Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-10-07
ECLI:NL:RBGEL:2025:11721
RECHTBANK GELDERLAND Team Strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05/186721-24; 05/212449-24; 05/203492-24 (gev. ttz.) Datum uitspraak : 7 oktober 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsvrouw: mr. M. Broere, advocaat in Roosendaal. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren. 1 De inhoud van de tenlastelegging Onder parketnummer 05/186721-24 is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en sigaretten, in elk gevalenig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)door- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, te pakken en/of te tonen,- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, te richten op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zitten,- de slede van het pistool naar achter te halen, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededaders, het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht houdt en/of- dreigend de woorden toe te voegen "Leeg je zakken" en/of "Leeg je zakken, ik wilje telefoon en je scooter sleutels"; 2.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf ommet het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van telefoons en/of descooter(sleutels), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] ,[slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)immers heeft hij en/of zijn mededaders- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, gepakt en/of getoond,- een pistool, althans daarop gelijkend voorwerp, gericht op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zaten,- de slede van het pistool naar achter gehaald, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededaders, het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht hielden en/of- dreigend de woorden toegevoegd "Leeg je zakken" en/of "Leeg je zakken, ik wil jetelefoon en je scooter sleutels",terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Onder parketnummer 05/212449-24 is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2024 tot en met 27 mei 2024 te Arnhem,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij n of omstreeks de periode van 24 mei 2024 tot en met 27 mei 2024 te Arnhem,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeftovergedragen,terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhandenkrijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2.hij op of omstreeks 26 mei 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] 3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Parketnummer 05/186721-24 : Feit 1 en feit 2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het wegnemen van de telefoon onder feit 1 moet worden vrijgesproken nu hij de telefoon heeft teruggegeven. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering, met uitzondering van de afgifte van de telefoon onder feit 1. De rechtbank zal daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2 en een overweging opnemen over de afgifte van de telefoon. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 8 en 9; - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 11 en 12; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 september 2025. De telefoon Onder feit 1 is ten laste gelegd dat verdachte en zijn medeverdachte aangever [slachtoffer 1] hebben gedwongen tot afgifte van zijn telefoon. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat er twee verdachten waren, een lange jongen en een wat kleinere jongen. De lange verdachte richtte een pistool naar het hoofd van aangever [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] . Zij werden gesommeerd om hun zakken te legen en de telefoons en scootersleutels af te geven. De lange verdachte haalde daarbij ook de slede van het pistool naar achteren. Aangever [slachtoffer 1] gaf zijn telefoon af aan de kleine verdachte. Kort daarna liepen de verdachten weg en zijn beide aangevers achter de verdachten aan gelopen. Aangever [slachtoffer 1] vroeg aan de kleine verdachte of hij de muziek op de eerder afgegeven telefoon uit mocht zetten. Dat mocht van de kleine verdachte. Toen trok aangever [slachtoffer 1] de telefoon uit de handen van de kleine verdachte. Daarna liepen de aangevers snel weg. Aangeefster [slachtoffer 2] bevestigt deze verklaring. De rechtbank overweegt dat de afpersing van de telefoon voltooid was op het moment dat de telefoon weer in handen kwam van aangever. De telefoon was daarvoor immers al in het bezit van de verdachten en zij waren weggelopen van aangevers. Het is vervolgens door het handelen van aangever en niet dat van verdachte geweest dat de telefoon later weer terechtkwam bij aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank passeert daarom het verweer van de verdediging. Daarmee zijn feit 1 en feit 2 in een eendaadse samenloop wettig en overtuigend bewezen. Parketnummer 05/212449-24 : Feit 1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank overweegt dat verdachte op een andere dan de in feit 1 ten laste gelegde scooter werd aangetroffen door de politie. Uit het dossier blijkt verder onvoldoende dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de diefstal of de heling van de scooter van aangever [slachtoffer 3] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit feit. Feit 2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu verdachte geen intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de scooter. De heling, subsidiair ten laste gelegd, kan wettig en overtuigend bewezen worden. Beoordeling door de rechtba 4. De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: Parketnummer 05/186721-24: 1.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer ander en , althans alleen ,met het oogmerk om zich en /of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en sigaretten, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde ( n ) door- een op een pistool gelijkend voorwerp te pakken en /of te tonen,- een op een pistool gelijkend voorwerp op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zitten,- de slede van het pistool naar achter te halen, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededader s , het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht houdt en /of - dreigend de woorden toe te voegen "Leeg je zakken" en /of "Leeg je zakken, ik wilje telefoon en je scooter sleutels"; 2.hij op of omstreeks 17 januari 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meer ander en , althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en /of zijn mededader (s) voorgenomenmisdrijf ommet het oogmerk om zich en /of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 2] en /of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van telefoons en /of