Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-02-14
ECLI:NL:RBGEL:2025:1290
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,229 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:1290 text/xml public 2026-03-30T14:38:38 2025-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-02-14 245132-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zutphen Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:1290 text/html public 2025-02-17T15:48:25 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:1290 Rechtbank Gelderland , 14-02-2025 / 245132-23 Verkeersongeval A12 Ede. Vrijspraak dood door schuld artikel 6 WVW. Causaliteit. De rechtbank is van oordeel dat het onder de omstandigheden niet redelijk is de dood van de slachtoffers aan de verwijtbare gedragingen van verdachte toe te rekenen. Veroordeling voor artikel 5 WVW tot een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/245132-23 Datum uitspraak : 14 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] . Raadsman: mr. M.J. van den Hoonaard, advocaat in Apeldoorn. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 13 februari 2023, in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A12, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij (over)vermoeid was en/of (deels) in slaap was gevallen, rijdend over een recht rijbaandeel van de meest rechter rijstrook van voornoemde Rijksweg A12 en/of (vervolgens) gekomen nabij hectometer aanduiding 111.8 zijn motorrijtuig naar links te sturen en/of te (laten) rijden en/of (daarbij) diagonaal twee links naastgelegen rijbanen te overrijden en/of (vervolgens) op/tegen een in de linker berm staande middengeleider te rijden en/of te botsen en/of (daarbij) zijn motorrijtuig (deels) op de meest linker rijbaan tot stilstand te brengen, terwijl één of meer medeweggebruikers zijn, verdachtes, motorrijtuig al zeer dicht waren genaderd, waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) werd(en) gedood; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 13 februari 2023, in de gemeente Ede, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over een recht rijbaandeel van de meest rechter rijstrook van de Rijksweg A12 en/of (vervolgens) gekomen nabij hectometer aanduiding 111.8 zijn voertuig naar links heeft gestuurd en/of heeft (laten) rijden en/of (daarbij) diagonaal twee links naastgelegen rijbanen heeft overreden en/of (vervolgens) op/tegen een in de linker berm staande middengeleider is gereden en/of gebotst en/of (daarbij) zijn voertuig (deels) op de meest linker rijbaan tot stilstand heeft gebracht, terwijl één of meer medeweggebruikers zijn, verdachtes, voertuig al zeer dicht waren genaderd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 13 februari 2023 heeft in de gemeente Ede, op de meest linker rijbaan van de A12 richting Arnhem, ter hoogte van hectometerpaal 111.8, een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de bestuurder van een bedrijfsbusje van het merk Toyota, genaamd [bestuurder van de Toyota] , achterop een door de verdachte bestuurde personenauto van het merk Hyuandai is gereden. De twee andere inzittenden van de Hyuandai, [slachtoffer 1] (schoonzoon van verdachte) en [slachtoffer 2] (zwager van verdachte), zijn bij of kort na de aanrijding overleden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van het primair tenlastegelegde Primair is ten laste gelegd dat verdachte, kort gezegd, in slaap is gevallen, vervolgens van de meest rechter rijstrook naar de meest linker rijstrook van de snelweg is gereden tegen de middengeleider aan en zijn auto op de meest linker rijbaan tot stilstand heeft gebracht, terwijl een of meer medeweggebruikers de auto van verdachte al zeer dicht waren genaderd, waardoor twee inzittenden zijn overleden. Zeer dicht genaderd? De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat de inzittenden van de Hyuandai zijn overleden door het op de linker rijbaan tot stilstand brengen van de Hyuandai, terwijl medeweggebruikers al zeer dicht waren genaderd . Dit omdat uit het dossier volgt dat de Hyuandai al enkele minuten op de linkerbaan stilstond op het moment dat de Toyota van [bestuurder van de Toyota] erop inreed. Uit het dossier komt naar voren dat meerdere bestuurders hun auto achter de Hyuandai hebben afgeremd en om de Hyundai heen zijn gereden, voorafgaand aan het moment dat [bestuurder van de Toyota] op de Hyuandai inreed. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de Toyota de Hyuandai al zeer dicht was genaderd op het moment dat de Hyundai op de linkerbaan tot stilstand was gekomen. Causaal verband tussen de verweten gedragingen en de dood? De rechtbank is gelet op het voorgaande mede van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de aan verdachte verweten gedragingen en de dood van de slachtoffers. De causaliteit dient naar huidig recht te worden beoordeeld aan de hand van de leer van de redelijke toerekening. Daarbij gaat het om de toerekening aan de verdachte dat zijn gedrag tot een bepaald gevolg heeft geleid. Als ondergrens wordt aangenomen dat het betrokken gedrag een ‘conditio sine qua non’ voor het gevolg is geweest. Daarbij gaat het in de kern om de feitelijke, empirische vraag of het (verwijtbare) gedrag daadwerkelijk aan het gevolg heeft bijgedragen, in die zin dat de handeling niet kan worden weggedacht zonder dat het gevolg wegvalt. Als sprake is van een dergelijk verband, zal de – juridische – vraag moeten worden beantwoord of het redelijk is het gevolg toe te rekenen aan (de verwijtbare gedraging van) de verdachte. De beantwoording van de vraag naar de redelijke toerekening is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de heersende causaliteitstheorie hoeven fouten van het slachtoffer als zodanig niet aan het aannemen van causaal verband in de weg te staan. Niettemin is denkbaar dat de eigen schuld van de andere weggebruiker onder bijzondere omstandigheden zodanig bepalend is voor het ontstaan van het ongeval dat het, mede in verhouding tot de (lichtere) culpa van de verdachte, niet redelijk is het ongeval aan (de culpa van) de verdachte toe te rekenen. (ECLI:NL:PHR:2014:2807, r.o. 11 en 12). Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het (na het van de rechter naar de linker rijbaan rijden) tot stilstand brengen van de Hyuandai, weliswaar aan de dood van de slachtoffers heeft bijgedragen, in die zin dat de handelingen niet kunnen worden weggedacht zonder dat het gevolg wegvalt, is de rechtbank tevens van oordeel dat het niet redelijk is de dood van de slachtoffers aan de verwijtbare gedragingen van verdachte toe te rekenen. Uit het dossier blijkt namelijk dat de Hyundai op of kort na 14.32 uur tot stilstand kwam op de linker rijbaan en dat er nadien meerdere auto’s hebben afgeremd en om de Hyundai heen zijn gereden.
Volledig
Pas daarna reed de Toyota er tussen 14:34 uur (toen de snelheidsregistratie van de Hyundai uitviel) en 14.36 uur (tijdstip melding incident bij politie) met een snelheid gelegen tussen de 90 en 114 km per uur, zonder te remmen of uit te wijken, achterop. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de slachtoffers in de Hyundai zijn gedood doordat verdachte – kort gezegd – naar links is gereden en zijn auto op de linkerbaan tot stilstand heeft gebracht. De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande vrijspreken van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 13 februari 2023 op de A12 reed waar het ongeval is gebeurd. [getuige 1] reed op de meest linker rijstrook en er reed een voertuig op de meest rechter rijstrook. Dit voertuig ging ineens van de meest rechter rijstrook naar de meest linker rijstrook. Dit was een kleine auto. De kleur van het voertuig was lichtgrijs met een paarse gloed. Op de achterruit stond de tekst: ‘Als u mijn rijstijl niet bevalt dan kunt u bellen met 06…’. [getuige 1] zag dat het voertuig met de zijkant tegen de vangrail aankwam. [getuige 1] heeft het voertuig niet zien remmen. Hij kwam ineens naar links en kwam tegen de vangrail tot stilstand. [getuige 1] zag pas remlichten toen het voertuig stilstond tegen de vangrail. Uit het Forensisch Opsporingsonderzoek volgt dat verbalisanten navraag hebben gedaan bij het bedrijf dat eigenaar was van de Hyundai. De eigenaar liet weten: "Er stond inderdaad een tekst op het achterraam van de auto. Er stond ongeveer iets van: Niet tevreden over mijn rijstijl [telefoonnummer 1] . Of [telefoonnummer 2] . Het telefoonnummer durf ik niet te zeggen welke er achterop stond." De rechtbank maakt hieruit op dat de kleine auto waarover getuige [getuige 1] heeft verklaard het voertuig is waar verdachte in reed. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de dash cambeelden van een vrachtwagen blijkt dat een auto die op rijstrook 1 (de meest linker rijbaan) rijdt ernstig moest afremmen, terwijl een auto die op de middelste rijbaan reed rustig blijft doorrijden. Vervolgens is te zien dat een auto in de middenberm stil staat met de twee rechterrijwielen op rijstrook 1 (de meest linker rijbaan). Op 13 februari 2023 heeft in de gemeente Ede, op de meest linker rijbaan van de A12 richting Arnhem, ter hoogte van hectometerpaal 111.8, een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de bestuurder van een bedrijfsbusje van het merk Toyota achterop een door de verdachte bestuurde personenauto van het merk Hyuandai is gereden en waarbij twee inzittenden van de Hyundai zijn overleden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee bewezen is dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op de weg werd gehinderd. Het subsidiair tenlastegelegde is dus bewezen. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 13 februari 2023, in de gemeente Ede, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over een recht rijbaandeel van de meest rechter rijstrook van de Rijksweg A12 en /of ( vervolgens ) gekomen nabij hectometer aanduiding 111.8 zijn voertuig naar links heeft gestuurd en/ of heeft (laten) rijden en /of ( daarbij ) diagonaal twee links naastgelegen rijbanen heeft overreden en /of ( vervolgens ) op/ tegen een in de linker berm staande middengeleider is gereden en/of gebotst en /of ( daarbij ) zijn voertuig (deels) op de meest linker rijbaan tot stilstand heeft gebracht (terwijl één of meer medeweggebruikers zijn, verdachtes, voertuig al zeer dicht waren genaderd ) door welke gedraging ( en ) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en /of het verkeer op die weg werd gehinderd , althans kon worden gehinderd ; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte vanwege het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de zaak moet worden afgedaan zonder strafoplegging in de zin van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is op de snelweg (na al dan niet in slaap te zijn gevallen) ineens van rechts naar links gereden waarbij hij twee rijbanen heeft overgestoken en tot stilstand is gekomen