Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-16
ECLI:NL:RBGEL:2025:11942
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,531 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11942 text/xml public 2026-03-23T15:10:55 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-05-16 05/033195-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11942 text/html public 2026-03-23T10:23:41 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11942 Rechtbank Gelderland , 16-05-2025 / 05/033195-25 De rechtbank veroordeelt een 34-jarige man voor mishandeling, diefstal en vernieling. Zij spreekt verdachte vrij van een poging zware mishandeling. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/033195-25 Datum uitspraak : 16 mei 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats. raadsman: mr. J. Soentjens, advocaat in ‘s-Heerenberg. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] - meermalen (met gebalde vuist) in het gezicht en/of op het hoofd en/of op/tegen het (boven)lichaam heeft geslagen/gestompt en/of - meermalen met geschoeide voet in het gezicht en/of op het hoofd en/of op/tegen het (boven)lichaam heeft geschopt/getrapt en/of - met een fles tegen de rug en/of het lichaam heeft geslagen en/of - met het gezicht en/of hoofd op/tegen de glasscherven op de grond heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] - meermalen (met gebalde vuist) in het gezicht en/of op het hoofd en/of op/tegen het (boven)lichaam te slaan/stompen en/of - meermalen met geschoeide voet in het gezicht en/of op het hoofd en/of op/tegen het (boven)lichaam te schoppen/trappen en/of - met een fles tegen de rug en/of het lichaam te slaan en/of - met het gezicht en/of hoofd op/tegen de glasscherven op de grond te duwen; 2. hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een mobiele telefoon (van het merk Samsung en/of het type Galaxy S24 Ultra), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Arnhem, opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur en/of de ruit in de voordeur van de woning van [aangever] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, en/of onbruikbaar gemaakt. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte is op 25 januari 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van [aangever] , gelegen aan [adres] , gegaan. Vervolgens zijn verdachte en medeverdachte de woning binnengegaan. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 2 tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Beoordeling van het onder feit 1 tenlastegelegde Bewijsmiddelen [slachtoffer] heeft aangifte gedaan. Hij zag dat er twee gasten naar binnen stormden. Deze personen sloegen hem meerdere malen op zijn hoofd, middenrif en armen. Daarnaast voelde hij meerdere trappen met geschoeide voet tegen zijn hoofd en bovenlichaam. Getuige [aangever] verklaarde dat zij zag dat verdachte en de medeverdachte de woning binnenkwamen en met hun vuisten op [slachtoffer] begonnen in te slaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een aandeel heeft gehad in het slaan op het hoofd en lichaam van de aangever. Conclusie De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met zijn medeverdachte meerdere malen op het hoofd en lichaam van de aangever heeft gestompt en geschopt. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het met een fles tegen de rug en/of het lichaam te slaan en met het gezicht en/of hoofd tegen de glasscherven op de grond te duwen. De verklaringen van [slachtoffer] en [aangever] lopen uiteen over het slaan met een fles tegen de rug en/of het lichaam. Daarnaast blijkt uit het medisch rapport niet van verwondingen die zouden passen bij het letsel van een gezicht in glasscherven op de grond duwen, welk letsel echter wel voor hand zou hebben gelegen bij deze handeling. De verdachte ontkent deze gedraging ook. Derhalve zal de rechtbank daarvoor in zoverre vrijspreken. Poging tot zware mishandeling Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot zware mishandeling moet onder meer sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat het stompen en schoppen op het hoofd en bovenlichaam van [slachtoffer] geen aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk in het leven heeft geroepen. Nu niet is vast komen te staan met welke kracht er is geslagen en geschopt, tegen welke plaatsen van het hoofd en/of lichaam de trappen gericht waren en wat voor soort schoenen de verdachte en zijn medeverdachte aanhadden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Medeplegen De rechtbank stelt in dit verband voorop dat voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Verdachten reden samen naar de woning van [aangever] toe, waar zij samen de woning zijn binnengegaan. Hieraan voorafgaand had een telefoongesprek tussen verdachte en [slachtoffer] plaatsgevonden dat de medeverdachte niet was bevallen en de aanleiding leek te zijn voor de confrontatie. Verdachten gingen dus naar de woning van [aangever] met een doel. In die woning hadden zij beiden een aandeel in het geweld tegen [slachtoffer] .
