Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-25
ECLI:NL:RBGEL:2025:2483
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,268 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/120197-24
Datum uitspraak : 25 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonend aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
raadsvrouw: mr. C.T.B.J. Besjes, advocaat in Heumen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk
het wegdek, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de gemeente
Zaltbommel, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd
en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft
gesticht, althans een ontploffing teweeg heeft gebracht door
rondom, in en op een caravan een brandbare vloeistof te sprenkelen en/of te gieten en/of
(vervolgens) een explosief/vuurwerk aan te steken met een aansteker, althans in aanraking te brengen met open vuur en/of
dat aangestoken explosief/vuurwerk in/ in de richting van die caravan te gooien en/of alwaar dat explosief/vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht, althans open vuur in aanraking te brengen met één of meerdere brandbare stof(fen), terwijl daarvan
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten dhr. [slachtoffer] en/of zijn hond te duchten was
gemeen gevaar voor goederen, te weten een caravan en/of het wegdek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair:
hij op of omstreeks 9 december 2023 te [plaats] , gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een caravan en
een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft die ander toen aldaar vuurwerk en/of open vuur en/of een brandend voorwerp in aanraking gebracht met voornoemde caravan,
ten gevolge waarvan voornoemde caravan is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in de omgeving bevindende goederen en een persoon te duchten was, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door met die caravan mee te lopen richting de plaats van de brand en die caravan naar de kruising te begeleiden alwaar deze in de brand werd gestoken.
Feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 9 december 2023 is op de kruising van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] in [plaats] een caravan in brand gestoken door een groep jongens. Een man die zijn hond uitliet is daarbij gewond geraakt. De caravan is tot op het chassis afgebrand en het wegdek was dusdanig beschadigd dat dit vervangen moest worden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een integrale vrijspraak bepleit. Zij is van mening dat de wetenschap vooraf en de enkele aanwezigheid bij de brand, met het daarbij filmen en het zich niet distantiëren onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van het primair onder 2 ten laste gelegde medeplegen van de brandstichting. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het filmen niet is genoemd in de tenlastelegging. Van de overige, wel in de tenlastelegging beschreven feitelijke handelingen waaruit de medeplichtigheid van verdachte zou hebben bestaan, kan niet bewezen worden dat verdachte deze heeft verricht. Om die reden is er geen sprake van medeplichtigheid. De raadsvrouw heeft vervolgens gesteld dat verdachte geen medepleger is en ook niet medeplichtig is aan het feit dat de vernieling van het wegdek heeft veroorzaakt en daarom ook van het onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Beoordeling
FEIT 2
Brandstichting
Door verbalisant [verbalisant] zijn camerabeelden uitgekeken die getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) heeft gemaakt. Direct bij de start van het filmpje ziet de verbalisant vanaf de kruising een witte bestelauto wegrijden en uit beeld verdwijnen op de [straatnaam 3] . Ook is op de beelden te zien dat op de kruising een grote caravan staat. Verbalisant ziet twee personen (NN1 en NN2) in beeld. Er komt een derde persoon (NN3) achter de caravan vandaan. Er komt een persoon aanlopen, waarvan verbalisant weet dat dit aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is met zijn hond. Verbalisant ziet dat [slachtoffer] richting de caravan loopt en hierbij NN2 passeert. Terwijl hij hem passeert kijkt hij naar NN2, waarop NN2 zich wegdraait van [slachtoffer] . Ondertussen lijkt uit de geopende deur van de caravan nog een persoon te komen (NN4). NN4 buigt voorover ter hoogte van de geopende caravandeur en verbalisant ziet dat NN4 een wit ogende jerrycan vastheeft en deze naar voren en achteren zwaait, terwijl er een vloeistof uitstroomt. [slachtoffer] loopt in de richting van de geopende deur met zijn hond en kijkt hierbij duidelijk naar NN3, die zich afwendt en een stukje wegloopt bij de caravan. Ondertussen is NN4 uit beeld verdwenen. Verbalisant ziet bij NN1 voor zijn lichaam ter hoogte van zijn handen iets oplichten met een rode gloed. [slachtoffer] staat direct achter NN1 op het moment dat NN1 een voorwerp dat lijkt op een brandend stuk vuurwerk in de caravan gooit. Het volgende moment licht het gehele beeld op en hoort verbalisant iemand vloeken en een hond piepen.
[getuige] heeft verklaard dat zij zag dat de man met zijn hond naar de jongens liep en met hen praatte.
Verdachte (hierna ook: [verdachte] ) heeft verklaard dat hij ’s middags van [medeverdachte 1] hoorde dat zij een caravan in brand zouden gaan steken. [medeverdachte 2] was degene die de auto reed. [verdachte] was die avond bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Ze vroegen hem of hij de brand wilde filmen. [verdachte] stond rechts van de caravan bij die man (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ). Hij ging filmen toen die jongen het vuurwerk aandeed en in de caravan gooide.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij heeft meegeholpen met de caravan. Hij wist niet ver van tevoren dat die in de fik zou gaan. Hij heeft er benzine overheen gegooid. [medeverdachte 3] is de persoon die in het filmpje met een jerrycan een vloeistof in en op de caravan gooit.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij erbij was. Hij wist van tevoren al dat de caravan in de fik zou worden gezet. Hij is samen met [medeverdachte 3] en [verdachte] vertrokken vanaf zijn huis. Hij heeft de caravan van de auto afgekoppeld.
In zijn aangifte heeft [slachtoffer] verklaard dat hij zag dat een jongen uit de caravan stapte en de inhoud van een jerrycan via de geopende deur in de caravan leegde. Hij heeft toen eerst de kleinste jongen en daarna nog aan de grote jongen gevraagd wat zij gingen doen. De jongens wendden hun gezicht af en reageerden niet. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat hij zag dat deze grote jongen iets in zijn hand vasthield, dat hij dit voorwerp aanstak en vervolgens in de deuropening van de caravan gooide terwijl [slachtoffer] op een meter naast hem stond. [slachtoffer] zag dat de jongens wegrenden. Voor hij het wist was er een explosie en voelde hij een enorme hitte. Hij stond op dat moment op drie meter van de caravan met zijn hond. [slachtoffer] voelde een brandende pijn aan zijn gezicht. Zijn hond is ervan afgekomen met een wat verbrande vacht.
Uit de medische verklaring van de huisartsenpost volgt dat bij [slachtoffer] tweedegraads brandwonden zijn waargenomen op zijn neus en boven zijn linkeroog.
Namens de gemeente Zaltbommel heeft de heer [aangever] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat ten gevolge van de brand het wegdek dermate beschadigd is geraakt dat het vervangen dient te worden.
Gevaar
Uit de hiervoor genoemde camerabeelden van [getuige] en de verklaring van [slachtoffer] volgt dat [slachtoffer] op enkele meters van de caravan stond toen NN1 vuurwerk in de caravan gooide waarin kort daarvoor door [medeverdachte 3] benzine was gegooid. Uit de aangifte van [slachtoffer] en uit de verklaring van [getuige] volgt dat [slachtoffer] de jongens ook heeft aangesproken. [slachtoffer] heeft tweedegraads brandwonden opgelopen.
Omdat [slachtoffer] vlakbij de caravan aanwezig was en hij ook met verdachte en de medeverdachten in gesprek is gegaan, was hij voor hen zichtbaar aanwezig. Het was daarom voor verdachte en de medeverdachten voorzienbaar, of het had in ieder geval voorzienbaar moeten zijn, dat door op dat moment de caravan tot ontploffing te brengen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] ontstond.
Op grond van artikel 3:2a van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden dieren juridisch gezien gelijkgesteld aan zaken (goederen). Hierdoor is de hond van aangever [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank geen ‘ander’, zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is daarom van oordeel dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de hond niet kan worden bewezen.
Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van gemeen gevaar voor goederen. [slachtoffer] was ter plaatse zichtbaar met zijn hond aanwezig en de vacht van de hond van [slachtoffer] is immers verbrand. Ook het wegdek was door de brand dermate beschadigd dat dit vervangen moest worden.
Omdat het gemeen gevaar voor goederen zich dient uit te strekken tot andere goederen dan het goed waarin brand wordt gesticht, zal de rechtbank het onderdeel dat gemeen gevaar voor de caravan bestond niet bewezen verklaren.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en één of mogelijk nog meer andere jongens. Zij overweegt in dit verband als volgt.
[medeverdachte 2] heeft de caravan met zijn auto naar het kruispunt gereden waar de caravan in brand zou worden gestoken. [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn samen ook naar de betreffende kruising gegaan, terwijl zij wisten van het plan om de caravan in brand te steken. Op het kruispunt heeft [medeverdachte 1] de caravan losgekoppeld van de auto van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft benzine in de caravan gegooid. Iemand anders, NN1, heeft vervolgens vuurwerk in de caravan gegooid en [verdachte] heeft dit alles gefilmd.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, gelet op het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat [verdachte] medeschuldig is aan de brandstichting. [verdachte] heeft daarbij een andere rol gehad dan [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , omdat hij zelf niet actief bezig is geweest met het verplaatsen van de caravan of het veroorzaken van de brand. Wel was [verdachte] van begin tot eind bij de brand aanwezig en heeft hij de brandstichting gefilmd. Daarbij was hij niet een onafhankelijke verslaglegger, maar een deelnemer aan het gebeuren. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat [verdachte] die middag al hoorde van [medeverdachte 1] dat de caravan in brand zou worden gestoken en hij die avond ook met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] is opgetrokken. [verdachte] is samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar de plek van de brand gegaan, waarbij het voor hem duidelijk was dat de caravan in brand zou worden gestoken. [verdachte] heeft niets ondernomen om de brandstichting te voorkomen en hij heeft zich niet gedistantieerd, ook niet toen [slachtoffer] bij de caravan stond en de jongens aansprak.
Feiten
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
en
medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
5De strafbaarheid van de feiten
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd om rekening te houden met de impact die de zaak op verdachte heeft gehad, de kwetsbare persoon van verdachte, zijn blanco strafblad, de positieve uitkomst van de mediation en het feit dat de schade door verdachte aan de gemeente Zaltbommel is vergoed. Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring dan is de raadsvrouw van mening dat een aanvullende straf niet passend is. Zij heeft de rechtbank gevraagd artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank gevraagd om een geheel voorwaardelijke geldboete of werkstraf op te leggen.
De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij heeft gesteld dat het advies van de reclassering op dit punt beperkt gemotiveerd is en is van mening dat er door de reclassering een onjuiste inschatting is gemaakt van de persoon van verdachte.
Beoordeling
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
- het uittreksel justitiële documentatie van 3 februari 2025 (het strafblad),
- het reclasseringsrapport van 18 februari 2025 en
- de slotovereenkomst mediation van 19 februari 2025.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte heeft een blanco strafblad.
De ernst van de feiten
Verdachte was samen met anderen betrokken bij een brandstichting in een caravan op de openbare weg, waarbij een explosie is ontstaan en een man en zijn hond gewond zijn geraakt. De man heeft tweedegraads brandwonden opgelopen en de vacht van de hond was verschroeid. Dat de verwondingen relatief zijn meegevallen en dat verdachte en de anderen met wie hij daar was niet gewond zijn geraakt is een groot geluk. Het had veel erger kunnen aflopen.
In het dossier heeft de wijkagent toegelicht dat vooral in de dorpskernen van de gemeente Zaltbommel in de periode rond de jaarwisseling brandstichtingen met autobanden, autowrakken of caravans en het afsteken van illegaal vuurwerk aan de orde van de dag zijn. Dit lijkt van generatie op generatie doorgegeven te worden. Sommige inwoners ervaren dit als een traditie en onderdeel van hun cultuur. Door de brandstichtingen en explosies ontstaat grote materiële schade. Mensen zijn bang om iets te melden. De wijkagent ziet dat er veel maatschappelijke onrust is ontstaan door het incident met de caravan, wat gevoelens van angst, onrecht en verbijstering teweeg heeft gebracht. Door ook brand te stichten heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van deze zogenaamde ‘traditie’.
