 2022 [verdachte] in Genua, Italië heeft opgehaald en zij die avond de veerboot nemen naar Sardinië. Uit de opgenomen gesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] en [verdachte] om dezelfde reden weer in Italië zijn als voor het transport tussen 29 juni t/m 4 juli 2022, [medeverdachte 2] zegt namelijk: “de laatste keer is al een hele tijd geleden, toch?. (…) De laatste keer was met jou en [naam 12] toch?”. Ook leidt de rechtbank uit de opgenomen gesprekken af dat hij niet alleen [medeverdachte 1] moest berichten, maar dat ook [medeverdachte 5] , de bijnaam van [medeverdachte 5] , wilde weten wanneer ze op de boot zitten. Op 8 oktober 2022 zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] in Sardinië aangekomen en direct doorgereden naar de villa aan de [adres 5] in [plaats 3] op Sardinië. Te horen is op de OVC-opname dat [verdachte] vraagt hoeveel pakketjes het zijn en dat [medeverdachte 2] tot 37 telt. Op 10 oktober 2022 verlieten [medeverdachte 2] en [verdachte] het eiland en reden zij naar Nederland. [verdachte] wordt in [plaats 4] afgezet en [medeverdachte 2] rijdt door naar de [adres 2] in [plaats 1] . Hij is daar op 11 oktober aan gekomen. [medeverdachte 2] laat [medeverdachte 1] weten dat hij 37 pakketten bij zich heeft.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat er 37 pakketten zijn verworven en voorhanden gehad.
41 pakketten (transport van 17 t/m 21 februari 2023)
Uit de opgenomen gesprekken van 28 januari 2023 blijkt dat [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1] op de 16e weg moet. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat [medeverdachte 2] op 17 februari 2023 [verdachte] in Genua, Italië heeft opgehaald en zij die avond de veerboot hebben genomen naar Sardinië. Op 8 oktober 2022 zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] in Sardinië aan gekomen en direct doorgereden naar de villa aan de [adres 5] in [plaats 3] op Sardinië. Te horen is op de OVC-opname dat er geteld wordt. Nadat ze zijn vertrokken, wordt besproken om niet naar een bar te gaan omdat daar veel controles plaatsvinden. Er worden auto’s aangehouden door de Guarda di Finance. De rechtbank leidt hieruit af dat er iets is opgehaald wat de politie niet mag aantreffen. Verder wordt besproken dat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 5] moet berichten hoeveel pakketten er zijn ingeladen. [verdachte] noemt dan ‘41’.
Op 20 februari 2023 verlieten [medeverdachte 2] en [verdachte] het eiland Sardinië en reden zij naar Nederland. [verdachte] wordt in [plaats 4] afgezet en [medeverdachte 2] rijdt door naar de [adres 2] in [plaats 1] . Hij is daar op 21 februari 2023 aan gekomen. Te horen is dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tassen inladen.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat er 41 pakketten zijn verworven en voorhanden gehad.
Meerdere pakketten met contante geldbedragen
Ten aanzien van de drie bovengenoemde transporten overweegt de rechtbank verder het volgende. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij geld heeft vervoerd voor de organisatie. Voor het vervoeren van geld werd door [medeverdachte 2] gebruik gemaakt van een verborgen ruimte in zijn auto.
Er wordt telkens iets opgehaald bij de villa van de familie [naam 13] op Sardinië. In een Italiaans onderzoek waarbij een van de leden van de familie [naam 13] werd aangehouden in 2017 is drugs en geld inbeslaggenomen. Naast de transporten van 29 juni t/m 2 juli 2022, 7 t/m 11 oktober 2022 en 17 t/m 21 januari 2023 is [medeverdachte 2] ook op 22 januari 2022 bij de familie [naam 13] geweest, nadat de auto van [medeverdachte 2] eerst in [plaats 1] was ingeladen.
