Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-03-21
ECLI:NL:RBGEL:2025:2207
Civiel recht
Tussenbeschikking
4,614 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11486942 \ HA VERZ 25-3 \ 53854 \ 48073
Tussenbeschikking van 21 maart 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R. van der Mark,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DENKAVIT NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Voorthuizen,
verwerende partij,
verzoekende partij in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek,
hierna te noemen: Denkavit,
gemachtigde: mr. R. van der Stap.
Procesverloop
1.1.
[verzoeker] heeft een verzoekschrift vernietiging ex artikel 7:681 BW ingediend, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 223 Rv, tevens verzoek tot toekenning onregelmatige opzegvergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding met producties 1 tot en met 11, dat op 2 januari 2025 door de griffie van de rechtbank is ontvangen.
1.2.
Denkavit heeft op 28 januari 2025 een verweerschrift ingediend, tevens houdende een voorwaardelijk verzoek ex artikel 7:671b lid 1 BW tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met producties 1 tot en met 7. Op 11 februari 2025 heeft Denkavit aanvullende producties 8 en 9 ingediend.
1.3.
[verzoeker] heeft op 10 februari 2025 een verweerschrift ingediend tegen het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Denkavit.
1.4.
De mondelinge behandeling heeft op 14 februari 2025 plaatsgevonden.
Hierbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door mr. R. van der Mark en mr. A.J. Verweij.
Namens Denkavit waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig, bijgestaan door
mr. R. van der Stap.
1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun verzoeken toegelicht, spreekaantekeningen voorgedragen en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.6.
Ten slotte is de datum van beschikking op heden bepaald.
Feiten
2.1.
Op 1 december 2023 is [verzoeker] voor gemiddeld 38 uur per week bij Denkavit in dienst getreden in de functie van productiemedewerker, en in het bijzonder operator, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Graanbe- en verwerkende bedrijven (hierna: de cao) van toepassing.
2.3.
Per 1 maart 2024 is de arbeidsomvang van [verzoeker] , op zijn verzoek, gewijzigd naar
30 uur per week en sindsdien bekleedt hij de functie van medewerker expeditie en in het bijzonder heftruckchauffeur.
2.4.
Op 21 augustus 2024 stuurt [verzoeker] aan een manager van Denkavit via WhatsApp het volgende bericht:
“Hé [naam 3] goedenavond ik zag in mijn administratie dat mijn contract ook bijna afloopt zou jij er even naar willen kijken en eventueel ook een doorkijkje voor de toekomst willen geven bedankt alvast gr [verzoeker] ”
2.5.
Op enig moment tussen 21 augustus 2024 en 16 oktober 2024 vindt tussen [verzoeker] en zijn leidinggevende de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een gesprek plaats (hierna: het gesprek). Tijdens het gesprek is gesproken over de verlenging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] .
2.6.
Op 16 oktober 2024 stuurt [verzoeker] aan [naam 2] het volgende WhatsApp-bericht:
“Goedemiddag [naam 2] even een vraag over mijn contract wordt dat opgestuurd of moet ik daar keer voor langskomen op kantoor? Groeten [verzoeker]
[naam 2] reageert daarop als volgt:
“Krijg je opgestuurd!”
2.7.
Denkavit heeft in haar brief van 28 oktober 2024 aan [verzoeker] geschreven:
“(…)
De tussen u en onze vennootschap afgesloten arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd eindigt van rechtswege per 30 november 2024.
Volgens het door de Wet Werk en Zekerheid gewijzigde artikel 7:668 BW informeert de werkgever de werknemer schriftelijk, uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst resp. over de voorwaarden waaronder hij (de werkgever) de arbeidsovereenkomst wil voortzetten.
Aan deze verplichting wordt bij deze voldaan: de arbeidsovereenkomst wordt, wederom voor een bepaalde tijd, voortgezet gedurende een periode van 1 jaar t/m 30-11-2025, onder handhaving van de bestaande voorwaarden.