descooter(sleutels) , in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde ( n ) immers heeft hij en /of zijn mededaders- een op een pistool gelijkend voorwerp gepakt en /of getoond,- een op een pistool gelijkend voorwerp gericht op het hoofd van [slachtoffer 2][slachtoffer 2] te richten, terwijl die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar zaten,- de slede van het pistool naar achter gehaald, terwijl hij, verdachte en/of zijnmededaders, het pistool op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] gericht hielden en /of - dreigend de woorden toegevoegd "Leeg je zakken" en /of "Leeg je zakken, ik wil jetelefoon en je scooter sleutels",terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Parketnummer 05/212449-24: 2 hij op of omstreeks26 mei 2024 te Arnhemtezamen en in vereniging met een of meeranderen, althans alleen,een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten deleaan [slachtoffer 4] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen.5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Parketnummer 05/186721-24: eendaadse samenloop van: feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en feit 2: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen Parketnummer 05/212449-24: feit 2 primair: diefstal door twee of meer verenigde personen 6 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 7 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 8 De overwegingen ten aanzien van de straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de kinderbescherming (hierna: de Raad). Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen voor maximaal veertig uren zodat verdachte een opleiding bij Defensie kan gaan doen. Ook heeft de raadsman de rechtbank verzo Het verzoek van de raadsman om het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf te beperken tot veertig uren, passeert de rechtbank omdat niet is onderbouwd dat enkel dit gegeven de grens zou zijn voor het al dan niet kunnen volgen van een opleiding bij Defensie. De rechtbank legt daarom aan verdachte op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht. 9 De beoordeling van de civiele vorderingen Parketnummer 05/186721-24: [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 en feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 61,74 aan materiële schade en € 3.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade volledig kan worden toegewezen en voor wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman de rechtbank verzocht deze te matigen. De raadsman heeft tot slot verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu minderjarigen niet met een verdeling van betaling dienen te worden belast. De beoordeling door de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst daarom het gehele bedrag van € 61,71 toe. Immateriële schade De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Benadeelde heeft voldoende onderbouwd dat zij door de strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen. Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Verdachte is vanaf 18 september 2025 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd. Over het bedrag aan immateriële schadevergoeding is verdachte vanaf 17 januari 2024 (datum feiten) rente verschuldigd. Voor zowel beide bedragen geldt verder: De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken op grond van de groepsaansprakelijkheid zoals vervat artikel 6:166 BW. In hetgeen de raadsman hierover heeft opgemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit wettelijke uitgangs Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt. De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul. Parketnummer 05/212449-24: [slachtoffer 4] De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.177,65 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht het materiële bedrag te matigen tot € 102,50. Dat zijn de kosten voor vervanging van het slot. Voor de overige kosten kan niet worden vastgesteld dat deze zijn ontstaan door het handelen van verdachte. De raadsman heeft tot slot verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu minderjarigen niet met een verdeling van betaling dienen te worden belast. De beoordeling door de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De scooter is op 26 mei 2024 door de benadeelde partij onbeschadigd geparkeerd en vervolgens, na de diefstal door verdachte en zijn medeverdachten, op 27 mei 2024 door de politie aan de benadeelde partij teruggegeven. Door de benadeelde partij is bij vordering en ter zitting voldoende gesteld en onderbouwd dat de scooter op dat moment fors beschadigd was en niet meer kon rijden. Immers, de scooter moest worden weggetakeld. De gevorderde kosten zien gelet op de omschrijving daarvan (takelkosten, reparatie aan buitenzijde en motor van de scooter) op kosten voor herstel die past bij deze gang van zaken. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de ontstane schade. De schadepost is bovendien na verweer voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst daarom het gehele bedrag van € 1.177,65 toe. Verdachte is vanaf 27 oktober 2024 (datum indiening vordering) wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken op grond van de groepsaansprakelijkheid zoals vervat artikel 6:166 BW. In hetgeen de raadsman hierover heeft opgemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit wettelijke uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Als het bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betal beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht; Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen 05/186721-24, feit 1 en feit 2: [slachtoffer 1] veroordeelt verdachte in verband met feit 1 en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 61,74,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2025 (materieel) en 17 januari 2024 (immaterieel) tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag te betalen € 61,74,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2025 (materieel) en 17 januari 2024 (immaterieel) tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; [slachtoffer 2] veroordeelt verdachte in verband met feit 1 en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.800,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2024 (materieel) en 17 januari 2024 (immaterieel) tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] een bedrag te betalen € 1.800,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2024 (materieel) en 17 januari 2024 (immaterieel) tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; 05/212449-24, feit 2: [slachtoffer 4] veroordeelt verdachte in verband met feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van € 1.177,65,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet m