Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-02-21
ECLI:NL:RBGEL:2025:1377
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,882 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/313465-24
Datum uitspraak : 21 februari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de [verblijfplaats] .
raadsvrouw: mr. J.E. Kremer, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , gemeente Heumen, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (machinegeweer), van het merk Zavasta, model/type M70, kaliber 7.62x39mm zijnde een vuurwapen geschikt om (semi-)automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , gemeente Heumen, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13, kogelpatronen van het kaliber 7,62x39mm voorhanden heeft gehad.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.
Feiten
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal Onderzoek wapen, p. 24-25;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 februari 2025.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , gemeente Heumen, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (machinegeweer), van het merk Zavasta, model/type M70, kaliber 7.62x39mm zijnde een vuurwapen geschikt om (semi-)automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , gemeente Heumen, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13, kogelpatronen van het kaliber 7,62x39mm voorhanden heeft gehad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
5De strafbaarheid van de feiten
Feiten
6De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie vordert dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering in de rapporten van 12 december 2024 en 20 januari 2025.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte alle hulp zal accepteren tijdens een driejarige proeftijd.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte is in de nacht van 1 oktober 2024 samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) naar een woning in [plaats 2] gereden. In de auto lagen een automatisch vuurwapen en kogelpatronen. Verdachte had opdracht gekregen om twee keer op de woning te schieten om vervolgens weer weg te gaan. Hij zou hier € 2.000,- voor ontvangen. Verdachte heeft bij de woning het wapen uit de kofferbak gehaald, maar wist hier niet mee om te gaan. Toen verdachte en [medeverdachte] zagen dat de woning was voorzien van beveiligingscamera’s, besloten zij toch terug te gaan. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert een ernstige aantasting van de maatschappelijke veiligheid op. Daarnaast brengt het een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. De bewoners van de woning in [plaats 2] waren thuis toen verdachte en [medeverdachte] met het automatische wapen voor de poort verschenen. Mede door nieuwsberichten over beschietingen en explosies moet dit geleid hebben tot angst en gevoelens van onveiligheid. De rechtbank neemt verdachte dit alles kwalijk.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
De rechtbank houdt verder rekening met de rapportages van de reclassering van 12 december 2024 en 20 januari 2025. In gesprek met de reclassering maakt verdachte een wat gelaten, bedeesd aandoende indruk, maar er worden geen aanwijzingen gezien voor enige persoonlijkheids- of psychiatrische problematiek of pro criminele houding. Delictgedrag in het verleden wordt door verdachte verklaard door zijn toenmalige vriendenkring waarvan een negatieve invloed uitging en zijn onvermogen om “nee” te zeggen. In Nederland heeft verdachte zich op positieve wijze ingezet voor een toekomst buiten de criminaliteit. Hij ging naar school en heeft het voornemen om in de toekomst als timmerman aan de slag te gaan. Verdachte wil graag een goede vader voor zijn dochtertje zijn. Het huidige feit wordt door verdachte verklaard uit het feit dat hij nog steeds moeite heeft met “nee” zeggen, naast een financiële motivatie. Achteraf kan verdachte inzien dat dit erg dom van hem is geweest en geeft hij aan dat hij ook ten tijde van het delict erg twijfelde en bang was voor wat hij zou moeten gaan doen. Voor de toekomst wordt van belang geacht dat verdachte leert om te gaan met sociale druk, leert “nee” te zeggen vóórdat het komt tot enig crimineel handelen en te blijven vasthouden aan positieve keuzes in het leven. Ingeschat wordt dat het voornemen van verdachte om in de toekomst uit de problemen te blijven serieus is en hij dit met het aanleren van genoemde vaardigheden zal kunnen weten waar te maken. Uit de SCIL (screener voor intelligentie en licht verstandelijke beperking) blijkt dat er vermoedelijk geen sprake is van een licht verstandelijke beperking (LVB). Toch is met verdachte besproken dat, indien er toch meer onderzoek nodig blijkt te zijn, er verdiepingsdiagnostiek ingezet kan worden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert in geval van een veroordeling oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA-plus), volgen van een opleiding en meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en eventueel ambulante behandeling (indien nodig).
De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechters hanteren. De ernst van de feiten, bezien in het licht van de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, rechtvaardigt een gevangenisstraf van minstens 15 maanden. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in combinatie met de omstandigheid dat hij openheid van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd, aanleiding om een lagere straf op te leggen, waarvan ook nog een gedeelte voorwaardelijk. Dit als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en om daaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te koppelen. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie passend en geboden. Een lagere straf, zoals bepleit door de verdediging, zou onvoldoende recht doen aan de ernst van de strafbare feiten.
Alles overziend, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank zal naast de algemene voorwaarden bijzondere voorwaarden opleggen in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA-plus), volgen van een opleiding en meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en eventueel ambulante behandeling (indien nodig).
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Rotterdam op het adres Triatlonstraat 3;
verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie COVA-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
verdachte een opleiding volgt bij het Zadkine Startcollege of bij een soortgelijke instelling en zijn opleiding hierna vervolgt in een door hem gekozen richting (bijvoorbeeld timmerman);
verdachte werkt mee aan verdiepingsdiagnostiek en eventuele ambulante behandeling, indien de reclassering dit nodig acht.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bril (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. W.H.S. Duinkerke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2025.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024460158, gesloten op 19 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.