Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-11-12
ECLI:NL:RBGEL:2025:11949
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2025:11949 text/xml public 2026-05-20T16:23:15 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-11-12 C/05/444562 / HZ ZA 24-392 Uitspraak Bodemzaak NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0252 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0252 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11949 text/html public 2026-04-21T12:25:44 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11949 Rechtbank Gelderland , 12-11-2025 / C/05/444562 / HZ ZA 24-392 Erfrecht, vaststellen omvang legitieme portie, voornemen benoemen deskundige makelaar/taxateur voor taxatie woning. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/444562 / HZ ZA 24-392 Vonnis van 12 november 2025 in de zaak van 1 [naam eiser 1] , te [woonplaats] , 2. [naam eiser 2] , te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [de eisers] , advocaat: mr. N. van de Gevel, tegen 1 [naam gedaagde 1] , te [woonplaats] , advocaat: mr. M.M.H. Ceelen, 2. [naam gedaagde 2] , te [woonplaats] , advocaat: mr. M.M.H. Ceelen, 3. [naam gedaagde 3] , te [woonplaats] , advocaat: mr. A.F.J. Huigens, 4. [naam gedaagde 4] , te [woonplaats] , advocaat: mr. A.F.J. Huigens, 5. [naam gedaagde 5] , te [woonplaats] , advocaat: mr. A.F.J. Huigens, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [de gedaagden] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 september 2025 - de akte overleggen stukken van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - de nadere akte van [de eisers] - het B16 formulier met daarin de akte uitlaten van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 10 september 2025 (hierna: het tussenvonnis), tenzij in het navolgende uitdrukkelijk anders wordt overwogen en beslist. 2.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank – onder andere – overwogen dat [de eisers] zich moeten uitlaten over hoe hun vordering betreffende de nalatenschap van erflaatster moet worden begrepen en of zij vorderen dat de rechtbank de hoogte van de legitieme vaststelt. Bij akte van 7 oktober 2025 hebben [de eisers] kenbaar gemaakt dat zij een beroep doen op hun legitieme portie en dat zij wensen dat de rechtbank de omvang van hun legitieme portie vaststelt. Zoals overwogen in rechtsoverweging 4.30 van het tussenvonnis, zal de rechtbank daartoe eerst de omvang van de nalatenschap van erflaatster op de datum van haar overlijden (16 oktober 2022) vaststellen. 2.3. Zowel [de eisers] als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een overzicht verschaft van wat volgens hen tot de nalatenschap van erflaatster behoort en wat de omvang van de activa en passiva was op het moment van haar overlijden. Daaruit volgt dat partijen het erover eens zijn dat de banksaldi van erflaatster op de datum van haar overlijden € 2.466,00 bedroegen, dat de inboedel een waarde had van € 845,00 en dat de hypothecaire schuld € 112.702,00 bedroeg. Deze posten staan daarmee vast. Partijen verschillen van mening over het bestaan en de omvang van enkele passivaposten. Ook verschillen partijen van mening over de waarde van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning. Huishoudelijke schuld 2.4. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] behoort tot de nalatenschap van erflaatster een huishoudelijke schuld ter hoogte van € 1.045,00. [de eisers] hebben deze schuld aanvankelijk (ongemotiveerd) betwist. