Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-11-18
ECLI:NL:RBGEL:2025:11359
RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: \ VV EXPL 25-145 Vonnis in kort geding van 18 november 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. D.A.Y. Jacques, tegen [gedaagde] , gevestigd te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. S.W.A. te Beest. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie - de e-mail met als bijlage productie 3 van mr. Jacques van 25 augustus 2025. 1.2. De zaak is behandeld op 4 november 2025. Verschenen is [eiser], bijgestaan door mr. Jacques. Ook zijn verschenen [naam 1], de begeleider van [eiser] van [bedrijf 1], en [naam 2] (een broer van [eiser], hierna: [naam 2]) en zijn vriendin. Namens [gedaagde] zijn verschenen [naam 3] (hierna: [naam 3]) en [naam 4], bijgestaan door mr. Te Beest. [eiser] heeft een schriftelijke verklaring voorgelezen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. 1.3. Tot slot is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] is een toegelaten instelling in de zin van artikel 19 van de Woningwet en is uitsluitend werkzaam op het gebied van de volkshuisvesting. 2.2. [gedaagde] verhuurde met ingang van 5 juni 2003 de woning aan [adres 1] (hierna: de woning) aan [naam 5], de vader van [eiser] (hierna: [naam 5]). 2.3. [naam 5] is op [datum] 2025 overleden. 2.4. [eiser] staat met ingang van 13 april 2025 ingeschreven op het adres van de woning. 2.5. Op 17 juli 2025 is [naam 3], naar aanleiding van een bericht van de politie over het overlijden van [naam 5] aan [gedaagde], met de politie naar de woning gegaan. Zij troffen daar niemand aan, waarna [gedaagde] de sloten van de woning heeft vervangen en [naam 3] een briefje heeft achtergelaten dat contact kan worden opgenomen met [gedaagde]. 2.6. Op 22 juli 2025 heeft [gedaagde] een brief geschreven aan de erven van [naam 5] In deze brief staat onder meer: De woning opleveren De huurovereenkomst in de woning aan [adres 1] is van rechtswege geëindigd op 1 juli 2025. Tot op heden is de woning helaas nog niet opgeleverd en zijn de sleutels niet bij ons ingeleverd. Wij hebben vastgesteld dat een zoon van de heer [naam 5] zich op 13 april 2025 op het adres heeft ingeschreven. Dit betekent dat hij zich kort na het overlijden van zijn vader in de woning heeft gevestigd. Wij willen u erop wijzen dat dit niet is toegestaan. Hij verblijf top dit moment in de woning zonder recht of titel en dient deze te verlaten. Wij verzoeken u vriendelijk maar dringend om de woning alsnog leeg en schoon op te leveren en de sleutels bij ons in te leveren. Indien gewenst kunt u een afspraak maken voor een voorinspectie en een eindinspectie van de woning. Wij verzoeken u dit uiterlijk te doen vóór 15 augustus 2025. 2.7. Vervolgens heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen [naam 3] en een dochter van [naam 5] en [naam 2]. 2.8. Op 11 augustus 2025 heeft [naam 2] per e-mail aan [gedaagde] gevraagd of hij de woning op 14 augustus 2025 mag betreden. [gedaagde] heeft daar toestemming voor gegeven en [naam 2] heeft de woning, met de hulp van derden, grotendeels leeggehaald. [naam 3] heeft de woning vervolgens weer gesloten. 2.9. Diezelfde dag, op 14 augustus 2025, heeft de gemachtigde van [eiser] contact opgenomen met [gedaagde] en laten weten dat [eiser] zich verzet tegen ontruiming van de woning, omdat hij aanspraak maakt op voortzetting van de huurovereenkomst. 2.10. Op 20 augustus 2025 heeft de (voormalig) gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] te kennen gegeven dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat [eiser] niet voldoet aan de vereisten van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de huurovereenkomst daarom niet kan voortzetten en dat [gedaagde] een procedure tot ontruiming zal starten. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank (naar de kan Alleen al om die reden zal de eerste vordering worden afgewezen. 