Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-17
ECLI:NL:RBGEL:2025:1222
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,060 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:1222 text/xml public 2026-02-26T15:34:09 2025-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-01-17 05.219991.24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:1222 text/html public 2026-02-24T09:01:11 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:1222 Rechtbank Gelderland , 17-01-2025 / 05.219991.24 Automobilist geeft geen voorrang aan voetganger op zebrapad waardoor botsing ontstaat. Zwaar lichamelijk letsel bij de voetganger. Vrijspraak artikel 6 WVW en vrijspraak artikel 5 WVW, veroordeling voor artikel 49 RVV. Geldboete €750,00 RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/219991-24 Datum uitspraak : 31 januari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. B. Tijsterman, advocaat in Tilburg. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 januari 2025. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 15 februari 2024 te Nijmegen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Keizer Hendrik VI-singel en/of gaande in de richting van de Griftdijk, daarmede rijdende op de rotonde gevormd door de Griftdijk, de Keizer Hendrik Vl-singel en de Oude Groenestraat, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij ter plaatse bekend was terwijl het donker was en/of de straatverlichting in werking was terwijl het regende en/of het wegdek ter plaatse nat was - niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de rotonde gevormd door de Griftdijk, de Keizer Hendrik Vl-singel en de Oude Groenestraat) en/of naar het verkeer op de direct voor hem gelegen voetgangersoversteekplaats en/of - in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij genoemde weg en/of voornoemde voetgangersoversteekplaats kon overzien en waarover deze vrij was, en/of - in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, zonder te stoppen, een op die voetgangersoversteekplaats lopende en/of gezien zijn, verdachtes, rijrichting dicht van rechts genaderd zijnde voetganger niet voor heeft laten gaan en/of - zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats is op- en overgereden en/of - ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen, met een overstekende voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger werd weggeslingerd en/of ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 15 februari 2024 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto) daarmee rijdende op de rotonde gevormd door de Griftdijk, de Keizer Hendrik Vl-singel en de Oude Groenestraat, terwijl hij ter plaatse bekend was terwijl het donker was en/of de straatverlichting in werking was terwijl het regende en/of het wegdek ter plaatse nat was - niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de rotonde gevormd door de Griftdijk, de Keizer Hendrik Vl-singel en de Oude Groenestraat) en/of naar het verkeer op de direct voor hem gelegen voetgangersoversteekplaats en/of - in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij genoemde weg en/of voornoemde voetgangersoversteekplaats kon overzien en waarover deze vrij was, en/of - in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, zonder te stoppen, een op die voetgangersoversteekplaats lopende en/of gezien zijn, verdachtes, rijrichting dicht van rechts genaderd zijnde voetganger niet voor heeft laten gaan en/of - zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats is op- en overgereden en/of - ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen, met een overstekende voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger werd weggeslingerd en/of ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 15 februari 2024 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de rotonde gevormd door de Griftdijk, de Keizer Hendrik Vl-singel en de Oude Groenestraat, een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die kennelijk op het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 15 februari 2024 rond 6.50 uur reed verdachte met zijn personenauto over de Keizer Hendrik VI-singel in Nijmegen. Hij nam op de rotonde de eerste afslag richting de Griftdijk. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) stak op dat moment de voetgangersoversteekplaats op de Griftdijk over, richting de Oude Groenestraat. Verdachte liet [slachtoffer] niet voorgaan en tussen beiden ontstond een aanrijding . [slachtoffer] heeft door de aanrijding letsel opgelopen bestaande uit: 8 gebroken ribben, met een lichte klaplong, gebroken aftakkingen van de ruggenwervel, een minimaal subduraal hematoom en een gescheurde lever. Ter plaatse van het verkeersongeval waren twee verkeersborden van toepassing te weten: voorrangskruispunt (model B6) en voetgangersoversteekplaats (model L2). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde. Het onder meer subsidiair ten laste gelegde feit kan bewezen worden verklaard. Beoordeling door de rechtbank Vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet (WVW1996) De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Uit enkel de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan niet worden afgeleid dat er sprake is van schuld. De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het niet verlenen van voorrang bij een voetgangersoversteekplaats is weliswaar een verkeersovertreding, maar in het onderhavige geval is dit onvoldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld, ondanks de ernstige gevolgen die de aanrijding heeft gehad voor [slachtoffer] .