(…)
2.8.
In een brief van 21 november 2024 heeft Denkavit aan [verzoeker] geschreven:
(…)
Onder verwijzing naar onze brief dd. 28-10-2024 delen wij u het volgende mede:
Wegens de afloop per 30-11-2024 van de tussen u en onze vennootschap afgesloten
arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd, hebben wij u in onze voormelde brief
dd. 28-10-2024 medegedeeld, dat wij de arbeidsovereenkomst wilden voortzetten voor wederom een periode van 1 jaar, nl. t/m 30-11-2025.
Aan de hand van een nadere analyse van de bezetting van onze productieafdelingen
komen wij echter tot de conclusie, dat wij op grond van uw beperkte inzetbaarheid
alsnog afzien van de voortzetting van uw arbeidsovereenkomst na 30-11-2024.
Deze wijziging van ons standpunt is in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, maar leidt wel tot de toekenning, aan u, van een (pro rata) aanzegvergoeding in de zin van art. 7:668 lid 3 BW (vgl. JAR 2016/121).
Dit betekent, dat de arbeidsovereenkomst definitief eindigt per 30-11-2024.
Als gevolg van deze wijziging van de situatie heeft u recht op 21/30 x uw bruto maandsalaris wegens de vertraagde aanzegging (art. 7:668 lid 3 BW), alsmede op 1/3 x uw bruto maandsalaris inclusief vaste additionele looncomponenten als transitievergoeding (art. 7:673 BW). In totaal bedragen deze vergoedingen dan [21/30 x (€ 2.405,93 + € 360,89)] + 1/3 x [(13,96 / 12 x € 2.405,93) + € 360,89] = € 2.990,03
Deze vergoedingen worden u in december 2024 uitbetaald.
(…)
3De verzoeken en het verweer
3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] zijn primaire verzoeken ingetrokken, zodat slechts de subsidiaire verzoeken resteren. Die verzoeken houden allen verband met de berusting van [verzoeker] in de – volgens hem door Denkavit gedane – opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. [verzoeker] verzoekt nu na vermindering van zijn verzoeken om, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Denkavit te veroordelen om binnen vijf dagen na het wijzen van deze beschikking een bedrag van € 359,03 bruto aan onregelmatige opzegvergoeding aan [verzoeker] te betalen;
II. Denkavit te veroordelen om binnen vijf dagen na het wijzen van deze beschikking een bedrag van € 790,57 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen;
III. Denkavit te veroordelen om binnen vijf dagen na het wijzen van deze beschikking een billijke vergoeding van € 28.871.16 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 15% ploegentoeslag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan [verzoeker] te betalen;
IV. Denkavit te veroordelen om binnen vijf dagen na het wijzen van deze beschikking de ATV-uren met een waarde van € 2.221,20 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, aan [verzoeker] te betalen;
V. Denkavit te veroordelen om binnen vijf dagen na het wijzen van deze beschikking over te gaan tot het verstrekken van bruto/netto specificaties omtrent de
niet-genoten vakantieuren, alsmede uitbetaling hiervan op straffe van een dwangsom, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
VI. Denkavit te veroordelen om binnen vijf dagen na het wijzen van deze beschikking de wettelijke rente over de verzoeken onder I tot en met V te betalen;
VII. Denkavit te veroordelen om binnen vijf dagen na het wijzen van deze beschikking schriftelijke en deugdelijk bruto/netto specificaties aan [verzoeker] te verstrekken waarin de bedragen en betalingen van sub I tot en met VI zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag dat Denkavit hiermee in gebreke blijft, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag met een maximum van € 10.000,00;
VIII. Denkavit te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na dagtekening van deze beschikking.
3.2.
