Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-12-12
ECLI:NL:RBGEL:2025:11704
beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats: Zutphen Zaakgegevens: C/05/456026 / FZ RK 25/2082 Datum uitspraak: 12 december 2025 Beschikking van de meervoudige kamer over een beroep tegen een crisismaatregel op grond van artikel 7:6 Wvggz en schadevergoeding op grond van artikel 10:12 Wvggz op het ingediende verzoekschrift van: [naam verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1985, hierna te noemen verzoeker, wonend in [woonplaats] , advocaat mr. P.W.E. Hoezen uit Winterswijk, tegen (de burgemeester van) de [gemeente] , gevestigd te [plaats] , hierna te noemen: verweerder. 1 Procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit: - het beroep- en verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2025, - het verweerschrift, ontvangen op 19 september 2025; - het e-mailbericht met bijlagen van mr. Hoezen van 10 oktober 2025; - de reactie op het verweerschrift van mr. Hoezen van 10 oktober 2025; - het e-mailbericht van verweerder van 28 oktober 2025. 1.2. Partijen zijn akkoord met schriftelijke afdoening. Er heeft geen zitting plaatsgevonden. 2 Feiten 2.1. De burgemeester van de [gemeente] heeft op grond van artikel 7:1 eerste lid Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna Wvggz) ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel genomen op 7 augustus 2025 om 11.41 uur met een geldigheidsduur tot en met 11 augustus 2025 11.41 uur. 2.2. De officier van justitie heeft op 8 augustus 2025 een verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel bij de rechtbank ingediend. Dit verzoek is op 11 augustus 2025 afgewezen. 3 Verzoek en verweer 3.1. Verzoeker stelt beroep in tegen de crisismaatregel en verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren onder toekenning van een bedrag van € 400 aan schadevergoeding aan verzoeker. 3.2. Verzoeker stelt dat de crisismaatregel in strijd met het bepaalde in artikel 7:5 Wvggz is opgelegd voor de duur van vier dagen, terwijl deze voor ten hoogste drie dagen kan worden opgelegd. Hiermee is de crisismaatregel volgens verzoeker in strijd met een dwingend wettelijke bepaling, niet rechtsgeldig en daarmee zonder rechtsgevolg. De crisismaatregel kan daarom volgens verzoeker niet als grondslag dienen voor vrijheidsbeneming of verplichte zorg. 3.3. Volgens verzoeker is hij als gevolg hiervan van 7 tot 11 augustus 2025 opgenomen geweest zonder geldige titel. Een vergoeding van € 100 voor iedere dag is hierbij volgens verzoeker redelijk en passend. 3.4. Verweerder voert hier tegen aan dat het beroep tegen de crisismaatregel ongegrond is. Op het moment van het afgeven van de crisismaatregel was er een ernstig vermoeden dat verzoeker leed aan een psychische stoornis waaruit gedrag voortvloeide dat een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakte dat niet zonder verlening van verplichte zorg kon worden afgewend, waarbij de crisissituatie dermate ernstig was dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht. De officier van justitie heeft al op 8 augustus een verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel bij de rechtbank ingediend. Hierdoor bleef de crisismaatregel van kracht tot de uitspraak op het verzoek tot voortzetting hiervan. Dat het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel is afgewezen maakt de crisismaatregel niet onrechtmatig. 3.5. Verzoeker heeft hierop gereageerd en gesteld dat de wet bepaalt dat de burgemeester de geldigheidsduur van de crisismaatregel vaststelt, met een maximum van drie dagen. De verlenging bij het eindigen op een zaterdag, zondag of feestdag is geen bevoegdheid van de burgemeester, maar bij wet geregeld. De duur van de maatregel is relevant gezien het bepaalde in artikel 7:5 Wvggz en cruciaal voor de ontvankelijkheid van het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel. De officier van justitie had nu ook nog op 11 augustus voor 11.41 uur een verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel kunnen indienen, wat volgens verzoeker niet strookt met de bedoeling van de wetgever, die bewust gekozen heeft voor een korte maximale duur