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij conclusie van antwoord uiteengezet hoe deze schuld is opgebouwd. Zij hebben dit onderbouwd met een verwijzing naar de bankafschriften van erflaatster. [de eisers] zijn vervolgens niet meer op deze passivapost ingegaan. [de eisers] hebben het bestaan en de omvang van deze schuld daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Voorgeschoten kosten woning en post tweedehands gekocht 2.5. [gedaagde 1] stelt dat de nalatenschap van erflaatster een schuld aan hem heeft ter hoogte van € 15.819,00. Deze schuld heeft betrekking op kosten voor de verbouwing van de woning die [gedaagde 1] voor erflaatster zou hebben voorgeschoten. Daarnaast stelt [gedaagde 1] een vordering te hebben op de nalatenschap van erflaatster ter hoogte van € 10.844,29 voor tweedehands spullen die hij voor erflaatster heeft gekocht en betaald. [gedaagde 1] heeft ter onderbouwing van beide vorderingen een overzicht overgelegd van de gekochte materialen. Uit deze overzichten volgt dat de laatste door [gedaagde 1] gestelde voorgeschoten kosten dateren uit april 2016. [de eisers] hebben in dat kader terecht een beroep gedaan op verjaring van deze vorderingen. Gesteld noch gebleken is dat de verjaring van deze vorderingen door [gedaagde 1] is gestuit. Voor zover de vorderingen van [gedaagde 1] op erflaatster hebben bestaan – [de eisers] betwisten dit – waren deze derhalve al verjaard voor het overlijden van erflaatster, namelijk in april 2021. Deze door [gedaagde 1] gestelde vorderingen worden daarom niet meegenomen bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap van erflaatster. Uitvaartkosten 2.6. Tussen partijen is in geschil wat de omvang van de uitvaartkosten is geweest. [gedaagde 1] heeft een factuur overgelegd van uitvaartbegeleiding Sterrenregen. Uit deze factuur volgt – na verrekening met de uitkering uit hoofde van de uitvaartverzekering – een totaal aan kosten van € 732,55. Volgens [de eisers] zijn dit de uitvaartkosten waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van hun legitieme portie. [gedaagde 1] stelt dat de totale uitvaartkosten hoger waren. Hij heeft diverse bonnetjes in het geding gebracht die volgens hem ook betrekking hadden op de uitvaart. Zonder nadere onderbouwing van [gedaagde 1] – die ontbreekt – valt echter niet in te zien dat dit kosten zijn in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder b BW. Onduidelijk is immers waarvoor deze kosten in aanvulling op de kosten van Sterrenregen zijn gemaakt. De rechtbank gaat daarom uit van uitvaartkosten ter hoogte van € 732,55. Schenkingen 2.7. [de eisers] stellen nog dat bij het bepalen van de omvang van hun legitieme portie rekening gehouden moet worden met giften. Zoals overwogen in rechtsoverweging 4.25 van het tussenvonnis hebben [de eisers] onvoldoende onderbouwd dat voor het overlijden van erflaatster giften zijn gedaan. 2.8. Voor zover [de eisers] hebben betoogd dat het bestaan van schenkingen blijkt uit een toename van de hypotheekschuld in de periode na het overlijden van erflater, kan dit betoog niet slagen. Het enkele verkrijgen door erflaatster van financiële ruimte betekent niet dat zij deze ruimte vervolgens heeft benut om schenkingen te doen. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig, die ontbreken. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling nadrukkelijk door [gedaagde 3] toegelicht dat erflaatster niet goed met geld kon omgaan, boven haar stand leefde en beperkt moest worden in het aangaan van schulden. Deze omstandigheden maken het aannemelijk dat erflaatster het geld zelf heeft uitgegeven, zodat er des te minder aanleiding is om zonder nadere aanwijzingen aan te nemen dat erflaatster met de toegenomen financiële ruimte schenkingen zou hebben gedaan. Afwikkelingskosten 2.9. Bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap van erflaatster nemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] € 11.632,00 aan afwikkelingskosten mee. Uit de omschrijving volgt dat dit gaat om kosten van mr. Ceelen en administratiekantoor [administratiekantoor] . 2.10. Bij de berekening van de legitimaire massa moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten van de executele en de kosten van de vereffening. Op grond van de wet moet bij het berekenen van de legitimaire massa met de kosten van de executele geen, en met die van de vereffening wel rekening worden gehouden (artikel 4:65 BW in samenhang met artikel 4:7 lid 1 onder c en d BW). 2.11. De rechtbank kan op basis van de ingenomen stellingen en de overgelegde stukken (nota’s ten aanzien van de advocaatkosten en een overzichtspagina met kosten van de boekhouder) niet vaststellen dat hier sprake is van vereffeningskosten.