Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-24
ECLI:NL:RBGEL:2025:2307
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,911 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/061779-24
Datum uitspraak : 24 maart 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman mr. E.A. Breetveld, advocaat in Den Haag.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 28 oktober 2021 tot 2 april 2024 te [plaats] , althans inNederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een stof bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtenshet vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2019 tot 2 april 2024 te [plaats] , althans in Nederland,meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/ofverwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk gevalopzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne en/of 2C-B (4-bromo-2,5-dimethoxyfenetylamine) en/of XTC(3,4-methyleendioxymethamfetamine, MDMA) en/of 4-MMC(4-methylmethcathinon), zijnde cocaïne en/of 2C-B en/of XTC en/of 4-MMC eenmiddel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezenkrachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op of omstreeks 2 april 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehadongeveer 0,92 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne en/of ongeveer 285,67 gram MDMA, in elk geval eenhoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op of omstreeks 2 april 2024 te [plaats] een of meer wapens van categorie I, onder 7°van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie enVeiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen konvormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging ofafdreiging geschikt was, namelijk- een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekendegelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk met een pistool vanhet merk Colt, model [model 1] en/of- een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekendegelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk met een pistool vanhet merk Glock, model [model 2] , voorhanden heeft gehad;
Ad informandum gevoegde strafbare feiten:
5.
Plaats: [plaats] , gemeente [gemeente]
Datum en tijd: 2 april 2024
Omschrijving feit: Voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 3° WWM, te weten twee ploertendoders;
6.
Plaats: [plaats] , gemeente [gemeente]
Datum en tijd: 2 april 2024
Omschrijving feit: Voorhanden hebben van munitie categorie II onder 3 WWM, te weten een oefenbrisant-granaat, kaliber 90mm [model 3] met oefenbuis (leeg).
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het bewijs.
Beoordeling
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van uitlezen telefoon, p. 231-232;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.
Beoordeling
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van uitlezen telefoon, p. 231-232;
- het rapport douane laboratorium, p. 226-227;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.
Beoordeling
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het verslag van binnentreden in woning, p. 99-100;
- rapporten NFIDENT, p. 216-228;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.
Beoordeling
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het verslag van binnentreden in woning, p. 99-100;
- het proces-verbaal van categorisering nabootsing vuurwapen (Colt), p. 130-132;
- het proces-verbaal van categorisering nabootsing vuurwapen (Glock), p. 138-140;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2025.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 28 oktober 2021 tot 2 april 2024 te [plaats] , althans inNederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een stof bevattende 3-MMC, zijnde 3-MMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtenshet vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2019 tot 2 april 2024 te [plaats] , althans in Nederland,meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/ofverwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk gevalopzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne en/of 2C-B (4-bromo-2,5-dimethoxyfenetylamine) en/of XTC(3,4-methyleendioxymethamfetamine, MDMA) en/of 4-MMC(4-methylmethcathinon), zijnde cocaïne en/of 2C-B en/of XTC en/of 4-MMC eenmiddel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezenkrachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
3.hij op of omstreeks 2 april 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehadongeveer 0,92 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne en/of ongeveer 285,67 gram MDMA, in elk geval eenhoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
4.hij op of omstreeks 2 april 2024 te [plaats] een of meer wapens van categorie I, onder 7°van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie enVeiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen konvormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging ofafdreiging geschikt was, namelijk- een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekendegelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk met een pistool vanhet merk Colt, model [model 1] en/of- een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekendegelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, namelijk met een pistool vanhet merk Glock, model [model 2] , voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
De militaire kamer is van oordeel dat met betrekking tot feit 2 en feit 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
Het bewezenverklaarde levert daarmee op:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
eendaadse samenloop van
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
feit 4:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
5De strafbaarheid van de feiten
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde en rekening houdend met de ad informandum gevoegde feiten, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een geldboete van € 950,-- op zijn plaats zijn.
