Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-24
ECLI:NL:RBGEL:2025:12032
Strafrecht
Beschikking
3,882 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12032 text/xml public 2026-04-29T11:26:50 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-01-24 05/262980-19 Uitspraak Beschikking NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12032 text/html public 2026-04-28T12:18:36 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12032 Rechtbank Gelderland , 24-01-2025 / 05/262980-19 Vordering uitsel VI (oud) wegens misdragingen tijdens detentie. Dit zijn relatief oude misdragingen en de sanctie voor de meer recente misdraging is geschorst door de RSJ. Daaraan kan de rn niet zomaar voorbijgaan. Bovendien gaat het verder goed met veroordeelde. Vordering afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/262980-19 VI-zaaknummer: 99-001273-43 Datum uitspraak: 24 januari 2025 Beslissing van de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:2:12 (oud) van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van de officier van justitie tegen [veroordeelde] , (hierna: veroordeelde), geboren op [geboortedag] 1997 op Curaçao, op dit moment gedetineerd in PI [plaats] . Raadsvrouw: mr. Y.A. Samseij, advocaat in Amsterdam. De procedure Bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 11 november 2020 is veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar veroordeeld. De begindatum van de detentie van veroordeelde was 3 november 2019. Veroordeelde zal daardoor in beginsel op 3 februari 2025 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Vanwege een nieuwe veroordeling zal deze datum mogelijk worden opgeschort. In het geval van een invrijheidstelling zou het strafrestant 960 dagen en de v.i.-proeftijd 960 dagen bedragen. De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 31 december 2024 dan wel 6 januari 2025 strekt tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 120 dagen. Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 17 januari 2025. Daarbij zijn gehoord: - veroordeelde; - zijn raadsvrouw mr. J.T. Brassé, die waarneemt voor mr. Samseij; - deskundige M.C. de Vries (Reclassering Nederland) (via een videoverbinding); - deskundige S. Stam (PI [plaats] ) (via een videoverbinding), en - de officier van justitie mr. B. Veelders. De standpunten De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering dient te worden toegewezen. Veroordeelde heeft gedurende de detentieperiode meerdere disciplinaire straffen gekregen. Het feit dat de laatste disciplinaire straf, opgelegd omdat zijn bezoek hasj de PI binnensmokkelde, is geschorst door de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) maakt haar standpunt niet anders. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Veroordeelde had een moeizame start in de PI, maar sinds eind 2023 heeft hij een enorme gedragsverandering doorgemaakt. De PI is positief over hem. Ook heeft de reclassering positief geadviseerd. De vordering tot uitstel is met name ingegeven door de laatste disciplinaire sanctie, die is opgelegd omdat een bezoekster hasj had meegenomen naar de PI. Deze straf is echter recent door de RSJ geschorst. De beoordeling Op grond van artikel IV lid 3 van de Wet straffen en beschermen, zoals gewijzigd als gevolg van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, geldt dat bij veroordelingen tot vrijheidsstraf die door de rechtbank of het gerechtshof zijn uitgesproken voor 1 juli 2021, de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die voor 1 juli 2021 luidden (HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:984). Volgens de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:2:10 (oud) Wetboek van Strafvordering (Sv), vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 6:2:12 (oud) Sv kan de v.i. echter worden uitgesteld of achterwege blijven, als één of meer van de in dat artikel limitatief opgesomde omstandigheden zich voordoen. Deze beslissing wordt genomen door de rechtbank, op vordering van de officier van justitie. De vordering tot uitstel van de v.i. in deze zaak is gegrond op de omstandigheid dat veroordeelde zich tijdens de detentie meermalen ernstig zou hebben misdragen, gezien de veelvuldig opgelegde disciplinaire sancties. Uit het advies van de PI van 23 december 2024 blijkt dat veroordeelde in 2023 meerdere disciplinaire straffen heeft gekregen, onder meer wegens het voorhanden van drugs en telefoons. Desondanks adviseert de PI positief ten aanzien van de v.i. Op 1 november 2024 heeft de reclassering positief geadviseerd ten aanzien van de mogelijkheid van elektronische monitoring in combinatie met een locatiegebod in Rotterdam. Hoewel het risico op recidive ingeschat wordt als hoog, adviseert de reclassering op 16 december 2024 ook positief ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidstelling zelf, onder de bijzondere voorwaarden die in het advies worden genoemd. Nadat veroordeelde