Beoordeling
Tijdens het transport van 17 t/m 24 januari 2022 wordt [medeverdachte 2] (deels) door zijn maîtresse [naam 14] vergezeld. Uit het opgenomen gesprek van 22 januari 2022 om 10.10 uur (sessie 3536), leidt de rechtbank af dat er bij de familie [naam 13] geld werd opgehaald. Ook blijkt daaruit dat het een betaling voor een geleverd ‘product’ betrof. De rechtbank acht het aannemelijk dat het bij de familie [naam 13] geleverde product drugs betrof.
Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat er in de door [medeverdachte 2] opgehaalde en vervoerde pakketten contante geldbedragen zaten.
De rol van [medeverdachte 2] bij voornoemde transporten vanuit Sardinië naar Nederland bestond uit het koerieren van het geld van de organisatie. [verdachte] was telkens aanwezig bij het ophalen van de pakketten met contante geldbedragen bij de klant en bij het vervoeren daarvan. [medeverdachte 1] was telkens aanwezig om de pakketten met geld van [medeverdachte 2] in ontvangst te nemen in Nederland. Daarmee is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] .
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte samen met anderen 23, 37 en 41 pakketten met contante geldbedragen hebben verworven en voorhanden gehad.
3.4.2.9.3 Beoordelingskader witwassen
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij geldtransacties van grote contante geldbedragen, dient zij de vraag te beantwoorden of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.
Om te komen tot een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ moet vaststaan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. Uit de bewijsmiddelen hoeft echter niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Wanneer door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als echter zo’n verklaring van verdachte uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.
Als de verdachte zo’n verklaring wel geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
3.4.2.9.4 Toepassing van het beoordelingskader witwassen
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de pakketten geld en het geldbedrag van 100.000 afkomstig zijn uit misdrijf en neemt daarbij het volgende in aanmerking:
- uit de chatberichten blijkt dat, ondanks dat het om een groot geldbedrag ging, dan wel bij de pakketten geld om grote geldbedragen moet zijn gegaan, er geen gebruik werd gemaakt van het normale gangbare financiële (girale) verkeer door verdachten;
hierdoor en door de wijze van vervoer van dit soort grote contante geldbedragen, werden ongebruikelijke en hoge veiligheidsrisico’s gelopen;
de contante geldbedragen werden vervoerd in (sport)tassen of plastic zakken;
de verdachten waren in het bezit van PGP-telefoons, waarmee afspraken werden gemaakt over de overdrachten;
er werd gebruik gemaakt van gecodeerde aanduidingen/afkortingen en bijnamen van klanten en medeverdachten;
de transacties zijn summier geadministreerd, waarbij met bijnamen van klanten werd gewerkt;
er werd geld overgedragen door koeriers; en
er werd veelvuldig gebruik gemaakt van een verborgen ruimte in een voertuig.
Nu de verdachte niet heeft verklaard over de herkomst van de 100.000 en de pakketten geld kan het niet anders dan dat deze voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.4.2.9.5 Opzet
Uit de redengevende feiten en omstandigheden - die volgen uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage I - in onderling verband en samenhang bezien, blijkt van een modus operandi van groep [naam 1] (waaronder verdachte) die steeds bestond uit:
het gebruik van PGP-telefoons door verdachten om te communiceren met tegenpartijen (leveranciers/klanten), waarbij verdachten zich onbespied waanden door te communiceren via versleutelde communicatie;
het summier en anoniem administreren van transacties door gebruik te maken van bijnamen en afkortingen;
het verwerven, voorhanden hebben en verplaatsen van omvangrijke geldbedragen;
het gebruiken van verborgen ruimtes, zoals aangetroffen in de auto’s van de koeriers [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] .
Gezien de vergaande betrokkenheid van verdachte bij de geldverplaatsingen (geld aannemen, als koerier optreden, verantwoording afleggen) en haar rol als boekhoudster van de organisatie (groep [naam 1] ), is uitgesloten dat verdachte niet van de criminele herkomst heeft geweten.
Verdachte heeft hiermee, naar het oordeel van de rechtbank, telkens willens en wetens de criminele herkomst, de verplaatsing en de rechthebbenden op het geldbedrag van 100.000 en de pakketten geld verhuld en verborgen en deze voorwerpen daarnaast willens en wetens verworven en voorhanden gehad. Omdat ten aanzien van het geldbedrag niet duidelijk is om welke valuta het gaat, zal de rechtbank voor dit geldbedrag enkel bewezen verklaren dat sprake is van een groot geldbedrag.
