Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-24
ECLI:NL:RBGEL:2025:12035
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,625 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12035 text/xml public 2026-05-06T09:48:08 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-01-24 C/05/440926 / FA RK 24-2982 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12035 text/html public 2026-05-06T09:13:25 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12035 Rechtbank Gelderland , 24-01-2025 / C/05/440926 / FA RK 24-2982 Provisionele voorziening (223 Rv). Vastlegging tussen de ouders overeengekomen voorlopige zorgregeling (birdnesting) en afspraken over kerstvakantie 2024. Bodemprocedure. Verzoek vader tot vervangende toestemming voor deelname van de minderjarige aan Rijksvaccinatieprogramma toegewezen en aanhouding overige verzoeken. beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/440926 / FA RK 24-2982 Datum uitspraak: 24 januari 2025 beschikking vervangende toestemming deelname Rijksvaccinatieprogramma, voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv en aanhouding overige verzoeken in de zaak van [naam vader] (hierna: de vader), wonende te [woonplaats] , advocaat mr. R.A.H. Vullings te Nijmegen tegen [naam moeder] (hierna: de moeder), wonende te [woonplaats] , advocaat mr. E. Gürcan te Arnhem 1 Het verloop van de procedure 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 6 september 2024; - het aanvullend verzoek, tevens houdende provisioneel verzoek ex artikel 223 Rv, ingekomen bij de griffie op 12 december 2024; - het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 16 december 2024; - het bericht van de rechtbank aan mr. R.A.H. Vullings en mr. E. Gürcan van 18 december 2024; - het bericht van mr. R.A.H. Vullings, ingekomen bij de griffie op 19 december 2024. 1.2. De rechtbank heeft (de advocaten van) partijen in het bericht van 18 december 2024 medegedeeld dat, gelet op het late stadium waarin de verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor verhuizing zijn ingediend, op de geplande mondelinge behandeling van 20 december 2024 alleen het verzoek met betrekking tot de vervangende toestemming voor deelname Rijksvaccinatieprogramma en de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv zullen worden behandeld. De rechtbank zal de overige verzoeken op een later moment behandelen. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling van 20 december 2024 zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. R.A.H. Vullings; - de moeder, bijgestaan door mr. E. Gürcan en een tolk; - een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 1.4. Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank het volgende stuk ontvangen: - het aanvullend verzoek tot wijziging gezag, ingekomen bij de griffie op 7 januari 2025. De rechtbank zal ook dit verzoek op een later moment behandelen. 2 De feiten 2.1. Uit de relatie tussen de ouders is geboren het minderjarige kind: - [naam kind] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [het kind] . 2.2. De vader heeft [het kind] erkend. 2.3. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [het kind] . 2.4. De relatie tussen de ouders is geëindigd. Er is geen zorgregeling vastgesteld of overeengekomen. 3 Het verzoek van de vader 3.1. De vader verzoekt de rechtbank, na aanvulling, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: In de bodemprocedure I. vervangende toestemming te verlenen voor deelname van [het kind] aan het Rijksvaccinatieprogramma; II. te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben; III. de volgende zorgregeling vast te stellen: Week 1 Ochtend Middag Avond Nacht Wisseltijd Maandag Vader vader vader vader - Dinsdag Vader vader vader moeder 18.30 uur Woensdag Moeder moeder moeder vader 18.30 uur Donderdag Vader vader vader moeder 18.30 uur Vrijdag Moeder moeder moeder moeder - Zaterdag