op 28 december 2024 bezoek ontving, bij wie hasj is aangetroffen, kreeg hij een nieuwe disciplinaire straf. Op 30 december 2024 kwam de PI tot een negatief advies ten aanzien van de v.i. Veroordeelde heeft de Voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ verzocht om deze straf te schorsen, welk verzoek is toegewezen op 8 januari 2025. De voorzitter van de beroepscommissie heeft hier geoordeeld dat niet vaststaat dat deze drugs voor veroordeelde waren bestemd of dat hij de invoer heeft geregeld, zodat hij ook niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen van zijn bezoekster. De rechtbank kan deze beslissing tot schorsing van de disciplinaire straf niet zomaar terzijde stellen, ook al is het een voorlopige beslissing. Ook afgezien hiervan echter, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de rapporten wordt duidelijk dat veroordeelde een moeilijke periode heeft gehad in de PI, met meerdere overtredingen van de regels en disciplinaire straffen tot gevolg. Alle straffen dateren echter van meer dan een jaar geleden, met uitzondering van de recent geschorste straf. Sinds eind 2023 laat veroordeelde gedragsverandering zien en heeft hij de COVA+ training en een leefstijlstraining positief afgesloten. Ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde inmiddels werk heeft gevonden en dat hij (met elektronisch toezicht) bij zijn nicht kan verblijven in [verblijfplaats] . Dat zijn beschermende factoren zijn verminderd, zoals door de officier van justitie gesteld, is niet gebleken, nu onduidelijk is gebleven of de bezoekster die de hasj meenam naar de PI die nicht van veroordeelde betreft. Ook is niet gebleken dat de gevorderde duur van het uitstel nodig is voor het in gang zetten van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Uitstel van de v.i. heeft geen praktisch nut, behalve het afstraffen van de recente overtreding van de inrichtingsregels, waarvan de disciplinaire straf echter is geschorst. De rechtbank zal de vordering tot uitstel van de v.i. dan ook afwijzen. Beslissing De rechtbank: wijst af de vordering strekkende tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling; adviseert bij de voorwaardelijke invrijheidstelling de door de reclassering voorgestelde voorwaarden op te nemen. Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter, mr. J.M. Breimer en mr. R.D. Leen, als rechters, in tegenwoordigheid van mr. W. Braaksma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2025. mr. Braaksma is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12032 text/xml public 2026-04-29T11:26:50 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-01-24 05/262980-19 Uitspraak Beschikking NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12032 text/html public 2026-04-28T12:18:36 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12032 Rechtbank Gelderland , 24-01-2025 / 05/262980-19 Vordering uitsel VI (oud) wegens misdragingen tijdens detentie. Dit zijn relatief oude misdragingen en de sanctie voor de meer recente misdraging is geschorst door de RSJ. Daaraan kan de rn niet zomaar voorbijgaan. Bovendien gaat het verder goed met veroordeelde. Vordering afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/262980-19 VI-zaaknummer: 99-001273-43 Datum uitspraak: 24 januari 2025 Beslissing van de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:2:12 (oud) van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van de officier van justitie tegen [veroordeelde] , (hierna: veroordeelde), geboren op [geboortedag] 1997 op Curaçao, op dit moment gedetineerd in PI [plaats] . Raadsvrouw: mr. Y.A. Samseij, advocaat in Amsterdam. De procedure Bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 11 november 2020 is veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar veroordeeld. De begindatum van de detentie van veroordeelde was 3 november 2019. Veroordeelde zal daardoor in beginsel op 3 februari 2025 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Vanwege een nieuwe veroordeling zal deze datum mogelijk worden opgeschort. In het geval van een invrijheidstelling zou het strafrestant 960 dagen en de v.i.-proeftijd 960 dagen bedragen. De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 31 december 2024 dan wel 6 januari 2025 strekt tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 120 dagen. Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 17 januari 2025. Daarbij zijn gehoord: - veroordeelde; - zijn raadsvrouw mr. J.T. Brassé, die waarneemt voor mr. Samseij; - deskundige M.C. de Vries (Reclassering Nederland) (via een videoverbinding); - deskundige S. Stam (PI [plaats] ) (via een videoverbinding), en - de officier van justitie mr. B. Veelders. De standpunten De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering dient te worden toegewezen. Veroordeelde heeft gedurende de detentieperiode meerdere disciplinaire straffen gekregen. Het feit dat de laatste disciplinaire straf, opgelegd omdat zijn bezoek hasj de PI binnensmokkelde, is geschorst door de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) maakt haar standpunt niet anders. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Veroordeelde had een moeizame start in de PI, maar sinds eind 2023 heeft hij een enorme gedragsverandering doorgemaakt. De PI is positief over hem. Ook heeft de reclassering positief geadviseerd. De vordering tot uitstel is met name ingegeven door de laatste disciplinaire sanctie, die is opgelegd omdat een bezoekster hasj had meegenomen naar de PI. Deze straf is echter recent door de RSJ geschorst. De beoordeling Op grond van artikel IV lid 3 van de Wet straffen en beschermen, zoals gewijzigd als gevolg van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, geldt dat bij veroordelingen tot vrijheidsstraf die door de rechtbank of het gerechtshof zijn uitgesproken voor 1 juli 2021, de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die voor 1 juli 2021 luidden (HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:984). Volgens de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:2:10 (oud) Wetboek van Strafvordering (Sv), vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 6:2:12 (oud) Sv kan de v.i. echter worden uitgesteld of achterwege blijven, als één of meer van de in dat artikel limitatief opgesomde omstandigheden zich voordoen. Deze beslissing wordt genomen door de rechtbank, op vordering van de officier van justitie. De vordering tot uitstel van de v.i. in deze zaak is gegrond op de omstandigheid dat veroordeelde zich tijdens de detentie meermalen ernstig zou hebben misdragen, gezien de veelvuldig opgelegde disciplinaire sancties. Uit het advies van de PI van 23 december 2024 blijkt dat veroordeelde in 2023 meerdere disciplinaire straffen heeft gekregen, onder meer wegens het voorhanden van drugs en telefoons. Desondanks adviseert de PI positief ten aanzien van de v.i. Op 1 november 2024 heeft de reclassering positief geadviseerd ten aanzien van de mogelijkheid van elektronische monitoring in combinatie met een locatiegebod in Rotterdam. Hoewel het risico op recidive ingeschat wordt als hoog, adviseert de reclassering op 16 december 2024 ook positief ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidstelling zelf, onder de bijzondere voorwaarden die in het advies worden genoemd. Nadat veroordeelde op 28 december 2024 bezoek ontving, bij wie hasj is aangetroffen, kreeg hij een nieuwe disciplinaire straf. Op 30 december 2024 kwam de PI tot een negatief advies ten aanzien van de v.i. Veroordeelde heeft de Voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ verzocht om deze straf te schorsen, welk verzoek is toegewezen op 8 januari 2025. De voorzitter van de beroepscommissie heeft hier geoordeeld dat niet vaststaat dat deze drugs voor veroordeelde waren bestemd of dat hij de invoer heeft geregeld, zodat hij ook niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen van zijn bezoekster. De rechtbank kan deze beslissing tot schorsing van de disciplinaire straf niet zomaar terzijde stellen, ook al is het een voorlopige beslissing. Ook afgezien hiervan echter, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de rapporten wordt duidelijk dat veroordeelde een moeilijke periode heeft gehad in de PI, met meerdere overtredingen van de regels en disciplinaire straffen tot gevolg. Alle straffen dateren echter van meer dan een jaar geleden, met uitzondering van de recent geschorste straf. Sinds eind 2023 laat veroordeelde gedragsverandering zien en heeft hij de COVA+ training en een leefstijlstraining positief afgesloten. Ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde inmiddels werk heeft gevonden en dat hij (met elektronisch toezicht) bij zijn nicht kan verblijven in [verblijfplaats] . Dat zijn beschermende factoren zijn verminderd, zoals door de officier van justitie gesteld, is niet gebleken, nu onduidelijk is gebleven of de bezoekster die de hasj meenam naar de PI die nicht van veroordeelde betreft. Ook is niet gebleken dat de gevorderde duur van het uitstel nodig is voor het in gang zetten van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Uitstel van de v.i. heeft geen praktisch nut, behalve het afstraffen van de recente overtreding van de inrichtingsregels, waarvan de disciplinaire straf echter is geschorst. De rechtbank zal de vordering tot uitstel van de v.i. dan ook afwijzen. Beslissing De rechtbank: wijst af de vordering strekkende tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling; adviseert bij de voorwaardelijke invrijheidstelling de door de reclassering voorgestelde voorwaarden op te nemen. Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter, mr. J.M. Breimer en mr. R.D. Leen, als rechters, in tegenwoordigheid van mr. W. Braaksma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2025. mr. Braaksma is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.