Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-12-22
ECLI:NL:RBGEL:2025:11828
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/189551-24 Datum uitspraak : 22 december 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] (Polen), wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats]. Raadsman: mr. J. Velthoven, advocaat in Tiel. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),komende uit de richting van Nederhemert-Noord, gaande in de richting van de Zuilichem, daarmede heeft gereden over de Maas-Waalweg, roekeloos, althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij ter plaatse bekend was en/of terwijl hij in/door een (flauwe) bocht reed, heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 159 kilometer per uur en/of in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) (een) (dubbele) doorgetrokken stre(e)p(en), die zich tussen de rijstroken bevond(en), heeft overschreden en/of (daarbij) een ander voertuig heeft ingehaald en/of heeft gereden over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer, waardoor een voetganger aan de kant sprong/moest springen en/of een (tegemoetkomend) voertuig moest uitwijken en/of zijn voertuig niet of onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met het door hem bestuurde voertuig in een slip is geraakt en/of in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een middengeleider en/of een (zich daarop bevindend) (verkeers)bord/paal en/of (vervolgens) in strijd met artikel 62 jo bord D1 en/of D2 van bijlage I RVV90 een rotonde in tegengestelde richting is opgereden, althans met het door hem bestuurde voertuig aan de linkerzijde van die rotonde terecht is gekomen en/of (vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (frontaal) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto), terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van Nederhemert-Noord, gaande in de richting van de Zuilichem, daarmede heeft gereden over de Maas-Waalweg, terwijl hij ter plaatse bekend was en/of terwijl hij in/door een (flauwe) bocht reed,heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilo die rotonde terecht is gekomen en/of (vervolgens) in strijd met artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (frontaal) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto), terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; 2.hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, gemeente Zaltbommel, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1310 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 7 juni 2024 omstreeks 20:19 uur vond een verkeersongeval plaats op de Maas-Waalweg in Aalst, waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur geldt. Bij het ongeval waren verdachte, de bestuurder van een personenauto, een zwarte Audi A3 met kenteken [kenteken 1], en [slachtoffer], de bestuurder van een witte Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2], betrokken. De Audi kwam uit de richting van Nederhemert-Noord en reed in de richting van Zuilichem. De Maas-Waalweg is, bij het naderen van de rotonde in noordelijke richting, door middel van een dubbele doorgetrokken streep verdeeld in twee rijstroken voor verkeer in beide richtingen. De weg buigt af in een flauwe bocht naar rechts. Ter hoogte van de aansluiting naar de rotonde bevindt zich een middengeleider op de weg, waarop een verkeerszuil was geplaatst. Op de plaats van het ongeval waren de borden D02-RO (gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) en D01 (rotonde; verplichte rijrichting) van toepassing. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, waarbij volgens de officier van justitie de mate van schuld dient te worden gekwalificeerd als roekeloosheid. Bij het slachtoffer was sprake van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Ook het onder 2 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsman heeft hierbij de kanttekening geplaatst dat primair sprake is van een zeer hoge mate van schuld en subsidiair van een lichte vorm van roekeloosheid. Ten aanzien van het letsel heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 De bewijsmiddelen Verbalisanten hebben onderzoek gedaan naar het verkeersongeval. Aan de hand van hun bevindingen over de sporen op het wegdek, aan het wegmeubilair en de schade en de sporen aan de Audi, alsmede van de analyse van de EDR-data van de Audi, stellen zij vast dat de Audi bij het naderen van de rotonde met een door het voertuig geregistreerde snelheid van 159 kilometer per uur reed. De bestuurder van de Audi had kennelijk geen, althans onvoldoende, controle meer over zijn voertuig, waardoor de Audi in de flauwe bocht in een (beginnende) slip raakte en deels op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtkwam. V De auto kwam recht op hem af, waardoor [getuige 2] met zijn auto moest uitwijken en volledig de berm in moest rijden. Toen [getuige 2] later die avond terug kwam, zag hij dat dezelfde Audi betrokken was bij een frontale aanrijding. Verdachte heeft verklaard dat hij de Audi A3 bestuurde ten tijde van het verkeersongeval. Hij was onder invloed van alcohol. Verdachte kent die weg (de rechtbank begrijpt: de Maas-Waalweg) erg goed. Hij heeft over een afstand van 4 kilometer gereden met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur, maar het kan ook 170 kilometer per uur zijn geweest. Op 7 juni 2024 om 21:50 uur is een ademanalyse bij verdachte afgenomen met een resultaat van 1.310 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Bewijsoverwegingen Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op de tenlastegelegde datum en plaats een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij uit de richting van Nederhemert-Noord kwam en ging in de richting van Zuilichem. Verdachte was ter plaatse bekend. Het alcoholgehalte in zijn adem bedroeg 1.310 microgram per liter uitgeademde lucht. Daarmee bevond hij zich in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de WVW 1994. Terwijl hij in/door een flauwe bocht reed, heeft hij gereden met een snelheid van ongeveer 159 kilometer per uur, aanzienlijk hoger dan de maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Hij heeft in strijd met artikel 76 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) een dubbele doorgetrokken streep overschreden en een ander voertuig ingehaald. Daarbij heeft hij gereden over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer. Hierdoor moest een voetganger aan de kant springen en moest een tegemoetkomend voertuig uitwijken naar de berm. Verdachte kon zijn voertuig niet of onvoldoende onder controle houden en is met zijn voertuig in een slip geraakt. Vervolgens is hij gebotst tegen een middengeleider en het verkeersbord/paal dat zich daarop