4.5. Vervolgens is de vraag aan de orde of [eiser] nog langer gebruik mag maken van de woning, zoals hij zelf wenst, of dat hij de woning moet ontruimen, zoals [gedaagde] heeft gevorderd. De kantonrechter merkt in dit verband op dat [eiser] in de dagvaarding heeft gevorderd om de op 15 augustus 2025 geplande ontruiming op te schorten, terwijl deze datum inmiddels al verstreken is en geen ontruiming heeft plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat [eiser] heeft bedoeld te vorderen dat voorlopig geen ontruiming van de woning zal plaatsvinden. Hiertoe overweegt de kantonrechter het volgende. 4.6. Niet in geschil tussen partijen is dat [eiser] geen medehuurder was waardoor hij op grond van lid 1 van artikel 7:268 BW de huur van de woning na het overlijden van zijn vader had kunnen voortzetten. De discussie tussen partijen draait om de vraag of dat wel mogelijk zou zijn op grond van artikel 7:268 lid 2 BW, dat ziet op de voortzetting door de ‘samenwoner’. Dit wetsartikel bepaalt dat de persoon die in de woning zijn hoofdverblijf heeft en een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad met de overleden huurder, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzet en dat die persoon de huur ook nadien voortzet, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen de termijn van zes maanden ingestelde vordering, en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. De twee voorwaarden die aan de voortzetting van de huur door de samenwoner zijn verbonden, zijn het hebben van hoofdverblijf en het hebben gehad van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Voldoet een persoon niet aan die voorwaarden, dan verblijft hij al direct na het overlijden van de huurder zonder titel in de woning. 4.7. In artikel 7:268 lid 2 BW is een vervaltermijn van zes maanden opgenomen voor het indienen van een vordering op basis van dat wetsartikel. Die termijn is dwingend. Overschrijding ervan leidt tot verlies van de rechten uit deze bepaling. Uitzonderingen op billijkheidsgronden zijn slechts bij hoge uitzondering gerechtvaardigd. 4.8. Vast staat dat [eiser] geen bodemprocedure heeft gestart om een vordering op grond van artikel 7:268 lid 2 BW in te dienen en dat de zes maanden termijn inmiddels is verstreken. [naam 5] is immers op [datum] 2025 overleden, zodat de vervaltermijn op [datum] 2025 afliep. Volgens de Hoge Raad ligt het initiatief van voortzetting van de huur bij degene die de huur wil voortzetten. De kantonrechter is van oordeel dat het voor [eiser] gewoon mogelijk is geweest om dat initiatief te nemen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft zelfs herhaaldelijk aan de gemachtigde van [eiser] gevraagd of [eiser] al een bodemprocedure was gestart. Dat [eiser] dat niet heeft gedaan (volgens zijn gemachtigde, omdat zij niet over de benodigde bewijsstukken beschikte om aan te kunnen tonen dat [eiser] hoofdverblijf en een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn vader heeft gehad) komt voor zijn rekening en risico. In de gegeven omstandigheden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op de in artikel 7:268 lid 2 BW bedoelde vervaltermijn van zes maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. 4.9. Verder overweegt de kantonrechter nog het volgende. De gemachtigde van [eiser] heeft op 25 augustus 2025 als productie 3 een door [eiser] ingevuld aanvraagformulier ‘Huurderschap bij overlijden’ van [gedaagde] ingediend. Ook al zou dit verzoek kunnen worden opgevat als een eigen regeling van [gedaagde] - los van de wettelijke procedure op grond van artikel 7:268 lid 2 BW - om voortzetting van de huur na overlijden te bewerkstelligen, dan heeft [gedaagde] er terecht op gewezen dat [eiser] er op het moment van indiening daarvan al van op de hoogte was dat [gedaagde] zijn verzoek tot voortzetting van de huur zou afwijzen. In zijn e-mail van