Denkavit heeft zich verweerd tegen de verzoeken van [verzoeker] en heeft een zelfstandig (voorwaardelijk) tegenverzoek ingediend waarin – voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 1 december 2024 is voortgezet – wordt verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Beoordeling
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die is aangegaan van 1 december 2023 tot en met 30 november 2024 is verlengd of dat deze is geëindigd. [verzoeker] voert aan dat tussen partijen een opvolgende arbeidsovereenkomst is overeengekomen met een looptijd van 1 december 2024 tot en met 30 november 2025. Denkavit bestrijdt dit.
Voor het geval de kantonrechter tot het oordeel komt dat de arbeidsovereenkomst is verlengd, is tussen partijen verder in geschil of die arbeidsovereenkomst alsnog is geëindigd door een opzegging van die arbeidsovereenkomst door Denkavit. [verzoeker] voert namelijk aan dat de brief van 21 november 2024 (zie randnummer 2.8) een opzegging is van de reeds verlengde arbeidsovereenkomst die zou ingaan per 1 december 2024, terwijl Denkavit aanvoert dat die brief slechts een aanzegging is van het einde van de eerste overeenkomst.
Ten slotte moet worden beoordeeld of [verzoeker] recht heeft op onder meer een vergoeding voor onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en/of een billijke vergoeding en of wordt toegekomen aan het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Denkavit.
Is de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd verlengd?
4.2.
[verzoeker] voert aan dat [naam 2] tijdens het gesprek heeft voorgesteld de arbeidsovereenkomst te verlengen. [verzoeker] was hiermee akkoord, waarna Denkavit de brief van 28 oktober 2024 heeft gestuurd en hierin de verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft bevestigd. De arbeidsovereenkomst is volgens hem dan ook verlengd tot en met
30 november 2025. Denkavit voert als verweer aan dat tijdens het gesprek geen toezegging is gedaan om de arbeidsovereenkomst te verlengen en dat zij met haar brief van 28 oktober 2024 slechts aan haar wettelijke aanzegverplichting wilde voldoen. Hiermee is de voortzetting van de arbeidsovereenkomst nog geen feit, omdat het aanbod nog geaccepteerd moest worden door [verzoeker] . Tot het moment dat de werknemer het aanbod heeft aanvaard, kan het aanbod nog herroepen worden door de werkgever. In dit geval heeft Denkavit geen termijn voor aanvaarding gegeven, noch was sprake van een onherroepelijk aanbod. Denkavit mocht haar aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst dan ook intrekken op 21 november 2024, zodat de arbeidsovereenkomst van rechtswege per 1 december 2024 is geëindigd.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat Denkavit met haar brief van 28 oktober 2024 een onherroepelijk aanbod heeft gedaan voor een nieuwe arbeidsovereenkomst met een looptijd van 1 december 2024 tot en met 30 november 2025. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.
4.4.
Hoewel [verzoeker] in eerste instantie het standpunt heeft ingenomen dat [naam 2] in het gesprek reeds heeft aangeboden de arbeidsovereenkomst te verlengen, heeft hij niet betwist dat het hem duidelijk moet zijn geweest dat [naam 2] niet bevoegd was om een dergelijk aanbod te doen. Ter zitting is ook door [verzoeker] bevestigd dat het gesprek voor [naam 2] slechts bedoeld was om te inventariseren hoe [verzoeker] functioneerde en dat hij daarna nog naar de directie moest om de verlenging te bespreken. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat tijdens het gesprek geen mondeling aanbod is gedaan dat daarna door [verzoeker] is geaccepteerd en waarvan de brief van 28 oktober 2024 de bevestiging is. Tegelijkertijd is door Denkavit niet weersproken dat [verzoeker] tijdens het gesprek heeft aangegeven dat hij een verlenging met beide handen zou aangrijpen. Die mededeling van [verzoeker] ligt ook in lijn met de WhatsApp-berichten die [verzoeker] heeft gestuurd op 21 augustus 2024 en 16 oktober 2024, omdat daaruit duidelijk blijkt dat hij wil weten waar hij aan toe is voor wat betreft de verlenging en status van zijn arbeidsovereenkomst. Na het gesprek heeft Denkavit op 28 oktober 2024 aan [verzoeker] de brief gestuurd die is geciteerd in randnummer 2.7. Denkavit voert echter aan dat die brief slechts de invulling is van de aanzegverplichting waarop zij volgens haar altijd kan terugkomen. De kantonrechter is van oordeel dat het Denkavit niet meer vrij stond om terug te komen op haar aanbod, omdat dat de brief van 28 oktober 2024 een onherroepelijk aanbod was zoals bedoeld in artikel 6:219 lid 1 BW. Uit de WhatsApp-berichten van [verzoeker] blijkt dat hij graag wilde weten waar hij aan toe was en Denkavit heeft niet betwist dat [verzoeker] tijdens het gesprek met [naam 2] heeft gezegd dat hij een nieuwe arbeidsovereenkomst met beide handen zou aangrijpen en dat hem was gezegd dat het nieuwe contract zou worden opgestuurd. Vervolgens krijgt [verzoeker] de brief van 28 oktober 2024 waarin onomwonden wordt aangegeven dat de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet, voor welke duur en onder handhaving van de bestaande voorwaarden zonder dat [verzoeker] wordt gevraagd om een reactie. Gelet op al deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Denkavit – gelet op de reeds uitgesproken wens van [verzoeker] om de arbeidsovereenkomst te aanvaarden – beoogde om hem een onherroepelijk aanbod te doen tot verlenging van de arbeidsovereenkomst en hoefde [verzoeker] dat dus niet nog apart te aanvaarden. Denkavit kan zich daarom niet erop beroepen dat zij eigenlijk geen onherroepelijk aanbod wilde doen.
4.5.
Naar aanleiding van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] na 30 november 2024 is verlengd voor de duur van een jaar.
Is de nieuwe arbeidsovereenkomst opgezegd door Denkavit?
4.6.
[verzoeker] heeft het standpunt ingenomen dat de brief van 21 november 2024 waarin Denkavit aangeeft dat de arbeidsovereenkomst alsnog eindigt op 30 november 2024 moet worden aangemerkt als opzegging van de arbeidsovereenkomst. Denkavit heeft zich hiertegen verweerd door aan te voeren dat zij nooit een opzegging heeft beoogd, maar slechts een aanzegging.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de brief van 21 november 2024 (zie randnummer 2.8) niet kan worden aangemerkt als opzegging. Hoewel de Hoge Raad in het Constar-arrest (HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905) heeft overwogen dat een onterechte aanzegging onder omstandigheden als een opzegging kan worden beschouwd, is de kantonrechter van oordeel dat dit arrest niet zo ruim moet worden uitgelegd dat iedere aanzegging van een naderend einde van de arbeidsovereenkomst als een opzegging moet worden beschouwd. De enkele omstandigheid dat Denkavit alsnog de wil heeft geuit de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te beëindigen, is naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden onvoldoende om aan te nemen dat [verzoeker] de aanzegging als opzegging had mogen opvatten. In de brief van 21 november 2024 wordt (zelfs onder verwijzing naar relevante jurisprudentie) duidelijk verwezen naar artikel 7:668 BW en wordt ook aangekondigd dat aan [verzoeker] een pro rato aanzegvergoeding zal worden betaald ter hoogte van 21/30e van zijn bruto maandsalaris “…wegens de vertraagde aanzegging (art. 7:668 lid 3 BW)…”. De brief is naar het oordeel van de kantonrechter dus geen opzegging, maar slechts een uiting van de misvatting aan de kant van Denkavit dat zij nog steeds in een positie verkeerde om de eerste arbeidsovereenkomst van rechtswege te laten eindigen.
4.8.
Samengevat is de kantonrechter dus van oordeel dat geen sprake is geweest van een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Gelet daarop komen geen van de verzoeken van [verzoeker] voor toewijzing in aanmerking, omdat deze allemaal zijn gebaseerd op een berusting in een opzegging van Denkavit.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
5.2
wijst de verzoeken van Denkavit af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2025.