Volledig
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte kan daarom als medepleger van de mishandeling worden aangemerkt. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. De rechtbank ziet voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde. Beoordeling van het onder feit 2 tenlastegelegde Bewijsmiddelen [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn telefoon, een Samsung Galaxy S24 Ultra. [slachtoffer] verklaarde dat zijn telefoon tijdens het incident werd gepakt door verdachte. [slachtoffer] voelde dat verdachte de vingers losmaakte waarmee [slachtoffer] zijn telefoon vast had. Getuige [aangever] verklaarde dat het niet anders kan dan dat verdachte de telefoon van [slachtoffer] heeft gepakt. In een WhatsApp-gesprek tussen [aangever] en verdachte op 25 januari 2025 worden onder andere de volgende berichten verstuurd: Verdachte om 15:43 uur: ‘ Wil je die telefoon terug van die kanker mogool reageer’ Verdachte om 15:44 uur: ‘Ik ga voor zware mishandeling en woning overval naar binnen’ Conclusie De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte de telefoon van aangever heeft weggenomen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte zoals hiervoor beschreven, kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich de telefoon wederrechtelijk toe te eigenen. Derhalve ziet de rechtbank voldoende en wettig en overtuigend bewijs voor het onder feit 2 tenlastegelegde. Beoordeling van het onder feit 3 tenlastegelegde Er is sprake van een bekennende verdachte zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 55-57; - de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 mei 2025. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer ander en , althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] - meermalen ( met gebalde vuist ) in het gezicht en /of op het hoofd en /of op/ tegen het ( boven ) lichaam te slaan/ stompen en/of - meermalen met geschoeide voet in het gezicht en /of op het hoofd en /of op/ tegen het ( boven ) lichaam te schoppen /trappen en /of - met een fles tegen de rug en/of het lichaam te slaan en/of - met het gezicht en/of hoofd op/tegen de glasscherven op de grond te duwen ; 2. hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een mobiele telefoon ( van het merk Samsung en/of het type Galaxy S24 Ultra ), in elk geval enig goed, dat /die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde (n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3. hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Arnhem, opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur en/of de ruit in de voordeur van de woning van [aangever] , in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan die [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde (n) heeft vernield, beschadigd , en/of onbruikbaar gemaakt . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 subsidiair: mishandeling, in vereniging gepleegd, feit 2: diefstal, feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen. 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport. De officier heeft dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat een gevangenisstraf voor de duur van de voorlopige hechtenis met een voorwaardelijke straf, als stok achter de deur, voldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling in vereniging, diefstal en vernieling. De feiten vonden plaats als een volstrekt onverwachte en zinloze geweldsuitbarsting Voor het geweld waarvan aangever [slachtoffer] het slachtoffer werd, is de door verdachte en zijn medeverdachte geen enkele verklaring gegeven maar lijkt te zijn gelegen in een eerder gevoerd telefoongesprek met de medeverdachte waarbij aangever juist een escalatie wilde voorkomen. Verdachte had hier helemaal niets mee te maken. Het geweld vond plaats in de woning van aangeefster [aangever] , een ex-partner van zowel verdachte als de medeverdachte, waar zij zijn binnengedrongen nadat de verdachte de ruit van de voordeur heeft vernield. Verdachte heeft hierbij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer, dat door de mishandeling immers lichamelijk letsel heeft opgelopen. De situatie moet voor het slachtoffer buitengewoon dreigend zijn geweest en gevoelens van onveiligheid hebben opgeroepen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers hiervan bij hun dagelijks functioneren nog lange tijd de gevolgen kunnen ondervinden. De gevolgen van de geweldshandelingen zijn door het slachtoffer indringend benadrukt tijdens de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is afgelegd. Verdachte mag van geluk spreken dat het geweld niet tot nog ernstigere gevolgen heeft geleid.. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met zijn handelen angst gecreëerd heeft bij de betrokkenen die zich in het huis bevonden waar verdachte en zijn medeverdachte binnenvielen. Deze betrokkenen hebben na het incident ondergedoken gezeten, omdat zij niet wisten waartoe verdachte in staat was. De rechtbank merkt op dat zij van oordeel is dat het zwaartepunt in deze zaak ligt bij de mishandeling, maar wil benadrukken dat ook diefstal en vernieling vervelende feiten zijn. Verdachte laat hiermee zien geen respect te hebben voor andermans goederen en eigendom. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte Op 24 april 2025 heeft Iriszorg een adviesrapportage over verdachte uitgebracht. Hieruit blijkt dat verdachte een meewerkende houding bij de reclassering laat zien. Verdachte is open en geeft aan tegen welke moeilijkheden hij aanloopt. Verdachte is bezig met het herkrijgen van een Wajong-uitkering en om afspraken te maken met een arbeidscoach van het UWV. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: Meldplicht bij de reclassering; Ambulante behandeling; Begeleid wonen of maatschappelijke opvang; Contactverbod; Locatieverbod; Dagbesteding.