3.4.2.9.6 Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat bij voorgaande witwastransacties die de rechtbank bewezen acht, steeds sprake is geweest van de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten. Er is sprake geweest van witwassen in een georganiseerd verband, namelijk door ‘groep [naam 1] ’. Iedere verdachte had daarin zijn eigen rol die al dan niet inwisselbaar was. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] waren degene die de telefoons van de groep bedienden. Zij waren het aanspreekpunt voor de contacten van groep [naam 1] . Zij communiceerden dus met andere criminele groepen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] waren koeriers van groep [naam 1] . [verdachte] hield de administratie van groep [naam 1] bij en was dus de boekhoudster van de organisatie. Zij was daarnaast ook bij een aantal transporten betrokken als koerier en fungeerde als aanspreekpunt voor [medeverdachte 1] als hij bij haar was.
Beoordeling
Uit verschillende berichten volgt dat er toestemming moest worden gevraagd aan [medeverdachte 1] voor het brengen of ophalen van geld. Uit opgenomen OVC-gesprekken volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] aanwezig waren bij het inladen van het geld. Uit OVC-gesprekken volgt ook dat [medeverdachte 1] zelf herhaaldelijk aanwezig was op momenten dat er werd ingeladen of uitgeladen.
3.4.2.9.7 Gewoontewitwassen
Gelet op de omvangrijke hoeveelheid contant geld (100.000 en 101 pakketten) in een periode van 3 jaren, kan naar het oordeel van de rechtbank ook worden bewezen dat de verdachten van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.
3.4.2.9.8 Conclusie feit 2
De rechtbank komt gelet op dat wat hiervoor is besproken tot een bewezenverklaring van het in onder 2 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 8 juli 2020 tot en met 28 maart 2023, nu verdachte samen met anderen opzettelijk een groot geldbedrag en 101 pakketten met geld heeft verworven en voorhanden gehad terwijl zij wisten dat deze van misdrijf afkomstig waren (sub b) en daarnaast dat zij de herkomst, de vindplaats, de verplaatsing en de rechthebbende op die contante geldbedragen hebben verborgen/verhuld en/of verhuld wie die contante geldbedragen voorhanden had (sub a).
4De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 28 mei 2020 tot en met 23 1 juni 2020 te [plaats 1] en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of Roemenië en/of Spanje en/of Frankrijk, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
(ongeveer) 10 kilogram cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne [ZD04 Saint Tropez, transport 28 mei-1 juni 2020, hoofdstuk 5.1] en/of
(ongeveer) 5 kilogram cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne [ZD02, transactie 22 juni 2020, paragraaf 17],
in elk geval (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 juli 2020 tot en met 28 maart 2023 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , en/of één of meer andere plaatsen in Nederland en/of Spanje en/of Italië en/of Frankrijk en/of Roemenië, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
van (contante) geldbedragen waaronder:
een (contant) geldbedrag van (ongeveer) € 100.000, althans een of meer (grote) groot geldbedrag(en) [AH168], en/of
(ongeveer) 23 pakketten, bestaande uit een of meer (contante) geldbedrag(en), althans een of meer (grote) (contante) geldbedrag(en) [AH096], en/of
(ongeveer) 37 pakketten, bestaande uit een of meer (contante) geldbedrag(en), althans een of meer (grote) geldbedrag(en) [AH096], en/of
(ongeveer) 41 pakketten, bestaande uit een of meer (contante) geldbedrag(en), althans een of meer (grote) geldbedrag(en) [AH096/AH126],
(sub a)
(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) was, en/of verborgen en/of verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had,
en/of
(sub b)
(telkens) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat die voornoemde (contante) geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 2 onder A en B van de Opiumwet gegeven verboden;
feit 2:
medeplegen van gewoontewitwassen.
6De strafbaarheid van de feiten