Vader vader vader vader 09.00 uur Zondag Vader vader vader vader - Week 2 Ochtend Middag Avond Nacht Wisseltijd Maandag vader vader vader vader - Dinsdag vader vader vader moeder 18.30 uur Woensdag moeder moeder moeder vader 18.30 uur Donderdag vader vader vader moeder 18.30 uur Vrijdag moeder moeder moeder moeder - Zaterdag moeder moeder moeder moeder - Zondag moeder moeder moeder vader 18.30 uur zomervakantie: in onderling overleg bij helfte delen; herfstvakantie: in de oneven jaren bij de vader en de even jaren bij de moeder; kerstvakantie: in de oneven jaren in de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de even jaren andersom; voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder; meivakantie: in de oneven jaren in de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de even jaren andersom; kerstdagen: bij de vader; Goede Vrijdag: conform de reguliere regeling; Pasen: bij de vader; Hemelvaartsdag/Pinksteren: conform de reguliere regeling; Koningsdag: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder; Sinterklaas: bij de vader; Suikerfeest: bij de moeder, met een maximum van twee dagen; Offerfeest: bij de moeder, met een maximum van twee dagen; Vaderdag: bij de vader; Moederdag: bij de moeder; verjaardag van [het kind] : conform de reguliere regeling, waarbij de andere ouder in de gelegenheid moet worden gesteld [het kind] te feliciteren; verjaardag van de ouders: op de dag waarop de verjaardag wordt gevierd, bij de betreffende ouder, inclusief een overnachting voorafgaand aan die dag; waarbij wordt bepaald dat als de vader de zorg voor [het kind] heeft, de moeder elders verblijft en andersom, zolang de moeder nog geen eigen woning heeft, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen zorg- en contactregeling; In de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv IV. een voorlopige zorgregeling vast te stellen als hiervoor bij III. weergeven, waarbij wordt bepaald dat als de vader de zorg voor [het kind] heeft, de moeder elders verblijft en andersom, zolang de moeder nog geen eigen woning heeft, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen zorgregeling. 4 Het verweer en het zelfstandig verzoek van de moeder 4.1. De moeder voert verweer en verzoekt de rechtbank om de verzoeken van de vader af te wijzen. 4.2. Bij zelfstandig verzoek verzoekt de moeder om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om samen met [het kind] te mogen verhuizen naar [plaatsnaam] ; II. te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben; III. een zorgregeling tussen de vader en [het kind] vast te stellen waarbij: a. [het kind] om de veertien dagen een weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [het kind] zal (op)halen en (terug)brengen; b. de vakanties en feestdagen gelijkelijk tussen de ouders worden verdeeld. 5 Het advies van de Raad 5.1. De zittingsvertegenwoordigster van de Raad ziet dat er veel speelt tussen de ouders. Er is sprake van wantrouwen en oplopende spanningen. Birdnesting is een mogelijkheid maar beide ouders moeten dat willen. Er moet dan geen controle naar elkaar toe zijn. De Raad adviseert de ouders om zo snel mogelijk met een hulpverleningstraject te starten om een plan te maken en gesprekken te voeren over wat nodig is voor [het kind] . Verder is de Raad van mening dat beide ouders frequent contact moeten hebben met [het kind] . [het kind] is nog heel jong en beide ouders zijn belangrijke hechtingsfiguren die dichtbij haar moeten zijn. De Raad staat achter het Rijksvaccinatieprogramma. Het is voor [het kind] belangrijk om het opgestelde vaccinatieschema te volgen. De Raad ziet in hetgeen de moeder heeft aangedragen geen reden om van het vaccinatieschema af te wijken. De moeder heeft haar bezwaren tegen het verder vaccineren van [het kind] niet met een verklaring van een arts onderbouwd. 6 De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 6.1.
