Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-12-17
ECLI:NL:RBGEL:2025:11766
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/459173 / KG ZA 25-403 Vonnis in kort geding van 17 december 2025 in de zaak van 1 ZORG SAAM B.V. , statutair gevestigd te Nijmegen , hierna afzonderlijk te noemen: Zorg Saam ,2. [eiseres 2] , wonende te [woonplaats] , hierna afzonderlijk te noemen: [eiseres 2] , eisende partijen, hierna samen te noemen: Zorg Saam c.s. , advocaat: mr. P.A. Bonaparte, tegen de coöperatie VGZ U.A. , statutair gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem, gedaagde partij, hierna te noemen: VGZ, advocaat: mr. C.E. van Staveren. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 33, - producties 1 tot en met 18 van VGZ, - de mondelinge behandeling van 3 december 2025,- de pleitnota van Zorg Saam c.s. ,- de pleitnota van VGZ. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort Zorg Saam verleent wijk- en thuiszorg en [eiseres 2] is haar bestuurder en enig aandeelhouder. Naar aanleiding van een fraudeonderzoek heeft zorgverzekeraar VGZ de persoons- en bedrijfsgegevens van Zorg Saam c.s. opgenomen in het Extern Verwijzingsregister (EVR), het Incidentenregister (IR) en de Gebeurtenissenadministratie (GA). In dit kort geding vordert Zorg Saam c.s. dat VGZ wordt veroordeeld tot verwijdering van haar gegevens uit de registers, op straffe van verbeurte van een dwangsom en veroordeling van VGZ in de volledige proceskosten. De vorderingen van Zorg Saam c.s. zullen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom. Eerst wordt een overzicht gegeven van de feiten. 3 De feiten 3.1. Zorg Saam verleent niet-gecontracteerde zorg aan verzekerden van VGZ. De zorg wordt verleend op basis van zorgovereenkomsten tussen Zorg Saam en de verzekerden. Tussen Zorg Saam en VGZ zijn geen (zorgaanbieders)overeenkomsten gesloten. 3.2. In 2021 heeft VGZ een controle (hierna: de materiële controle) uitgevoerd naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van de declaraties van Zorg Saam . Op 20 juli 2021 is dit onderzoek afgerond. VGZ heeft Zorg Saam c.s. bij brief van 20 juli 2021 meegedeeld dat is gebleken dat zorgplannen, dagrapportages en diploma’s van zorgmedewerkers ontbreken en dat zij een vorderingsbedrag van € 89.897,00 heeft vastgesteld. 3.3. Bij brief van 14 juni 2023 heeft VGZ Zorg Saam c.s. bericht dat het dossier is overgedragen aan de afdeling veiligheidszaken van VGZ en dat een onderzoek in de zin van artikel 7.10 van de Regeling Zorgverzekering (Rzv) zal worden gestart naar de declaraties voor verpleging en verzorging over de jaren 2019 tot en met 30 september 2023. Ten behoeve van dit onderzoek heeft VGZ Zorg Saam c.s. bij brief van 31 oktober 2023 om documenten en informatie verzocht van in totaal 11 cliënten die bij haar zijn verzekerd en zorg – verleend door Zorg Saam – hebben gedeclareerd. De opgevraagde documenten betroffen urenregistraties, diploma’s, dagrapporten en werkroosters. 3.4. Bij brief van 22 oktober 2024 heeft VGZ Zorg Saam c.s. geïnformeerd over haar voorlopige bevindingen van het fraudeonderzoek en Zorg Saam c.s. tot uiterlijk 5 november 2024 de tijd gegeven om daarop te reageren. 3.5. Op 10 november 2024 heeft Zorg Saam c.s. een uitgebreide reactie gegeven op de voorlopige bevindingen van VGZ. Zij heeft daarin vermeld dat het onderzoek door de Inspectie Gezondheid en Jeugd (IGJ) naar een gemelde calamiteit naar behoren is afgerond, uit een opgenomen telefoongesprek volgt dat beschuldigingen en meldingen aan VGZ en de IGJ uit wraakgevoelens door een voormalig werkneemster van Zorg Saam zijn gedaan en dat medewerkster [naam 1] wel degelijk over een diploma beschikt en dit door VGZ bij Uitzendbureau Randstad kan worden opgevraagd. 3.6. In reactie daarop heeft VGZ bij brief van 3 december 2024 aan Zorg Saam c.s. verzocht om aanvullende informatie te verstrekken, te weten i) de opname van het telefoongesprek met de voormalig werkneemster [naam 2] van 10 maart 2023 ii) via welke vestiging van Randstad Uitzendbureaus [naam 1] bij Zor In het telefoongesprek dat de afdeling Veiligheidszaken op 4 september 2024 met [naam 2] had, heeft [naam 2] verklaard dat zij nooit meer contact heeft opgenomen/gehad met Zorg Saam na haar melding bij de IGJ. Zij heeft de aantijging niet ingetrokken. Uit navraag bij de IGJ blijkt dat de melding inderdaad niet door de melder is ingetrokken • Meer zorg declareren dan feitelijk geleverd: in de anonieme melding is vermeld dat Zorg Saam meer zorg declareert dan feitelijk wordt geleverd. Dit wordt bevestigd in het telefoongesprek door [naam 2] en blijkt ook uit de enquête die is gevuld door uw client [naam 5] en uit de analyse van de documenten van [naam 5] die in bezit zijn van de afdeling Veiligheidszaken. Zowel het aantal uren als het aantal dagen dat zorg zou zijn geleverd aan [naam 5] en door Zorg Saam in rekening is gebracht, wijken af (aanzienlijk