Bij de politie en tijdens de zitting heeft verdachte verklaard over wat er is gebeurd. Hij heeft verteld dat hij niets meer met dit soort branden te maken wil hebben en dat hij het heel erg vindt dat [slachtoffer] gewond is geraakt. Verdachte heeft ook verklaard dat hij spijt heeft van wat er is gebeurd en dat het nooit had mogen gebeuren.
De rechtbank houdt er bij het bepalen van de straf in strafverminderende zin rekening mee dat verdachte, samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , tijdens mediation in gesprek is gegaan met [slachtoffer] . Uit de slotovereenkomst komt naar voren dat dit een positief gesprek was. Daarnaast heeft verdachte tijdens de zitting verteld dat hij [slachtoffer] ook al voor het mediationtraject heeft gesproken en zijn excuses toen heeft aangeboden.
Ook heeft de rechtbank meegewogen dat de bewezenverklaarde feiten al eind 2023 zijn gepleegd, verdachte geen strafblad heeft en hij een schadevergoeding heeft betaald aan de gemeente Zaltbommel.
Verder volgt uit het rapport van de reclassering dat in de persoonlijke situatie van verdachte alleen beschermende factoren worden gezien. De reclassering schat in dat de onderlinge groepsdruk in combinatie met ‘een traditie’ op dit gebied in het dorp [plaats] de oorzaak is van het delictgedrag van verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Net als de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van één gedraging die twee strafbare feiten oplevert (eendaadse samenloop).
Dit alles maakt dat de rechtbank uitkomt op een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist. Ondanks dat een lagere werkstraf wordt opgelegd, benadrukt de rechtbank dat een brandstichting als deze zeer gevaarlijk is en een zogenaamde ‘traditie’ in stand houdt die voor veel maatschappelijke onrust zorgt. De ernst van het onder 2 bewezenverklaarde feit maakt daarom dat de rechtbank van oordeel is dat aan verdachte naast de werkstraf ook een serieuze voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een werkstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar.
Beoordeling
De benadeelde partij gemeente Zaltbommel heeft in verband met het onder 1 ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert
€ 3.022,10 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de schade door verdachte en zijn medeverdachten inmiddels is betaald.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Beoordeling
Tijdens de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij en de medeverdachten inmiddels een schadevergoeding aan de gemeente Zaltbommel hebben betaald. Hij heeft een bewijs van zijn betaling overgelegd.
De gemeente Zaltbommel was op de zitting niet aanwezig en heeft niet kunnen reageren.
Daarom kan de rechtbank niet nagaan in hoeverre de vordering van de gemeente Zaltbommel inmiddels is voldaan. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De gemeente Zaltbommel kan de vordering indien gewenst nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:
A. een taakstraf, te weten een werkstraf van 120 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
verklaart de benadeelde partij gemeente Zaltbommel niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (kinderrechter en voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. D.S.M. Bak, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 maart 2025.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024016539, gesloten op 4 april 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , p. 107-108.
Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer] , p. 18.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 44-46 en proces-verbaal aangifte gemeente Zaltbommel, p. 29-30.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 90-91.
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , p. 107.
Proces-verbaal verhoor [verdachte] , p. 139 en 140 en de verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting van 11 maart 2025.
Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 3] , p. 174 en 175.
Proces-verbaal verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 1] , p. 215 en 216.
Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , p. 17-19.
Medische verklaring GGD Gelderland Zuid, p. 28.
Proces-verbaal aangifte gemeente Zaltbommel, p. 29-30.
Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] , p. 201, het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] , p. 222 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 11 maart 2025.