Volledig
Uitgaande van de verklaring van verdachte ter zitting en de gegevens zoals die uit het procesdossier blijken, heeft volgens de rechtbank verdachte zich gedragen zoals van een normale, voorzichtige verkeersdeelnemer onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Uit het proces-verbaal FO verkeer komt naar voren dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte te hard heeft gereden. Evenmin zijn er aanwijzingen dat verdachte met iets anders bezig was dan met het verkeer op dat moment. Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij continu heeft gekeken en dat hij met zijn blik continu de hele situatie heeft gescand en vaart heeft geminderd. Gelet op de situatie ter plaatse vindt de rechtbank dat een aannemelijke gang van zaken. Dat brengt tevens mee dat verdachtes blik niet op elk moment op elke relevante plek kon zijn. De rechtbank neemt in zijn beoordeling mee dat het donker was en regende en dat het zicht weliswaar niet belemmerd maar mogelijk wel bemoeilijkt werd. In dit verband is relevant dat uit voornoemd proces-verbaal naar voren komt dat het voor de hand ligt dat de weersomstandigheden wel een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het ongeval. Verdachte naderde de oversteekplaats vanaf de rotonde waarbij hij naar rechts stuurde om de rotonde te verlaten waarbij de verlichting van zijn auto in mindere mate de rechts van de rijbaan gelegen delen kon verlichten. Verdachte heeft ook ter zitting verklaard dat hij [slachtoffer] pas zag toen zijn koplampen haar beschenen nadat hij een klap hoorde. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de bovengenoemde omstandigheden, het niet denkbeeldig dat zelfs een voorzichtige oplettende verkeersdeelnemer een voetganger over het hoofd ziet, zoals verdachte in het onderhavige geval is overkomen. Voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte in deze situatie heeft gedaan wat van een normale voorzichtige en oplettende bestuurder verwacht mag worden. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde feit. Vrijspraak artikel 5 WVW De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW. Om tot een veroordeling te kunnen komen voor overtreding van artikel 5 WVW is vereist dat de gedraging van verdachte zodanig is geweest dat daardoor gevaar op de weg is veroorzaakt, of kon worden veroorzaakt of het verkeer is gehinderd, of kon worden gehinderd. Hierbij is het enkel maken van een verkeersfout niet voldoende. Er moet minimaal een zekere mate van concreet gevaar scheppend dan wel hinderend gedrag zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking verdachtes verkeersgedrag wat heeft geleid tot de vrijspraak van artikel 6 WVW, acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daadwerkelijk een zekere mate van gevaar scheppend dan wel hinderend gedrag heeft vertoond. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook vrij van het subsidiair ten laste gelegde feit. Bewezenverklaring artikel 49 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) Niettegenstaande het voorgaande staat vast dat verdachte hoe dan ook heeft verzuimd voorrang te verlenen aan een voetganger. [slachtoffer] had voorrang en was bezig een zebrapad over te steken. Verdachte en [slachtoffer] zijn met elkaar in aanrijding gekomen, waardoor [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde feit. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 15 februari 2024 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de rotonde gevormd door de Griftdijk, de Keizer Hendrik Vl-singel en de Oude Groenestraat, een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die kennelijk op het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan die persoon is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: meer subsidiair: overtreding van het bepaalde bij artikel 49 onder het tweede lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat voor de bewezen verklaarde overtreding een geldboete dient te worden opgelegd. Hij heeft verder verzocht om geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen omdat de mate van verwijtbaarheid zich daar niet voor leent. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een verkeersfout gemaakt door geen voorrang te verlenen aan een voetganger. Hierdoor is een aanrijding ontstaan die ernstige gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer, zoals zij ook duidelijk naar voren heeft gebracht tijdens de zitting. Voor dergelijke verkeersfouten worden in vergelijkbare zaken geldboetes opgelegd. Gelet op de ernstige gevolgen voor het slachtoffer ziet de rechtbank aanleiding om een hogere geldboete op te leggen dan doorgaans gebruikelijk is. De rechtbank komt daarmee tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van overtreding van de artikelen 6 en 5 WVW. Alles overwegend acht de rechtbank een geldboete ter hoogte van € 750,00 passend. Bij niet betaling of verhaal zal de geldboete worden vervangen door een hechtenis voor de duur van 15 dagen. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: - 23 en 24a van het Wetboek van Strafrecht; - 49 en 92 van de Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 9 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten; verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiaire ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. A. de Gooijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024072039, gesloten op 23 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.