Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-07-22
ECLI:NL:RBGEL:2025:11652
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,157 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11652 text/xml public 2026-02-12T14:06:51 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-07-22 230926-22 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11652 text/html public 2026-02-12T14:02:24 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11652 Rechtbank Gelderland , 22-07-2025 / 230926-22 Gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor openlijke geweldpleging en poging tot doodslag. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan extreem uitgaansgeweld. Gedeeltelijke toewijzing vordering immateriële schade. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.230926.22 Datum uitspraak : 22 juli 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsvrouw: mr. A.P.M. van Weegen, advocaat in Deventer . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 11 september 2022 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten in uitgaansgelegenheid [bedrijf] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door - meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of - achter die [slachtoffer 1] aan te rennen en/of - ( vervolgens) die [slachtoffer 1] bij zijn t-shirt vast te pakken en/of - ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen, terwijl die [slachtoffer 1] door verdachte en/of zijn verdachtes mededader(s) aan zijn shirt werd vastgehouden; 2. hij op of omstreeks 11 september 2022 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten in uitgaansgelegenheid [bedrijf] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door - het tegen de grond slaan en/of stompen van die [slachtoffer 2] en/of - ( vervolgens) (toen die [slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam te trappen en/of te schoppen en/of te stompen en/of te slaan; 3. hij op of omstreeks 11 september 2022 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] tegen de grond heeft geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) (toen die [slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 september 2022 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] tegen de grond heeft geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) (toen die [slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 september 2022 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen de grond te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens) (toen die [slachtoffer 2] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam te trappen en/of te schoppen en/of te stompen en/of te slaan. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 11 september 2022 bevond verdachte [verdachte] zich samen met medeverdachte [medeverdachte] en een vriendin in uitgaansgelegenheid [bedrijf] in Apeldoorn. Aldaar kwamen zij in contact met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Toen [slachtoffer 1] een drankje bracht naar de tafel van [verdachte] en [medeverdachte] ontstond er een gevecht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1 en 2. Verder acht de officier ook het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het medeplegen. Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 is geen formeel verweer gevoerd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs ten aanzien van het onderdeel ‘in vereniging’. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, wegens het ontbreken van voldoende overtuigend bewijs dat [slachtoffer 2] tegen het hoofd getrapt is en de omstandigheden waaronder dit zou zijn gebeurd. Ten aanzien van het onder feit 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw verder aangevoerd dat daarmee ook het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood ontbreekt. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van feit 1 [slachtoffer 1] heeft op 11 september 2022 aangifte gedaan van openlijke geweldpleging. Hij was met een aantal collega’s gaan stappen in [bedrijf] . Bij de bar vroegen twee personen hem of hij uit Polen kwam. Toen [slachtoffer 1] dat beaamde, zag hij dat zij boos werden en hoorde hij hen zeggen dat hij moest oprotten naar Polen. [slachtoffer 1] en zijn collega besloten om de twee personen een biertje te geven om verdere escalatie te voorkomen. Toen [slachtoffer 1] zich met de biertjes omdraaide, zag hij dat één van deze twee personen hem met kracht met zijn rechtervuist probeerde te slaan. Dit was de man met het rood-oranje shirt. Hij werd geraakt boven zijn oog. [slachtoffer 1] probeerde weg te komen, maar de personen liepen achter hem aan en kregen hem uiteindelijk te pakken aan zijn t-shirt. Terwijl ze hem vasthadden kreeg hij klappen. De politie heeft de camerabeelden van [bedrijf] bekeken en beschreven. In het videofragment VID-20220911-WA0007.mp4 op het tijdstip 04:20:00 is te zien dat [slachtoffer 1] twee glazen van de bar pakte en zich omdraaide in de richting van de man die de politie herkent als [verdachte] . Om 04:20:03 maakte [slachtoffer 1] ( de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) met zijn rechterarm een slaande beweging naar [slachtoffer 1] , waarop [slachtoffer 1] een stap naar achteren deed. In het videofragment VID-20220911-WA0006.mp4 op tijdstip 04:20:27 zag de politie dat [slachtoffer 1] samen met [verdachte] links in beeld verscheen. [verdachte] maakte slaande bewegingen richting [slachtoffer 1] en hield hem aan zijn shirt vast. Ook de man die de politie herkent als [medeverdachte] verscheen links in beeld en maakte een slaande beweging richting [slachtoffer 1] .
