Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-26
ECLI:NL:RBGEL:2025:2246
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,166 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11351362 \ CV EXPL 24-2899
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 oktober 2024
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan diens auto verricht. Partijen zijn hiervoor een prijs van
€ 5.120,00 overeengekomen.
2.2.
[eiseres] heeft de werkzaamheden eind oktober 2023 afgerond. [gedaagde] heeft de auto op 28 november 2023 opgehaald.
2.3.
Partijen zijn met betrekking tot voldoening van de factuur een betalingsregeling overeengekomen van drie termijnen van € 1.700,00 en één termijn van € 20,00. [gedaagde] heeft op 30 november 2023 een bedrag van € 1.720,00 aan [eiseres] voldaan.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.991,90, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft werkzaamheden, bestaande uit het strak maken, schuren en spuiten van de auto van [gedaagde] , verricht. Ondanks aanmaningen is [gedaagde] in gebreke gebleven met tijdige betaling van het restant van de overeengekomen prijs. Het betreft een bedrag van
€ 3.400,00. [eiseres] vordert daarom betaling van dit bedrag, alsmede de wettelijke rente berekend tot 4 september 2024 op € 126,89. [eiseres] heeft haar vordering uit handen moeten geven en heeft buitengerechtelijke incassokosten gemaakt van € 465,00. [gedaagde] dient ook deze kosten te vergoeden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De tussen partijen gesloten overeenkomst is te kwalificeren als aanneming van werk. Dit betekent dat de bepalingen van titel 12 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op de overeenkomst van toepassing zijn.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] de werkzaamheden eind oktober 2023 heeft afgerond en dat [gedaagde] de auto vervolgens op 28 november 2023 heeft opgehaald. Het door [gedaagde] (zonder op- of aanmerkingen) meenemen van de auto is aan te merken als een aanvaarding, waarna het werk als opgeleverd wordt beschouwd. Bevestiging hiervan volgt ook nog uit de deelbetaling van 30 november 2023.
4.3.
Het werk aan de auto was dus aanvaard (artikel 7:758 lid 1 BW). De vervolgvraag is of [eiseres] alsnog aansprakelijk kan worden gehouden voor een gebrek in het werk.
Artikel 7:758 lid 3 BW bepaalt dat de aannemer, in dit geval [eiseres] , is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever, [gedaagde] , op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Door [gedaagde] is gesteld dat [eiseres] prutswerk heeft geleverd. Zo zou de auto na de door [eiseres] verrichtte werkzaamheden een zogenaamde sinaasappelhuid hebben en zijn delen van de auto onterecht niet gespoten, aldus [gedaagde] . Deze gebreken – als daarvan al sprake is; dit wordt door [eiseres] betwist en kan voor de beoordeling van het geschil in het midden blijven – had [gedaagde] ten tijde van de oplevering van de auto redelijkerwijs moeten ontdekken. Dit is immers op eenvoudige wijze vast te stellen. Daar komt nog bij dat dit niet de eerste auto was die [gedaagde] voor vergelijkbare werkzaamheden naar [eiseres] heeft gebracht, zodat hij wist wat hij mocht verwachten.
[eiseres] is dus ontslagen van de aansprakelijkheid voor de gebreken. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel is gehouden de vordering van [eiseres] te voldoen.
4.4.
[gedaagde] heeft verder een beroep op opschorting gedaan.
Opschorting van een betaling is, kort gezegd, een mogelijkheid om de eigen verplichtingen even uit te stellen totdat de wederpartij iets heeft gedaan wat van hem verlangd mag worden. Kennelijk was het de bedoeling van [gedaagde] dat [eiseres] onder de druk van de opschorting over zou gaan tot herstel van de door [gedaagde] gestelde gebreken.
Voor toepassing van het opschortingsrecht is conform artikel 6:262 jo 6:52 BW vereist dat [gedaagde] een opeisbare vordering heeft op [eiseres] . Gelet op rechtsoverweging 4.3. staat vast dat [gedaagde] geen opeisbare tegenvordering heeft. Aan [gedaagde] komt daarom geen beroep op opschorting toe.
4.5.
De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn door [gedaagde] niet afzonderlijk en gemotiveerd betwist, zodat deze als op de wet gegrond zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente vanaf 4 september 2024 zal worden toegewezen over een bedrag van € 3.400,00, omdat voor toewijzing van rente over een hoger bedrag geen grondslag is gesteld of gebleken.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiseres] in hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.991,89 (hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten).
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.286,54
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.526,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 3.400,00, met ingang van 4 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 465,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.286,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.(CS)