meer) van hetgeen [naam 5] op diens enquête heeft ingevuld. De zorgvraag van [naam 5] is aanzienlijk minder dan de zorg die voorheen door Zorg Saam in rekening werd gebracht sinds hij is overgestapt naar een andere zorgaanbieder. (…) Uw reactie op de voorlopige bevindingen In uw brief die de afdeling Veiligheidszaken ontving op 14 november 2024 heeft u gereageerd op de voorlopige bevindingen. Wij zullen puntsgewijs ingaan op de verklaringen/standpunten in uw brief. (…) Definitief Standpunt Op 22 oktober 2024 hebben wij onze voorlopige bevindingen voortkomend uit ons onderzoek met u gedeeld. Wij zien in de argumenten die u heeft aangedragen in de brief die wij op 14 november 2024 hebben ontvangen geen reden om deze bevindingen te herzien. De voorlopige bevindingen uit de brief van 22 oktober 2024 die niet zijn besproken, beschouwen wij als herhaald en ingelast. Dit alles brengt ons tot het volgende definitieve standpunt. Er is zorg in rekening gebracht die niet is geleverd door Zorg Saam . Er is zorg ingezet door personeel zonder een geldend diploma verzorgende niveau 3,3 VIG of verpleegkundige niveau 4 of 5. In deze gevallen is sprake van zorginzet door onbevoegd personeel. Er is zorg ingezet door stagiaires en helpenden. Dit kan leiden tot tekortkomingen in de kwaliteit van de geleverde zorg en kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid/veiligheid van cliënten. Zorg Saam heeft geen deugdelijke administratie gevoerd waaruit blijkt welke prestaties, wanneer, door wie en aan welke verzekerden zijn geleverd. Een audit trail is niet mogelijk. Conclusie Wij stellen ons op het standpunt dat de door Zorg Saam gedeclareerde zorg niet of niet aantoonbaar voldoet aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving en onrechtmatig is. Uw verklaringen komen niet overeen met of zijn tegenstrijdig aan de documenten of informatie/verklaringen die de afdeling Veiligheidszaken heeft ontvangen en er is gebruik gemaakt van documenten die niet naar waarheid zijn opgemaakt. Dit alles is gedaan met als doel VGZ te misleiden. Wij constateren dat er sprake is van zorgfraude en frauduleuze bedrijfsvoering. Zorg Saam heeft gehandeld in strijd met artikel 35 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), waaruit volgt dat een zorgaanbieder geen prestaties in rekening mag brengen die feitelijk niet zijn geleverd en/of waarop geen recht bestaat. Zorg Saam , heeft in strijd gehandeld met artikel 36 Wmg. Op grond van dit artikel dient een zorgaanbieder een deugdelijke administratie te voeren waaruit blijkt welke prestaties, wanneer, aan welke verzekerden zijn verleend. (…) U als bestuurder van Zorg Saam B.V. met KvK 70127247 (een professionele zorgonderneming), wist of behoorde te weten dat niet aan de eisen werd voldaan om in aanmerking te komen voor een vergoeding van de gestelde geleverde zorg. Er is namelijk niet voldaan aan de eisen die aan een dergelijke vergoeding worden gesteld en U wordt geacht om van deze eisen op de hoogte te zijn (geweest), vanuit uw verantwoordelijkheid voor het leveren van verantwoorde en goede zorg. VGZ heeft hierdoor schade geleden. Verder heeft VGZ medegedeeld dat is besloten het Het in artikel 4.1.1 PIFI omschreven doel houdt in: “ 'Het geheel aan Verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn: • op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de Financiële Instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de Financiële Instelling behoort, van de Financiële Instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers; • op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de Financiële Instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de Financiële Instelling behoort, de Financiële Instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers; • op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen .” 4.7. Bij de vastlegging in het Incidentenregister moeten het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel in acht worden genomen (artikel 4.1.2 PIFI). 4.8. Het EVR is een aan het Incidentenregister gekoppeld verwijzingssysteem waardoor de door een deelnemer in het Incidentenregister vastgelegde gegevens via een “hit-no hit” systeem opvraagbaar worden voor (de veiligheidsfunctionaris van) een andere aangesloten instelling. 4.9. Voor vastlegging van gegevens in het EVR is vereist (artikel 5.2.1 PIFI): “ a De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector. b In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar. c Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen .” 