Volledig
Vervolgens verdwenen alle drie de personen links onderin uit het beeld. [slachtoffer 1] heeft de dag na het incident de huisarts bezocht. Uit de door de huisarts ingevulde patiëntenkaart volgt dat er sprake was van diverse kneuzingen op onder meer het hoofd, de bovenarm en de thorax van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in het begin, toen hij nog in het zitje zat, een slaande beweging heeft gemaakt naar [slachtoffer 1] . Volgens verdachte heeft hij [slachtoffer 1] daarmee niet geraakt. Hij is de man in het oranje shirt. De rechtbank overweegt dat de aangifte van [slachtoffer 1] ondersteund wordt door het vastgestelde letsel en de beschrijving van de camerabeelden. De politie heeft op de beelden gezien dat verdachte en zijn medeverdachte [slachtoffer 1] door de uitgaansgelegenheid hebben achtervolgd en slaande bewegingen in zijn richting hebben gemaakt, terwijl [slachtoffer 1] aan zijn shirt werd vastgehouden. Door zelf deel te nemen aan de geweldshandelingen heeft verdachte, evenals zijn medeverdachte, een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] . In zijn aangifte spreekt [slachtoffer 1] ook over geweld dat voorafgaand aan de achtervolging door beide verdachten aan hem zou zijn toegebracht. Na de eerste klap door [verdachte] zou [medeverdachte] met zijn vuisten op [slachtoffer 1] in hebben geslagen. De rechtbank overweegt dat de aangifte op dit punt niet wordt ondersteund door de camerabeelden. Daarop is volgens de beschrijving van de politie enkel te zien dat [verdachte] een slaande beweging richting [slachtoffer 1] maakt, direct nadat deze zich met de drankjes naar hem had omgedraaid. Van geweldshandelingen door [medeverdachte] richting [slachtoffer 1] is – in deze fase – geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat daarmee niet is komen vast te staan dat [medeverdachte] in deze fase een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, waardoor de tenlastelegging op dit onderdeel niet kan worden bewezen. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging, te weten (alleen) het eerste gedachtestreepje, worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 en 3 De rechtbank zal de feiten 2 en 3 hieronder gezamenlijk bespreken, nu deze betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex. Vervolgens zal de rechtbank per feit ingaan op de vraag hoe het handelen van verdachte (en zijn medeverdachte) moet worden gekwalificeerd. [slachtoffer 2] heeft op 11 september 2022 aangifte gedaan. Hij kan zich herinneren dat hij twee biertjes heeft gekocht voor twee jongens, die zijn collega, met wie hij samen was, aan hun heeft gegeven. Hierna kan hij zich alleen nog herinneren dat hij geslagen werd en weer bijkwam op een brancard in de hal van het ziekenhuis. Diverse mensen zijn getuige geweest van het incident en zijn door de politie als zodanig gehoord. Getuige [getuige 1] werkte die nacht als beveiliger in [bedrijf] . Hij heeft als volgt verklaard. De twee Poolse jongens stonden aan de bar. Eén van de Poolse jongens kreeg een vuistslag van één van de Turkse jongens die ter hoogte van de bar zaten. De Turkse jongen met het oranje shirt ging achter de Poolse jongens aan. Hij was helemaal gek en agressief. De beveiligers konden hem niet tegenhouden. [getuige 1] zag de Poolse jongen die mishandeld was op de grond liggen. Hij zag dat de jongen met het oranje shirt de jongen die op de grond lag een paar keer heel hard sloeg met zijn vuist, sowieso twee keer. Ook schopte de man met het oranje shirt de jongen tenminste één keer tegen zijn hoofd. De kleinere man met het zwarte/witte shirt was er ook bij en was ook wel agressief, maar [getuige 1] heeft niet gezien dat de kleinere man het slachtoffer sloeg of trapte. Ze gingen wel met zijn tweeën achter die Poolse jongens aan. Het slachtoffer op de grond lag op zijn buik en had een bult op zijn hoofd. [getuige 1] zag ook bloed bij het slachtoffer op de grond liggen. Hij schat dat de man ongeveer tien minuten buiten bewustzijn is