Beoordeling
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een zeer lange periode schuldig gemaakt aan handel in verdovende middelen, waarbij hij een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van het criminele circuit in ons land. Ook zijn er op de dag van zijn aanhouding aanzienlijke hoeveelheden drugs in zijn woning aangetroffen. Feiten als deze brengen onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Door dergelijke delicten wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Drugs leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Bij het plegen van deze strafbare feiten heeft verdachte kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen geldelijk gewin en zich geen enkele rekenschap gegeven van de negatieve effecten daarvan. De militaire kamer acht het bijzonder kwalijk dat verdachte ten tijde van het plegen van voornoemde feiten als militair werkzaam was. De lange duur en de omvang van de handel passen naar het oordeel van de militaire kamer geheel niet bij een situatie waarin vrienden onder elkaar zich hiermee inlaten, zoals door de verdachte is verklaard. Waarbij tevens wordt opgemerkt dat ook in zo’n situatie sprake is van strafbare handel in drugs. Dat de verdachte ter terechtzitting meermaals heeft verklaard te zijn geschrokken van de omvang van zijn handel, doet daar niets aan af.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet Wapens en Munitie. Er zijn open en bloot voorwerpen aangetroffen die zodanig op een wapen geleken dat deze voor bedreiging en afdreiging geschikt waren. Het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en is daarom strafbaar gesteld. Het bezit van zulke voorwerpen, helemaal in combinatie met het handelen in verdovende middelen, kan er immers toe leiden dat deze op enig moment, al dan niet door middel van afdreiging, gebruikt worden tegen personen. Verdachte was zich bewust van het gevaar van wapens en had als militair een voorbeeldfunctie.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 30 januari 2025 blijkt dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie wegens soortgelijke feiten.
Reclassering Nederland heeft op 5 maart 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Hieruit blijkt dat de reclassering het zorgelijk vindt dat er sprake is van een lange pleegperiode. Verdachte is door het plegen van deze feiten zijn baan bij Defensie kwijtgeraakt. Maar hij is gemotiveerd om een nieuwe baan te vinden en hij beschikt over voldoende vaardigheden om stabiliteit te creëren ten aanzien van zijn dagbesteding en financiën. De reclassering acht zijn middelengebruik en sociaal netwerk direct delict gerelateerd. Verdachte geeft aan initieel drugs te zijn gaan kopen en een voorraad aan te hebben gehouden om zijn vrienden van drugs te kunnen voorzien. Zijn financiën en houding zijn mogelijk delict gerelateerd. Verdachte geeft aan dat hij drugs is gaan verkopen om zijn eigen gebruik te bekostigen en dat deze handel veel groter en omvangrijker is geworden dan hij wilde en had voorzien. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering ziet dan ook geen noodzaak tot interventies of toezicht. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Conclusie
De militaire kamer is van oordeel dat de feiten niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden afgedaan. Alles afwegende acht de militaire kamer een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, passend en geboden. Dit is lager dan de officier van justitie heeft geëist nu de militaire kamer heeft laten meewegen, dat verdachte initieel niet de bedoeling had om op deze schaal in drugs te gaan handelen. De militaire kamer ziet ook aanwijzingen in het dossier dat de handel van verdachte niet zonder meer vergelijkbaar is met die in andere strafzaken over drugshandel, bijvoorbeeld in georganiseerd verband. Verdachte heeft bovendien meteen, ook tijdens de terechtzitting, openheid gegeven van zaken en heeft een schuldbewuste houding.
De militaire kamer heeft bij de strafoplegging verder rekening gehouden met de twee ad informandum gevoegde feiten, die door verdachte zijn bekend. Daarmee zijn deze feiten afgedaan.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De militaire kamer zal het geldbedrag, ter hoogte van € 6.055,- dat aan verdachte toebehoort en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van feit nummer 1 en 2 is verkregen verbeurd verklaren. De militaire kamer acht het niet aannemelijk dat het geld betreft dat is verkregen op zijn bruiloft.
8De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet;
- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Dictum
De militaire kamer:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
verklaart verbeurd het geldbedrag ter hoogte van in totaal € 6.055,--, te weten:
€ 650,-,
€ 360,-,
€ 380,-,
€ 15,-,
€ 200,-,
€ 2050,-,
€ 1000,-,
€ 480,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. S.P.H. Brinkman (rechters) en Kapitein-ter-zee (LD) mr. J.L. Wesstra, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers en mr. T.H. Boshuizen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2025.
Mr. S.P.H. Brinkman en mr. M.M. Aalbers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Recherche, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek 27Bannaby, gesloten op 13 december 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.