Volledig
Omdat de vader en [het kind] de Nederlandse nationaliteit hebben en de moeder de Turkse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient de rechtbank eerst vast te stellen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken. 6.2. In artikel 7 van de verordening Brussel II-ter staat dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten bevoegd zijn van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [het kind] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd. 6.3. In artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 staat dat de bevoegde rechter zijn eigen recht toepast. Dit betekent dat in deze zaak het Nederlandse recht zal worden toegepast. De voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv en aanhouding verzoeken hoofdverblijf, zorgregeling en vervangende toestemming verhuizing in de bodemprocedure 6.4. De rechtbank heeft op de mondelinge behandeling uitvoerig met de ouders gesproken over de situatie die heeft geleid tot deze procedure. Uit het gesprek is naar voren gekomen dat de relatie tussen de ouders nog maar kort geleden is geëindigd en dat het hen niet is gelukt om met elkaar in gesprek te gaan om (voorlopige) afspraken te maken over [het kind] . De ouders zijn het er wel over eens dat de huidige situatie waarin zij nog met elkaar onder één dak wonen niet kan voortduren, omdat er veel conflicten en spanningen tussen hen zijn waar [het kind] getuige van is. 6.5. De moeder heeft enkele dagen voor de mondelinge behandeling een verzoek ingediend waarin zij vervangende toestemming vraagt om met [het kind] te mogen verhuizen naar [plaatsnaam] . De moeder stelt dat zij niet in de woning van de vader kan blijven en dat zij geen andere woning in (de buurt van) [woonplaats] tot haar beschikking heeft. De vader heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat hij het niet eens is met de verhuizing en vindt dat de moeder in (de buurt van) [woonplaats] moet gaan wonen zodat de ouders de al langer bestaande situatie waarin zij de zorg voor [het kind] gelijkelijk delen kunnen voortzetten. Beide ouders hebben daarnaast verzoeken ingediend over het hoofdverblijf en de zorgregeling van [het kind] . 6.6. Op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met partijen besproken dat de verzoeken over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor verhuizing worden aangehouden. Omdat het een verzoek tot verhuizing van meer dan 100 km betreft, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de meervoudige kamer. De behandeling wordt voorgezet op 27 maart 2025 om 09:30 uur. 6.7. Vervolgens is gesproken over een oplossing voor de komende periode. De vader heeft voorgesteld om de zorg voor [het kind] in de vorm van een birdnesting te verdelen op basis van het door hem opgestelde schema. Hoewel de moeder dit eerst niet zag zitten, heeft zij uiteindelijk na een schorsing van de mondelinge behandeling alsnog ingestemd met het voorstel van de vader. De ouders hebben afgesproken dat zij, voor de duur van de bodemprocedure, om en om met [het kind] in de woning van de vader in [woonplaats] zullen verblijven om voor haar te zorgen (birdnesting). Uit het door de vader opgestelde schema volgt dat de vader in week 1 van maandagochtend tot dinsdagavond 18.30 uur, van woensdagavond 18.30 uur tot donderdagavond 18.30 uur en vanaf zaterdagochtend 09.00 uur in de woning verblijft (tot maandagochtend in week 2) en de zorg draagt voor [het kind] . Op de andere dagen in week 1 verblijft de moeder in de woning van de vader om voor [het kind] te zorgen. Uit het door de vader opgestelde schema volgt dat de vader in week 2 van maandagochtend tot dinsdagavond 18.30 uur, van woensdagavond 18.30 uur tot donderdagavond 18.30 uur en vanaf zondagavond 18.30 uur in de woning verblijft (tot maandagochtend in de daaropvolgende week) en de zorg draagt voor [het kind] . Op de andere dagen in week 2 verblijft de moeder in de woning van de vader om voor [het kind] te zorgen. De ouder die niet voor [het kind] zorgt, verblijft elders. De ouders hebben afgesproken dat zij samen op zoek zullen gaan naar een alternatieve plek waar zij op de dagen dat zij zij niet willen [het kind] zorgen verblijven. Ook hebben de ouders afgesproken dat de vader alle camera’s en geluidsapparatuur die in zijn woning aanwezig zijn verwijdert zodat de moeder zonder stress de zorg kan dragen voor [het kind] . De ouders hebben afgesproken dat deze voorlopige zorgregeling ingaat op 3 januari 2025. 