geweest. Getuige [getuige 2] werkte die nacht achter de bar bij [bedrijf] . Zij heeft verklaard dat een Turkse jongen met een oranje/zalmkleurig shirt van achter uit de zaak kwam en het slachtoffer met zijn vuist twee klappen vol op het gezicht gaf, waardoor die gelijk plat ging. [getuige 2] omschrijft dat de Turkse man het slachtoffer met zo'n harde vuistslag sloeg, dat hij nog net niet door de voordeur vloog. Ze werkte al acht jaar in het café en was heel wat gewend, maar dit was echt extreem hard. Toen het slachtoffer op de grond lag, kreeg hij tenminste nog één vuistslag van deze Turkse jongen op zijn hoofd of in zijn gezicht. Daarna zag [getuige 2] dat de Turkse jongen het slachtoffer met zijn voet tegen het hoofd trapte. Daarbij haalde hij zijn voet naar achteren aan en trapte met kracht naar voren tegen het hoofd van het slachtoffer. Hij trapte hem in ieder geval twee keer vol tegen zijn hoofd. [getuige 2] beschrijft dat er een meisje in de zaak was die wilde kijken hoe het slachtoffer eraan toe was. Dat meisje was verpleegkundige en zij voelde dat de polsslag van het slachtoffer even weg was. Pas toen de ambulance er was, kwam het slachtoffer bij. [getuige 2] had het slachtoffer eerder die nacht aan de bar gehad en hij kwam op haar niet als vervelend over. Hij was wel onder invloed maar niet lastig. Hij stond daar ook gewoon rustig. In de ogen van [getuige 2] was het slachtoffer totaal geen vechtersbaas. Het enige wat ze hem heeft zien doen is zichzelf verdedigen. Ze heeft twee dikke bloedvlekken van de grond moeten wegdweilen. Getuige [getuige 3] was die nacht als gast aanwezig in [bedrijf] . Zij heeft als volgt verklaard. De jongen met het oranje shirt kwam langs haar heen lopen en gaf een andere jongen, het slachtoffer dat later bewusteloos was, een klap op zijn achterhoofd. [getuige 3] zag dat het slachtoffer naar de grond ging. Vervolgens gaf de jongen met oranje shirt het slachtoffer twee harde klappen en een trap tegen zijn hoofd. Het slachtoffer lag toen al bewegingloos op de grond. [getuige 3] zag dat de klappen en trappen met grote kracht gebeurden. Ze heeft in de psychiatrie gewerkt en daar heeft ze mensen gezien die doordraaiden en waar een oerkracht naar boven kwam. Dit leek ook het geval bij de jongen met het oranje shirt. Hij leek het zwart voor de ogen te hebben en helemaal door te draaien. [getuige 3] stond op nog geen twee meter afstand en had vrij zicht op het incident. Ze zag dat het slachtoffer op de grond bleef liggen en niet reageerde. Ze wilde hem helpen, maar werd weggetrokken waarna het gevecht doorging. De jongen met het oranje shirt liep naar buiten en kwam binnen één seconde weer terug. [getuige 3] zag dat hij als een soort hyena tekeer ging in de kroeg. Ze is toen achter een barkruk gaan staan met het idee dat ze zich zo kon verdedigen. Het was erg beangstigend om die man zo tekeer te zien gaan. Ze zag dat het slachtoffer helemaal niets kon en zich ook niet kon verweren of verdedigen ten opzichte van de jongen met het oranje shirt. Toen [getuige 3] weer terugkwam bij de jongen op de grond, voelde ze geen pols meer. Hij reageerde niet op een pijnprikkel. Een andere bezoeker, die ook aangaf verpleegkundige te zijn, kwam erbij en voelde ook geen pols. [getuige 3] en die andere persoon zijn toen gestart met reanimeren. De man kwam vrij snel bij. De politie heeft de camerabeelden van [bedrijf] bekeken en heeft daarop het volgende gezien. Om 04:19:49 stonden er twee personen aan de bar, die door de politie worden herkend als aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Linksonder in het beeld zat een persoon op een bankje. Deze persoon wordt door de politie herkend als verdachte [verdachte] . Om 04:20:00 pakte [slachtoffer 1] twee glazen van de bar, draaide zich om in de richting van [verdachte] en ging voor hem staan. Om 04:20:03 maakte [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) met zijn rechterarm een slaande beweging naar [slachtoffer 1] , waarop [slachtoffer 1] een stap naar achteren deed.