Volledig
Conclusie Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet worden volstaan met het opleggen van een andere straf dan een gevangenisstraf. Bij de strafbepaling wijkt de rechtbank af van de strafeis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, met proeftijd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, passend is. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 24 april 2025, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod, locatieverbod en dagbesteding. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan. Het was immers een uitbarsting van geweld na een ogenschijnlijk redelijk onbenullige aanleiding, die ook verdachte zelf niet heeft kunnen uitleggen. Waarschijnlijk heeft het iets te maken met zijn vroegere relatie met de aangeefster. Verdachte heeft kennelijk een kort lontje, zeker na het gebruik van alcohol en/of drugs. Daarom zal zij bevelen dat de te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. 8 De beoordeling van de civiele vorderingen De vordering van benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met mishandeling en diefstal een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.880,85 aan materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen voor zover de vordering ziet op de kosten voor de telefoon, nu er voor dit deel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Overweging van de rechtbank Materiele schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de vordering wat betreft de kosten voor de telefoon à € 1.202,41, kosten voor het telefoonhoesje à € 49,99, de kosten voor kleding á € 184,90, overige kosten á € 58,55 en de kosten voor eigen risico € 385,- (tot een hoogte van € 1.880,85) kan worden toegewezen. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Smartengeld Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de mishandeling is de benadeelde lichamelijk letsel toegebracht. Hij heeft meerdere blauwe plekken op hoofd en elleboog en zwellingen op zijn oor en lip. Naast dit letsel is gesteld en ook voorstelbaar dat de ernstige normschending ernstige gevolgen voor de benadeelde partij heeft. Hierdoor is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.500,- vaststellen. Verdachte is vanaf 25 januari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventuele toegekende proceskosten zijn daarbij niet inbegrepen. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag – met uitzondering van de kosten van de telefoon en het telefoonhoesje - (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed. De vordering van de benadeelde partij [aangever] De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 680,66 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk dient te worden afgewezen. Aangezien de vloer zes jaar oud is, is de vordering voor de helft toewijsbaar. Overweging van de rechtbank Materiele schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor de kosten voor de vloer á € 680,66 kan worden toegewezen. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. In dat kader merkt de rechtbank in het bijzonder op dat slechts de kosten van het beschadigde vinyl zijn gevorderd, terwijl de kosten om de oude vloer te verwijderen en de nieuwe te leggen niet zijn gevorderd. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Verdachte is vanaf 25 januari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventuele toegekende proceskosten zijn daarbij niet inbegrepen. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 60a, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Volledig
10 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat: o verdachte zich uiterlijk binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Iriszorg op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zolang de instelling dat noodzakelijk acht; o verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Iriszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; o verdachte gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, zal verblijven bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich zal houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld; o verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: - [aangever] geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] en - [slachtoffer] geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] , tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig acht; o verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt op de [adres] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig acht; o verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, vrijetijdsbesteding of een opleiding, met vaste structuur; geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan; beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis; De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] veroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.880,85 aan materiële schade en € 2.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 4.380,85 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 53 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; De vordering van de benadeelde partij [aangever] veroordeelt verdachte in verband met de mishandeling tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 680,66 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 680,66 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 13 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.W. van de Meerakker (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.H. Boshuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 mei 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025037791, gesloten op 10 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 mei 2025. Proces-verbaal aangifte, p. 75. Proces-verbaal verhoor getuige, p.56. Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 mei 2025. Proces-verbaal aangifte, p. 76. Proces-verbaal verhoor getuige, p. 56. Een afschrift van een WhatsApp-gesprek, p.63.