op de linker rijbaan tegen de middengeleider waardoor auto’s die vlak achter verdachte reden plotseling moesten remmen. Na enkele minuten is een bedrijfsbusje achterop de auto van verdachte gereden en zijn de inzittenden van het voertuig van verdachte (zijn schoonzoon en zwager) als gevolg van dit verkeersongeval zijn overleden. De rechtbank is van oordeel dat het niet redelijk is de dood van de slachtoffers aan de gedragingen van verdachte toe te rekenen omdat de auto die verdachte bestuurde al enkele minuten op de linkerbaan stilstond op het moment dat de bedrijfsbus er zonder te remmen of uit te wijken op inreed. Dit terwijl meerdere bestuurders hun auto wél achter de auto van verdachte hadden afgeremd en er omheen waren gereden alvorens de aanrijding plaatsvond. Er is geen sprake is van schuld aan het dodelijke verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De verdachte wordt wel veroordeeld voor de overtreding die inhoudt dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Door zijn rijgedrag heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt doordat een bedrijfsbusje uiteindelijk achterop de auto van verdachte is gereden. Bij een veroordeling wegens gevaarlijk rijgedrag dienen de ernst van de gevolgen van het gevaarlijke rijgedrag tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf. Dit laat nog steeds onverlet dat de op te leggen straf aanzienlijk lager uitvalt dan straffen die doorgaans worden opgelegd ter zake van schuld aan een dodelijk verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. De rechtbank begrijpt dat dit voor de nabestaanden mogelijk moeilijk te bevatten is. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele strafoplegging het leed van de nabestaanden kan wegnemen of compenseren. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte en met het feit dat het tragische overlijden van zijn schoonzoon en zwager ook op hem zelf een grote impact heeft gehad. Daarnaast had verdachte na het ongeval zelf aanzienlijk letsel waarvoor hij enige tijd in het ziekenhuis heeft gelegen. De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 100 uren opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.
Volledig
8 De beoordeling van de civiele vorderingen Met betrekking tot de overledene [slachtoffer 2] hebben als benadeelde partij in verband met het primair tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend zijn vrouw [benadeelde 1] en hun kinderen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] en [benadeelde 9] . Met betrekking tot de overledene [slachtoffer 1] hebben als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend zijn vrouw [benadeelde 10] en hun kinderen [benadeelde 11] en [benadeelde 12] . Alle benadeelde partijen vorderen per persoon dezelfde bedragen. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde per persoon vorderen: € 2.404,22 voor rechtsbijstand met toekenning van de wettelijke rente vanaf de zittingsdag op 31 mei 2024, € 388,03 voor de kosten van rechtskundige bijstand voor de indiening van dit verzoek met toekenning van de wettelijke rente vanaf de zittingsdag op 31 mei 2024, € 2.500 affectieschade met toekenning van de wettelijke rente vanaf 13 februari 2023. Alle benadeelde partijen vorderen de hoofdelijke veroordeling van verdachte en de mededader(s) tot vergoeding van de schade. Standpunten De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is. Overweging van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op zich voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partijen schade hebben geleden die het rechtstreekse gevolg is van onder meer het subsidiair bewezenverklaarde. De rechtbank is echter tevens van oordeel dat uit het dossier blijkt dat [bestuurder van de Toyota] , als bestuurder van de Toyota, een aandeel heeft gehad in het ontstaan van de aanrijding. In de conclusie van het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse is vermeld dat de bestuurder van de Toyota niet reageerde op het dreigende gevaar van een botsing door af te remmen of uit te wijken. Dit terwijl meerdere weggebruikers vóór hem hier wel adequaat op hebben gereageerd. Hoe dit aandeel bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding tot uitdrukking dient te komen, acht de rechtbank ter beoordeling van de burgerlijke rechter in een civiele procedure. De rechtbank zal de vorderingen daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht; - 5 en 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 10 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 100 (honderd) uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen; ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden ; bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit; verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] en [benadeelde 9] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] en [benadeelde 12] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade/smartengeld. Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno, (voorzitter), mr. A. Bril en mr. A. de Gooijer, rechters in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 februari 2025. Mr. de Gooijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023308238, gesloten op 22 september 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal getuige [getuige 1] , p. 42-46. Proces-verbaal FO-verkeer, p. 165. Proces-verbaal van bevindingen, p. 25 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 11-19.