Volledig
[verdachte] stond op en deed een stap richting [slachtoffer 1] . Achter [verdachte] stond nog een persoon op, die door de politie wordt herkend als medeverdachte [medeverdachte] . Van 04:20:04 tot 04:20:06 deed [slachtoffer 2] een stap richting [verdachte] . [verdachte] maakte met zijn rechterarm een slaande beweging naar [slachtoffer 2] , die aan de linkerzijde van zijn hoofd werd geraakt. [slachtoffer 2] viel op de grond. Om 04:20:08 nam een beveiliger [verdachte] en [medeverdachte] mee en verplaatste hen naar de uitgang. Van 04:20:11 tot 04:20:20 stond [slachtoffer 2] op, liep naar [medeverdachte] en maakte met zijn rechterarm een slaande beweging naar [medeverdachte] . [slachtoffer 2] viel weer op de grond en [verdachte] maakte een schopbeweging richting [slachtoffer 2] . Daarna gingen er meerdere mensen bij de vechtpartij staan, waardoor de politie op de beelden niet meer kon zien wat er gebeurde. Om 04:20:50 duwde een beveiliger [medeverdachte] en [verdachte] naar links in beeld weg, weg van [slachtoffer 2] . De verdediging heeft aangevoerd dat de beschrijving van de camerabeelden, specifiek het gedeelte waarin de verbalisant beschrijft dat verdachte een schopbeweging maakte richting [slachtoffer 2] , onjuist is. Op verzoek van de verdediging heeft de rechtbank in de raadkamer naar de beelden gekeken. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de beschrijving van de beelden en zal dat proces-verbaal dus als bewijsmiddel gebruiken. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft op 16 januari 2024 een forensisch-medisch onderzoeksrapport opgesteld. Daaruit volgt dat er minimaal vier geweldsinwerkingen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] zijn geweest, waarvan minimaal één rechts zijwaarts aan het voorhoofd, met dientengevolge een bloedende wond, bloeduitstorting en een breuk van het voorhoofdsbeen en het dak van de oogkas. Verder is er minimaal één geweldsinwerking bij de kaak geweest en minimaal twee aan het achterhoofd. De waargenomen letsels betroffen kneuzingen van huid en onderhuidse weke delen (inclusief een aangezichtsfractuur) die het gevolg zijn van de inwerkingen van uitwendig stomp botsend mechanisch geweld, zoals door slaan, schoppen, vallen en/of (zich) stoten. Voorts zou er sprake zijn geweest van een hersenschudding. Een hersenschudding betreft licht traumatisch hersenletsel, als gevolg van de inwerking van stomp botsend mechanisch geweld tegen het hoofd, zoals door slaan, schoppen, vallen en/of (zich) stoten. De beschreven en waargenomen letsels zijn alle niet ernstig. In het algemeen kan echter worden gesteld dat wanneer een op de grond liggend slachtoffer (meermalen) tegen het hoofd wordt geschopt, dit de dood tot gevolg kan hebben. De kans op potentieel ernstig c.q. fataal schedelhersenletsel en/of nekletsel door hard schoppen tegen een hoofd moet aanzienlijk geacht worden. Door schoppen met geschoeide voet worden grote krachtoverbrengingen bewerkstelligd, met dientengevolge mogelijk schedelhersenletsel en mogelijk rotatie- en hyperextensieletsel van de nek. Overlijden als gevolg van hersenletsel, ruggenmergletsel of bijvoorbeeld bloedvatletsel in de hals kan zowel direct als na enige tijd plaatsvinden, afhankelijk van (o.a.) de aard, het aantal en de plaats van het letsel (c.q. de letsels) en de complicaties die hierbij vervolgens ontstaan. Ook door een vuistslag kan een draaiing van het hoofd worden bewerkstelligd waardoor letsel aan de halswervelslagader(s) kan ontstaan met mogelijk fatale afloop. Zoals in de onderhavige casus, kan geweld tegen het hoofd (of elders tegen het lichaam) een val veroorzaken waardoor ook hierdoor krachtige geweldsinwerking tegen het hoofd kan optreden met dientengevolge mogelijk ernstig schedelhersenletsel. Extreem geweld, zoals schoppen tegen het hoofd van een persoon en extreem harde vuistslagen, verhoogt de kans op overlijden. Voorbeelden van vergelijkbare geweldsincidenten waarbij slaan c.q. schoppen tegen het hoofd causaal waren aan het overlijden, zijn o.a. de zogenaamde ‘grensrechterzaak’ en de ‘Mallorcazaak’. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 2] eerst heeft geslagen toen hij uit het zitje kwam, waardoor [slachtoffer 2] ten val kwam. Ook heeft hij [slachtoffer 2] meermalen op zijn hoofd geslagen toen deze – opnieuw – op de grond lag. Verder heeft verdachte verklaard dat hij die nacht een oranje T-shirt droeg. Openlijke geweldpleging in vereniging (feit 2) Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd jegens [slachtoffer 2] . Van het "in vereniging" plegen van geweld is sprake indien beide verdachten een voldoende significante of wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het geweld. Uit de voornoemde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zelf geweld heeft gebruikt jegens [slachtoffer 2] . Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat ook medeverdachte [medeverdachte] een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer 2] . Uit de camerabeelden en de aangifte volgt niet dat [medeverdachte] door verbale of fysieke handelingen de geweldshandelingen van verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren daarvan. De gehoorde getuigen hebben voornamelijk verklaard over de rol van medeverdachte [verdachte] , waardoor de rol van [medeverdachte] ook op basis van de getuigenverklaringen onvoldoende kan worden gereconstrueerd. Weliswaar heeft [medeverdachte] zelf verklaard dat hij iemand knock-out heeft geslagen, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wie hij heeft geslagen. De rechtbank acht daarmee niet wettig en overtuigend bewezen dat het onder feit 2 ten laste gelegde feit in vereniging is gepleegd. Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken. Poging tot doodslag (feit 3 primair) Aan verdachte is onder feit 3 primair een poging tot doodslag ten laste gelegd. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat verdachte het opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer 2] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte het doel had om [slachtoffer 2] te doden. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen. Onder omstandigheden kan het trappen/schoppen of stompen/slaan tegen iemands hoofd een aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg van dit geweld komt te overlijden. Indien uit het handelen van verdachte blijkt dat hij deze aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard, is sprake van voorwaardelijk opzet. De rechtbank overweegt hierover het volgende. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 2] , waarbij [slachtoffer 2] letsel heeft opgelopen. Uit de verklaringen van de getuigen en de beschrijving van de camerabeelden leidt de rechtbank af dat het volgende is gebeurd. Verdachte heeft [slachtoffer 2] met kracht een vuistslag tegen het hoofd heeft gegeven, waardoor [slachtoffer 2] direct naar de grond is gegaan. Vervolgens – toen [slachtoffer 2] bewegingloos op de grond lag – heeft verdachte hem meermaals hard met de vuist tegen het hoofd geslagen en minimaal één keer met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer 2] getrapt. De getuigen, waarvan sommigen met beroepsmatige ervaring met uitgaansgeweld, omschrijven de kracht van het geweld dat verdachte jegens [slachtoffer 2] gebruikte als een ‘oerkracht’ en iets dat ze nooit eerder hadden gezien. Verdachte zou ‘als een hyena tekeer zijn gegaan’ en het slachtoffer zo hard met zijn vuist hebben geslagen dat deze ‘nog net niet door de voordeur vloog’. Als gevolg van het geweld is [slachtoffer 2] buiten bewustzijn geraakt, was bij hem geen hartslag te constateren en hebben omstanders zich genoodzaakt gezien te beginnen met reanimeren.