bevond. Daarmee heeft hij in strijd met artikel 19 RVV 1990 de snelheid van zijn voertuig niet zodanig geregeld dat hij in staat was het tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Vervolgens is hij de rotonde in tegengestelde richting opgereden, dit in strijd met artikel 62 RVV 1990 en borden D1 en D2 van bijlage I van het RVV 1990. Ook daarna heeft hij zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Vervolgens is verdachte frontaal gebotst tegen de Volkswagen Polo van [slachtoffer]. De mate van schuld van verdachte Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Bij de beantwoording van deze vraag komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld. Van roekeloosheid is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn. Met de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175, tweede lid WVW 1994 bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a WVW 1994 Om vast te kunnen stellen dat het verkeersgedrag van verdachte voldoet aan de Verdachte heeft daarmee zowel opzet gehad op het schenden van de verkeersregels, als op de ernstige mate van schending daarvan. d. gevaar te duchtenOm vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat het voorzienbaar is dat er zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan of mensen zelfs kunnen overlijden wanneer iemand, die onder invloed is van veel te veel alcohol, op een weg waar 80 kilometer per uur mag worden gereden over een afstand van 4 kilometer rijdt met een snelheid van meer dan 150 kilometer per uur en daarbij ook nog eens gevaarlijk inhaalt en tegen de verkeersrichting inrijdt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was. Conclusie De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere in artikel 5a WVW 1994 genoemde gedragingen, namelijk gevaarlijk inhalen, overschrijding van de maximumsnelheid en tegen de verkeersrichting inrijden. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verdachte reed onder invloed van bijna zes keer meer alcohol per liter uitgeademde lucht dan is toegestaan. Omdat ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW 1994 is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW 1994. De kwalificatie van het letsel van [slachtoffer] Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] last gehad van pijn in zijn rug en nek. Hierdoor kon hij twee maanden lang zijn werk als stratenmaker niet uitoefenen. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Conclusie De rechtbank acht het primair tenlastegelegde bewezen, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte roekeloos heeft gereden en dat [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Feit 2 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 164-165; - een geschrift, te weten een afdruk van een gekalibreerd ademanalyseapparaat op naam van verdachte, p. 168; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 december 2025. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. primairhij op of omstreeks 7 juni 2024 te Aalst, in de gemeente Zaltbommel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),komende uit de richting van Nederhemert-Noord, gaande in de richting van de Zuilichem, daarmede heeft gereden over de Maas-Waalweg, roekeloos , althans zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij ter plaatse bekend was en /of terwijl hij in/door een ( flauwe ) bocht reed, heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van ( ongeveer ) 159 kilometer per uur en /of in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV90) ( een ) ( dubbele ) doorgetrokken stre ( e ) p (en) , die zich tussen de rijstroken bevond (en) , heeft overschreden en /of ( daarbij ) een ander voertuig heeft ingehaald en /of heeft gereden over de weghelft voor Verder heeft verdachte sinds 1 november van dit jaar een nieuwe baan, die hij in geval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook zou kwijtraken. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag door bijna twee keer zo hard te rijden als ter plaatse was toegestaan, gevaarlijk in te halen en tegen de verkeersrichting in te rijden. Uiteindelijk is de auto van verdachte in een slip geraakt en is hij op de middengeleider, en het verkeersbord dat daarop stond, gebotst. Hierdoor werd de auto van verdachte gelanceerd en kwam hij aan de verkeerde kant van de rotonde terecht. Vervolgens is verdachte frontaal op de auto van het slachtoffer gebotst. Verdachte was ook nog eens onder invloed van alcohol, te weten 1.310 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, bijna zes keer zoveel als toegestaan. Verdachte heeft meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan. Daarmee heeft hij de overige weggebruikers in gevaar gebracht en letsel toegebracht aan het slachtoffer, dat daardoor twee maanden niet kon werken. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Dat de gevolgen niet ernstiger zijn, is enkel aan geluk te danken. De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte Verdachte woont al zeventien jaar in Nederland. Onderhavige zaak is zijn eerste contact met politie en justitie. Verdachte woont in een huurhuis met een andere persoon, die mede afhankelijk is van het inkomen van verdachte om die woning te behouden. Hij heeft sinds 1 november 2025 een nieuwe baan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou ertoe leiden dat hij zowel zijn woning als zijn baan zou verliezen. Verdachte is zijn rijbewijs 181 dagen kwijt geweest. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij sinds het ongeval geen auto meer rijdt en geen alcohol meer drinkt. Hij denkt nog dagelijks terug aan het ongeval. Conclusie Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank constateert dat in deze zaak pas na ongeveer anderhalf jaar na de pleegdatum uitspraak wordt gedaan en dat de gevolgen voor het slachtoffer gelukkig beperkt zijn gebleven. Daarbij komt dat verdachte zelf last heeft gehad van het ongeluk en hiervan geleerd heeft. Gelet hierop, evenals de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank het niet opportuun om in het geval van deze verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. In plaats daarvan zal de rechtbank hem veroordelen tot de maximale taakstraf, een fikse voorwaardelijke gevangenisstraf en de door de officier van justitie geëiste ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank veroordeelt verdachte tot: een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest. 8 De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,- aan materiële schade (die uiteenvalt in onder meer de schadeposten van een telefoon à € 1.500,-, en diverse kledingstukken met een totale geschatte waarde van € 1.350,-) en € 5.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de materiële s