Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-08
ECLI:NL:RBGEL:2025:22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,050 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11272692 \ CV EXPL 24-6769
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] ,
beiden wonend te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers]
hierna afzonderlijk te noemen: [eiser sub 1] en [eiser sub 2]
gemachtigde: mr. S.S. van Gijn,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
hierna te noemen: [gedaagde]
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 28 augustus 2024 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de niet verschenen [gedaagde] verstek is verleend.
1.3.
[eisers] heeft bij dagvaarding naast [gedaagde] ook [bedrijf 1] , in hoedanigheid van bewindvoerder van het beschermingsbewind van (i) [naam 1] en (ii) [naam 2] gedagvaard (hierna: de bewindvoerder). De bewindvoerder is in de procedure verschenen. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2024. [eisers] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook de bewindvoerder is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 3] . De bewindvoerder is bijgestaan door haar gemachtigde, [naam 4] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisers] de ingestelde vorderingen tegen de bewindvoerder ingetrokken. Ook de door de bewindvoerder ingestelde tegenvordering is ingetrokken.
1.4.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag een verstekvonnis wordt gewezen tegen [gedaagde] . Aangezien [eiser sub 2] geen vordering heeft ingesteld tegen [gedaagde] , zal de Kantonrechter haar niet ontvankelijk verklaren en enkel de door [eiser sub 1] tegen [gedaagde] ingestelde vordering beoordelen.
Geschil
2.1.
[eiser sub 1] vordert - samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 4.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling. Verder vordert [eiser sub 1] nog de buitengerechtelijke incassokosten van € 635,25 en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2.
[eiser sub 1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen mondeling een overeenkomst van geldlening hebben gesloten op grond waarvan [eiser sub 1] in totaal een bedrag van € 4.000,00 heeft uitgeleend aan [gedaagde] , bestaande uit een bedrag van € 1.200,00 op 22 augustus 2022, een bedrag van € 2.600,00 op 12 september 2022 en een bedrag van € 200,00 op 4 november 2022. Partijen zijn verder overeengekomen dat [gedaagde] de bedragen voor 15 oktober 2022 zou terugbetalen. Aangezien [gedaagde] de regeling niet is nagekomen, heeft [eiser sub 1] op 18 oktober 2023 een aangetekende brief met ingebrekestelling verstuurd en het openstaande saldo opgeëist. [gedaagde] is ondanks die sommatie niet overgegaan tot betaling, en daarom moet zij naast de hoofdsom ook de wettelijk rente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen, aldus [eiser sub 1] .
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter zal het gevorderde jegens [gedaagde] op de hierna vermelde wijze toewijzen, omdat het gevorderde niet onrechtmatig of ongegrond is (artikel 139 Rv), met inachtneming van het navolgende.
3.2.
Ter zitting heeft de kantonrechter aan [eiser sub 1] voorgehouden dat uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het bedrag van € 2.600,00 is overgemaakt naar een rekeningnummer dat op naam staat van [naam 5] . Het betreft aldus geen overboeking aan [gedaagde] . Ter zitting is door [eiser sub 1] toegelicht dat [naam 6] de echtgenoot is van [gedaagde] en dat zij heeft verzocht om dit bedrag op naam van haar echtgenoot over te maken. Gelet op die toelichting is de kantonrechter van oordeel dat de vordering in het geheel niet onrechtmatig of ongegrond is, zodat het gevorderde bedrag van € 4.000,00 met inbegrip van de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 augustus 2024 zal worden toegewezen.
3.3.
[eiser sub 1] vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daartoe is op 29 september 2023 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Aangezien [eiser sub 1] geen ondernemer is, wordt de vergoeding conform de vordering verhoogd met btw. De kantonrechter zal het bedrag van € 635,25 aan incassokosten dan ook toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 12 augustus 2024 zal tevens worden toegewezen.
3.4.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] wordt begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,49
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
271,00
(1 punt × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
774,49
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 4.635,25 aan hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 12 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 774,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.
31608/51588