Volledig
Voor en achter op het hoofd van [slachtoffer 2] zijn minimaal vier geweldsinwerkingen uitgevoerd, die onder meer een breuk van het voorhoofdsbeen en het dak van de oogkas tot gevolg hebben gehad. Weliswaar is de genezingsduur van de daadwerkelijk ontstane letsels ingeschat op enkele weken tot maanden, maar dat neemt niet weg dat de kans op potentieel ernstig c.q. fataal schedelhersenletsel en/of nekletsel door hard schoppen en slaan tegen een hoofd aanzienlijk was. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is een harde schop tegen het hoofd onder omstandigheden fataal kan zijn, zoals ook is gebleken uit de bekende Grensrechterzaak en de Mallorcazaak. Het gaat derhalve ook om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten en ook bij verdachte als bekend mag worden verondersteld. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat, onder de genoemde omstandigheden, de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer als gevolg van het geweld zou komen te overlijden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de gedragingen van verdachte, in het bijzonder gelet op het extreme geweld zoals dat door de getuigen is omschreven, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op het overlijden van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] bewust heeft aanvaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte zich op geen enkele manier heeft bekommerd om de toestand van [slachtoffer 2] en dat hij het slachtoffer extreem hard is blijven slaan en hem tenminste één harde trap tegen het hoofd heeft gegeven toen deze al bewegingloos op de grond lag en het geweld dus niet meer kon opvangen. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het uitblijven van ernstig letsel daarvoor niet voldoende. Gelet op al het voorgaande, was er naar het oordeel van de rechtbank bij verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] . Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 11 september 2022 te Apeldoorn , in elk geval in Nederland, openlijk, te weten in uitgaansgelegenheid [bedrijf] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door - meermalen, althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of - achter die [slachtoffer 1] aan te rennen en /of - ( vervolgens ) die [slachtoffer 1] bij zijn t-shirt vast te pakken en /of - ( vervolgens ) meermalen , althans eenmaal in/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen , terwijl die [slachtoffer 1] door verdachte en/of zijn verdachtes mededader (s) aan zijn shirt werd vastgehouden; 3. hij op of omstreeks 11 september 2022 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] tegen de grond heeft geslagen en/of gestompt en /of ( vervolgens ) ( toen die [slachtoffer 2] op de grond lag ) meermalen , althans eenmaal tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en /of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft feit 3: poging tot doodslag 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat moet worden afgezien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op het werk van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte acht zich in staat tot het uitvoeren van een taakstraf, dan wel het voldoen van een financiële sanctie. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan extreem uitgaansgeweld. De slachtoffers waren met collega’s aan het stappen, toen zij, zonder duidelijke aanleiding door verdachte (deels samen met zijn medeverdachte) werden aangevallen en mishandeld. Tegen één van de slachtoffers heeft verdachte dusdanig extreem geweld gebruikt dat hij ter plaatse door aanwezigen is gereanimeerd. Verdachte heeft dit slachtoffer, dat al bewegingsloos op de grond lag, meerdere keren hard tegen het hoofd geslagen en met kracht tegen het hoofd geschopt. Gelet op de wijze waarop verdachte, een grote man, volgens de getuigenverklaringen tekeer is gegaan, is het uitblijven van ernstiger letsel dan wel een fatale afloop in deze zaak een geluk te noemen. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid bij zowel het slachtoffer als bij omstanders die van het geweld getuige zijn geweest, zoals is gebleken uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd. Hoewel verdachte deels heeft bekend en heeft gezegd spijt te hebben van zijn handelen, trekt hij de verklaringen van anderen over zijn handelen ook deels in twijfel en neemt hij geen volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het rapport van de reclassering van 11 maart 2025. Daaruit volgt dat het psychosociaal functioneren van verdachte gekenmerkt wordt als een risicofactor bij het tot stand komen van het geweldsincident. Ook het sociaal netwerk van verdachte en het middelengebruik (alcohol) speelden hierin een rol. De huisvesting, relatie met gezin/familie, de dagbesteding, financiën en houding worden gezien als beschermende factoren. Ten tijde van het schorsingstoezicht heeft verdachte een meewerkende houding laten zien. Hij heeft een poliklinische behandeling gevolgd bij Transfore, die hij in februari 2024 positief heeft afgerond. Ook zijn meldplichten kwam hij na. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag.