4.10. Over de toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit vermeldt de toelichting op het PIFI (p. 42):“ Het beginsel van proportionaliteit noopt tot een zorgvuldige afweging tussen de diverse belangen. Het subsidiariteitsbeginsel betekent dat de Persoonsgegevens in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de Verwerking van Persoonsgegevens Betrokkene minder inbreukmakende wijze kunnen worden verwerkt. Relevante belangen voor het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel in deze (kunnen) onder andere zijn: de instandhouding en werking van (de doelstellingen) van het Waarschuwingssysteem; de aard van het gewraakte gedrag in het licht van de doelstellingen van het Protocol (Arrest HR Santander); de (potentiële) impact van het gewraakte gedrag; en de persoon van de Betrokkene. Ook ten aanzien van de duur moet worden getoetst of het belang van opname prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens. De aard van de Incidenten rechtvaardigt in beginsel een opnameduur van 8 jaar in het EVR. Van deze termijn kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, die door de Deelnemer worden beoordeeld. ” 4.11. In een arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009 gaat het over de verwerking van strafrechtelijke gegevens. In dat arrest overweegt de Hoge Raad in r.o. 4.4.: “ Voorts heeft het hof terecht onder 'strafrechtelijke persoonsgegevens' verstaan ‘zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin van art. 350 Sv. - kunnen dragen’ en in dat verband - evenzeer terecht - als maatstaf genomen of de vastgestelde gedra Niet is gesteld dat naast de uitkomsten van het fraudeonderzoek ook de uitkomsten van de materiële controle in 2021 ten grondslag liggen aan de registraties waarvan in dit kort geding verwijdering wordt gevorderd. Wat partijen over de materiële controle naar voren hebben gebracht zal daarom verder buiten beschouwing worden gelaten. Daar komt bij dat het betoog van Zorg Saam c.s. dat uit eerdere betalingen de rechtmatigheid van de declaraties volgt, niet slaagt. In de rede ligt immers, zoals VGZ op de zitting heeft uitgelegd, dat controles naar de rechtmatigheid van declaraties in dit geval niet voorafgaand aan de uitbetaling hiervan aan de verzekerden maar achteraf op basis van nacontroles plaatsvinden. 4.15. In de wet staat dat de zorgaanbieder verplicht is zijn medewerking te verlenen aan fraudeonderzoek. Onder een fraudeonderzoek wordt verstaan: “een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de verzekerde of de zorgaanbieder valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van bij de totstandkoming of uitvoering van een overeenkomst van zorgverzekering betrokken personen en organisaties met het doel een prestatie, vergoeding, betaling of ander voordeel te krijgen waarop de verzekerde dan wel de zorgaanbieder geen recht heeft of recht kan hebben.” 4.16. Voor het verrichten van onderzoek zijn zorgverzekeraars afhankelijk van het verstrekken van een deugdelijke administratie door de zorgaanbieder. Artikel 36 Wmg regelt dat zorgaanbieders een administratie moeten voeren waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden. Artikel 4 lid 2 van de Regeling verpleging en verzorging bepaalt dat de administratieve organisatie zodanig ingericht dient te zijn dat een audit trail mogelijk is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten, zo vermeldt dit artikellid, te allen tijde de mogelijkheid hebben om de administratie met betrekking tot de geleverde zorg te controleren. 4.17. Ten eerste heeft VGZ voldoende aannemelijk gemaakt dat Zorg Saam c.s. niet aan haar administratieverplichting heeft voldaan en het verrichten van een audit trail niet mogelijk was. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij, bij productie 9, een overzicht van opgevraagde versus ontvangen documenten in het geding gebracht. Hieruit volgt dat dagrapporten ten aanzien van twee cliënten grotendeels ontbreken. Ten aanzien van één cliënt kan het document niet worden geopend. Ten aanzien van acht cliënten ontbreken zorgdagen (van [naam 4] ) in de dagrapporten. Door VGZ zijn dagrapporten naast declaraties gelegd en daaruit is bijvoorbeeld gebleken dat van de zeven dagen in een week dat zorg is gedeclareerd er van drie dagen een dagrapport ontbreekt. Zorg Saam c.s. heeft niet weersproken dat de dagrapporten ontbreken maar voert aan dat de zorgplannen daarvoor in de plaats beoordeeld kunnen worden en VGZ deze tot haar beschikking heeft. Deze stelling kan Zorg Saam c.s. niet baten nu zorgplannen volgens VGZ worden opgevraagd bij een zorginhoudelijke beoordeling (op doelmatigheid) en dit tijdens een fraudeonderzoek niet wordt getoetst. Van belang is dat Zorg Saam c.s. niet heeft toegelicht waarom zij de ontbrekende dagrapporten met zorgdagen niet heeft kunnen verstrekken. 4.18. In de tweede plaats is volgens VGZ zorg gedeclareerd die niet door Zorg Saam c.s. is verleend. Op basis van de enquête die is ingevuld door cliënten van Zorg Saam c.s. is voldoende aannemelijk gemaakt dat Zorg Saam c.s. in voorkomend geval rechtstreeks namens haar cliënten declareerde bij VGZ waardoor cliënten mogelijk geen zicht en controle op de declaraties hadden. In dat verband wordt verder overwogen dat de door Zorg Saam c.s. ver