6.8. De ouders hebben ook afspraken gemaakt over de verdeling van de kerstvakantie 2024. Zij zijn overeengekomen dat de vader in de periode van 22 december 2024 12.00 uur tot 26 december 2024 19.00 uur samen met [het kind] naar zijn ouders (vz) zal gaan om kerst te vieren, waarbij de moeder op 25 december 2024 om 12.00 uur gedurende één uur een fysiek contactmoment heeft met [het kind] bij de ouders van de vader. Ook zijn zij overeengekomen dat de moeder in de periode van 27 december 2024 tot 3 januari 2025 samen met [het kind] naar Turkije zal afreizen om bij haar ouders (mz) te verblijven. Tot slot zijn de ouders overeengekomen dat voor de periode van de kerstvakantie 2024 geldt dat er elke dag belcontact met de andere ouder plaatsvindt om 17.00 uur. 6.9. De rechtbank zal de tussen de ouders gemaakte afspraken over de voorlopige verdeling van de zorg hierna vastleggen. Verder vindt de rechtbank het van belang om te benadrukken dat het belangrijk is dat de ouders zo snel mogelijk met de hulpverlening aan de slag gaan om de situatie en communicatie tussen hen te verbeteren. Het verzoek vervangende toestemming deelname Rijksvaccinatieprogramma in de bodemprocedure 6.10. De ouders zijn het niet eens over het (verder) vaccineren van [het kind] volgens het schema van het Rijksvaccinatieprogramma. Gebleken is dat [het kind] de eerste vaccinaties volgens het Rijksvaccinatieprogramma gekregen heeft. De discussie tussen de ouders heeft betrekking op de vaccinaties die gegeven worden bij 11 en bij 14 maanden. Die vaccinaties heeft [het kind] niet gekregen omdat de moeder hier geen toestemming voor geeft. De vader heeft toegelicht dat hij het belangrijk vindt dat [het kind] ook deze vaccinaties krijgt zodat zij wordt beschermd tegen schadelijke ziektes. De moeder heeft toegelicht dat zij deze vaccinaties wil uitstellen totdat [het kind] 24 maanden oud is, omdat zij zich zorgen maakt over het gedrag van [het kind] . De moeder wil eerst uitsluiten of er bij [het kind] sprake is van epilepsie, autisme of een andere neurologische aandoening. Als dat het geval is, brengt het verder vaccineren volgens de moeder gezondheidsrisico’s met zich mee voor [het kind] . 6.11. De rechtbank stelt vast dat er tussen de ouders sprake is van een geschil over de gezamenlijke uitoefening van het gezag. Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt en moet bij haar beslissing alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in acht nemen. 6.12. De rechtbank stelt voorop dat het Rijksvaccinatieprogramma van overheidswege is opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Uitgangspunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren ook naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. 6.13. De moeder heeft bezwaren tegen het verder vaccineren van [het kind] . Het gaat niet om principiële of godsdienstige bezwaren, maar de moeder is bang voor gezondheidsrisico’s.
Volledig
In maart 2024 vertoonde [het kind] abnormaal gedrag waarvoor zij is doorverwezen naar het ziekenhuis. [het kind] is opgenomen en heeft een EEG (hersenfilmpje) ondergaan. De uitslagen hiervan waren normaal. Partijen hebben in deze periode geen kinderneuroloog kunnen spreken, alleen een kinderarts. De moeder is van mening dat [het kind] bekeken moet worden door een kinderneuroloog. Het gedrag wat [het kind] vertoont zou epilepsie kunnen zijn, maar dit is nooit aangetoond of uitgesloten. Vanwege het feit dat het partijen niet is gelukt om een kinderneuroloog te spreken, heeft de moeder online een Turkse arts gesproken. Zijn conclusie was dat het gedrag wel zorgelijk is en dat [het kind] gemonitord moet worden. Deze dokter heeft volgens de moeder gezegd dat het gedrag ‘stimming’ (zelfstimulerend gedrag) zou kunnen zijn. ‘Stimming’ is een van de kenmerken van autisme. De moeder wil weten of [het kind] inderdaad kampt met epilepsie, autisme of een andere neurologische aandoening. Als daarvan sprake is, is het beter om te wachten met vaccineren. In de vaccinatie zitten namelijk zware metalen verwerkt (zoals aluminium) die de kans op autisme vergroten. Gelet hierop wil de moeder de vaccinatie uitstellen totdat [het kind] 24 maanden oud is. 6.14. De rechtbank volgt de moeder niet in haar standpunt. Zij heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat er in het geval van [het kind] een gegronde reden is om af te wijken van het Rijksvaccinatieprogramma. Binnen het Rijksvaccinatieprogramma worden de medische risico’s van vaccinatie, de kans op besmetting met de betreffende ziektes en de mogelijke gevolgen daarvan tegen elkaar afgewogen. Zoals hiervoor overwogen, sluit die afweging aan bij de heersende leer in de geneeskunde en wordt deze in de maatschappij breed gedragen. Bij het opstellen van het vaccinatieprogramma wordt bij deze afweging de leeftijd van het kind betrokken. De rechtbank gaat er zodoende van uit dat [het kind] belang heeft bij de vaccinaties, dat de medische risico’s voor haar niet onaanvaardbaar zijn en dat er geen gerede twijfel bestaat over de werkzaamheid van de vaccinaties. Het belang van [het kind] is gelegen in de lagere kans die zij heeft om na vaccinatie zelf één van de ziektes te krijgen en om die ziektes, bijvoorbeeld op het kinderdagverblijf, te verspreiden. 6.15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [het kind] is dat zij deelneemt aan het Rijksvaccinatieprogramma en de opvolgende vaccinaties krijgt. Omdat het geschil van partijen betrekking op de vaccinaties tot 24 maanden, zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen op de wijze zoals hierna is vermeld. 7 De beslissing De rechtbank In de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv 7.1. stelt, voor de duur van de bodemprocedure, vast als voorlopige regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken: - dat [het kind] met ingang 3 januari 2025 bij de vader verblijft: in de ene week (week 1) van maandagochtend tot en met dinsdagavond 18.30 uur, van woensdagavond 18.30 uur tot donderdagavond 18.30 uur en vanaf zaterdagochtend 09.00 uur tot maandagochtend in week 2; in de andere week (week 2) van maandagochtend tot dinsdagavond 18.30 uur, van woensdagavond 18.30 uur tot donderdagavond 18.30 uur en vanaf zondagavond 18.30 uur tot maandagochtend in de daaropvolgende week (week 1); waarbij geldt dat de vader op deze dagen samen met [het kind] in zijn woning in [woonplaats] verblijft om voor haar te zorgen en de moeder elders verblijft; - dat [het kind] met ingang van 3 januari 2025 bij de moeder verblijft: in de ene week (week 1) van dinsdagavond 18.30 uur tot woensdagavond 18.30 uur en van donderdagavond 18.30 uur tot zaterdagochtend 09.00 uur; in de andere week (week 2) van dinsdagavond 18.30 uur tot woensdagavond 18.30 uur en van donderdagavond 18.30 uur tot zondagavond 18.30 uur; waarbij geldt dat de moeder op deze dagen samen met [het kind] in de woning van de vader in [woonplaats] verblijft om voor haar te zorgen en de vader elders verblijft; 7.2. stelt vast dat de ouders over de kerstvakantie 2024 de volgende afspraken hebben gemaakt: de vader zal in de periode van 22 december 2024 12.00 uur tot 26 december 2024 19.00 uur samen met [het kind] naar zijn ouders (vz) gaan om kerst te vieren, waarbij de moeder op 25 december 2024 om 12.00 uur gedurende één uur een fysiek contactmoment heeft met [het kind] bij de ouders van de vader; de moeder zal in de periode van 27 december 2024 tot 3 januari 2025 samen met [het kind] naar Turkije afreizen om bij haar ouders (mz) te verblijven; voor de periode van de kerstvakantie 2024 geldt dat er elke dag belcontact met de andere ouder plaatsvindt om 17.00 uur; 7.3. wijst af het meer of anders verzochte in de voorlopige voorziening af; In de bodemprocedure 7.4. verleent de vader vervangende toestemming, die de toestemming van de moeder vervangt, voor deelname van [het kind] aan het Rijksvaccinatieprogramma, voor zover het betreft de vaccinaties die aangeboden worden tot 24 maanden; 7.5. verklaart de onder 7.4. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad; 7.6. houdt de beslissing over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de vervangende toestemming voor verhuizing aan en bepaalt dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet door de meervoudige kamer op 27 maart 2025 om 09.30 uur in het gerechtsgebouw te Arnhem ; 7.7. bepaalt dat het aanvullend verzoek tot wijziging gezag eveneens op deze (nader te bepalen) mondelinge behandeling zal worden behandeld. Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van F. Dijkstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.