Volledig
Sinds het einde van de behandeling bij Transfore wordt verdachte op lage frequentie door zijn toezichthouder gesproken. Er zijn sindsdien geen bijzonderheden geweest. De reclassering ziet daardoor geen noodzaak om het toezicht in een voorwaardelijk kader voort te zetten. Ter terechtzitting heeft verdachte zijn dankbaarheid geuit voor de schorsing van de voorlopige hechtenis en de kans die hij daardoor heeft gekregen om zijn dagelijks leven voort te zetten en aan zichzelf te werken. Tegelijkertijd geldt als keerzijde van een schorsing van de voorlopige hechtenis dat de mogelijkheid bestaat dat verdachte bij een veroordeling alsnog de gevangenis in moet. De rechtbank begrijpt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevolgen zal hebben voor het werk van verdachte. De rechtbank ziet daarin, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, echter geen aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegend, en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank aan verdachte conform de eis van de officier van justitie een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8 De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 50.000,- euro aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering bij gebrek aan onderbouwing. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdediging pas ter zitting kennis heeft genomen van de vordering. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van een fair trial. Daarnaast dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens gebrek aan onderbouwing. Overweging van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de verdediging in voldoende mate gelegenheid heeft gehad om adequaat verweer tegen de vordering te kunnen voeren. Dit gelet op de beknopte onderbouwing van de vordering, de ingelaste leespauze tijdens de zitting en het gegeven dat de medische informatie over de benadeelde partij onderdeel vormt van het procesdossier. Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 3 immateriële schade heeft geleden, nu hij door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen. In het verzoek tot schadevergoeding beschrijft de benadeelde partij dat hij mogelijk een hersenschudding aan het incident over heeft gehouden, omdat hij zich twee weken na het incident nog steeds duizelig voelde. Ook beschrijft hij last te hebben van pijn in onder meer zijn onderrug. Dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen vloeit verder voort uit de geneeskundige verklaring en het forensisch medisch onderzoek, welke onderdeel uitmaken van het dossier. De rechtbank zal de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 1.500,-. Gelet op het ontbreken van informatie over de medische toestand van de benadeelde partij na 28 september 2022, zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Verdachte is ten aanzien van de vordering wettelijke rente verschuldigd vanaf 11 september 2022. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden ; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis; Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2022 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen, voorzitter, mr. L.M. Vogel en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2025. mr. Van den Bosch en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022420335, gesloten op 11 november 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 16-17. Het proces-verbaal van bevindingen beschrijving beelden, p. 48. Het proces-verbaal van bevindingen mail en medische verklaringen huisarts - bijlage 2, p. 62. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 8 juli 2025. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 19. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 39 en 40. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 33-35. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 42-44. Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, p. 48. NFI- rapport Forensisch-medisch onderzoek betreffende [slachtoffer 2] d.d. 16 januari 2024, apart toegevoegd, p. 15-17.